Albert Heijn is de grootste supermarktketen in Nederland met een marktaandeel van 37% in 2022. Het bedrijf is opgericht in 1887. De zaak onder dit merk is sindsdien uitgegroeid tot een van de grootste bedrijven van Nederland met tevens vestigingen in België. In 1973 werd de holding Albert Heijn NV omgedoopt in Ahold NV. In 2016 fuseerde Ahold met Delhaize en ontstond de holding Ahold Delhaize.

Geschiedenis thumb|Replica van de eerste Albert Heijn-winkel in het Zaans Museum. Op 27 mei 1887 nam Albert Heijn de kruidenierszaak van zijn vader Jan Simonsz Heijn over in Oostzaan en legde daarmee de basis met de allereerste winkel voor de keten van de firma Albert Heijn.

Aan de gemeente werd bekendgemaakt dat de 'winkelaffaire en de daarmee verbonden verkoop van sterken drank in het klein' op 1 mei 1887 van vader op zoon overging, maar de feestelijke overdracht volgde op de 27ste van die maand, de trouwdag van Albert Heijn en Neeltje de Ridder. Volgens archiefonderzoek van de Jager werd dat de startdatum van de winkel met merk Albert Heijn.

Albert kocht het winkelpand met huis - van zijn vader - om te voorkomen dat Albert bevoorrecht zou worden ten opzichte van zijn broers en zussen - en Neeltje en hij kregen een baby: volgens de geboorteaktes in het erfgoed aanwezig was Neeltje zwanger. Een interne publicatie van Stichting Erfgoed Albert Heijn vermeldt verder, dat de akte van overdracht is gedateerd op 18 mei. Daarmee is dat juridisch gezien de startdatum voor Albert Heijn sr. voor wat betreft zijn eigenaarschap van het winkelpand en de drankvergunning.

Van general store naar kruidenier Albert wijzigde de opzet van de winkel van zijn vader. Hij specialiseerde zich. Hij beperkte de dienstverlening met boeren en de gemeente tot groothandel in producten als meubels, kleding en brandstof. In de winkel daarentegen kwam de nadruk te liggen op levensmiddelen, al liet Albert de verse groenten van zijn vader vallen. Hij nam koffie in zijn assortiment op en bouwde zijn pakket specerijen, meelwaren en peulvruchten geleidelijk uit. Hij veranderde de 'general store' van zijn vader in een kruidenier.

Door deze specialisatie verminderde het aantal artikelen in de winkel van 500 tot iets meer dan 100, maar de verkoop van levensmiddelen vergde beduidend meer vakkennis en inzet. Het ontbreken van wetgeving rond voedselveiligheid, maakte dat de klant volledig diende te vertrouwen op de winkelier. Albert riep de permanente hulp in van zijn vrouw Neeltje. Zij stond achter de toonbank, en verpakte de artikelen, wat veel werk was. De zakken hingen aan een zakkenrek, een smeedijzeren sieraad voor de winkel. Er hingen paktouw en trechters aan. De zakken zijn een symbool van een ander tijdperk: het uitwegen en volgens strenge regels dichtvouwen moest geleerd worden, het was een ambacht. De industrialisatie, met haar voorverpakte artikelen, heeft deze tijdrovende arbeid doen verdwijnen.

Invloed van de industriële revolutie Het aanvankelijk kleine assortiment van de kruidenier werd overigens noodgedwongen uitgebreid, door het verdwijnen van de grutter, banketwerker, commenijhouder, drogist, vettewarier, zeepzieder, suikerbakker, zoutverkoper, korenverkoper, olieslager, azijnmaker, mosterdmaler die rechtstreeks leverden. De klant, onder invloed van de industriële revolutie, ging later steeds hogere eisen stellen en wilde meer kopen in dezelfde winkel, bij de kruidenier. En filiaalbedrijven groeiden later uit tot 'dodelijke concurrenten'. Albert sr. ging mee in de dynamiek van zijn tijd.

Klanten in de kruidenierswinkel waren overigens voornamelijk vrouwen, en kinderen, zelden mannen. Die werkten. Het was overleven voor de bevolking in die begintijd, veel armoede en dankbaarheid wanneer er voldoende te eten was. Door de industrialisatie werd de arbeidersklasse een interessante doelgroep als klant. Albert kocht zijn artikelen in per boot op later op de grossiersmarkten. Stoomvaart specialiseerde zich in gekoeld transport en opslag van o.a. verse groenten en fruit, wat vooral op de publieksmarkt werd verkocht. En later bij de groenteboer.

Sfeertekening van de eerste kruidenierswinkel Albert zorgde in de eerste winkel voor het 'overpakken' van ingekochte artikelen in fusten, kisten en open bakken. Brandewijn, jenever, azijn, oliën, blauwsel, schuurzand, meel, peulvruchten, koffie, thee, kruiden, geneesmiddelen zijn voorbeelden van artikelen. In de winkel stonden bussen. Krenten en peulvruchten werden 'gelezen', en meelsoorten gezeefd. Thee en koffie werden gemelangeerd, suiker werd geraspt. Voor de meeste artikelen brachten de klanten destijds zelf een pot, fles of kan mee. Zakken werden aanvankelijk door Albert en Neeltje zelf geplakt maar al vrij snel werd dit uitbesteed, aanvankelijk aan weeshuizen en gevangenissen en later bij de Zaanse zakkenindustrie. In het interview met kleinzoon Ab Heijn uit 1997 maakt deze kenbaar waarom verpakken in de kruidenierswinkel een ambacht èn veel werk was.

Alleen snoep stond in de etalage. De voorraad stond in de winkel, evenals de lessenaar waar Albert de administratie bijhield.

De meeste tijd vergde de dienstverlening. De winkel was open van zes uur 's ochtends tot tien uur 's avonds. Albert was grossier voor een 30-tal pseudo-winkeltjes van weduwen in de omgeving. Verder had hij een bescheiden bezorgdienst, die later dusdanig groeide dat hij in 1893 speciaal een knecht aannam voor de bestellingen. Albert Heijn had eigen import en liet op 1894 op zijn rekeningen de aanduiding: 'Koloniale Waren en Gedestilleerd' zetten. Hij begon met de nieuwigheid van die tijd: strooibiljetten.

Wijzigend voedingspatroon Albert Heijn sr. profiteerde van de industrialisatie die welvaart bracht door de vaste lonen voor fabrieksarbeiders en een nieuwe groep rijken. Eetgewoontes veranderden: minder qua hoeveelheid maar meer en andere soorten artikelen. Door de opkomst van fabrikanten en voorverpakte artikelen, kwamen inheemse en exclusieve producten binnen bereik. Zoals kreeft, sardines en truffels in blik. De blikopener was in 1875 uitgevonden. Dankzij de vinding van de stoommachine kon de stoomboot uitheemse producten naar Nederland brengen. Fabrieksarbeid en kantoorwerk in plaats van het nijverheids- en boerenbestaan, jaagden de introductie aan van een nieuw voedingspatroon met drie maaltijden per dag op vaste tijden. Een ontbijt en een lunch met boterhammen en beleg. Kachels met diverse kookpunten werden pas van 1820 op grotere schaal geïnstalleerd. Aan het eind van de 19e eeuw verscheen het beroemde circulatiefornuis met ingebouwde oven. Dit stelde iedereen in staat een maaltijd met verschillende ingrediënten en gangen samen te stellen en daarop speelde weer een hausse aan kookboeken in, alsmede het huishoudonderwijs dat vanaf 1885 ontstond. Ook de uitbreiding van het elektriciteitsnet heeft grote impact gehad op verlichting en koeling in de winkels bijvoorbeeld. En later op de automatisering van kassa- en administratiesystemen.

Van kruidenier naar winkelketen In de jaren die volgden opende Heijn verschillende nieuwe winkels. In Purmerend opende hij zijn tweede winkel. Zijn slogan werd “arm en rijk kunnen bij mij hun inkopen doen”. Hij voerde een assortiment waardoor hij iedereen kon bedienen. Een breed aanbod, goede kwaliteit en aantrekkelijke prijs. De rijken stuurden in die tijd vaak dienstmeisjes, soms meerdere keren per dag voor kleine hoeveelheden, en kochten op rekening. Wanneer ze geen dienstmeisjes hadden, was er de bezorgdienst. Albert had bij de uitbreiding van de winkels betaling in contanten doorgevoerd, behalve voor de selectieve groep klanten waar werd bezorgd. Er ontstonden luxueuze en gewone winkels, afhankelijk van de potentiële klantengroep.

In 1899 werd de centrale bevoorrading vanuit Oostzaan een probleem vanwege de groei van het aantal winkels en de ligging van Oostzaan. Voor de artikelen die Albert inkocht op de markt, want fabrikanten leverden niet aan de markt maar aan grossiers of rechtstreeks aan de winkels. Albert sr. besloot in Zaandam te gaan wonen met zijn gezin. Hij opende opmerkelijk genoeg geen winkel in Zaandam en hiermee kwam een einde aan het werken in de winkel voor Neeltje en Albert. Albert stelde zelf personeel aan in zijn nieuwe winkels. Het personeel was uit Oostzaan afkomstig, en hij vormde hen zelf. Hij stelde strikte eisen bij aanname en voor wat betreft de beleefde bejegening van klanten, eerlijk productadvies en de hygiëne in de winkel. Hij opende tevens een centraal pakhuis in Zaandam voor centrale bevoorrading, in 1918 omgedoopt tot Centraal Magazijn. Dit leidde in 1960 tot industriële ambities, waarbij alle magazijnen, ook het kaaspakhuis en de wijnkelder, werden samengebracht in Zaandam. De eerste paal van dit miljoenenproject werd in oktober 1960 geslagen en in juni 1963 werden de laatste voorraden naar binnengebracht.

Een aansluitende verbetering lag op het gebied van de voorraadadministratie en veranderde het systeem naar systematische bevoorrading met computers. In 2018 is het eerste, door Vanderlande gerobotiseerde, distributiecentrum in gebruik genomen in Zaandam. Een groot deel van het (zware) werk is overgenomen door robots en transportbanden.

Eigen fabricage Al in 1895 begon Heijn sr. met het branden van eigen koffie in een washok in de winkel in Oostzaan, maar de eigen merkproducten namen vanaf 1910 flink toe. Vanaf dat moment gaat Heijn ook meerdere eigen producten zelf produceren, waaronder suikerwerk, koek en banket, chocolade, Albert Heijn karnemelkzeep, Albert Heijn Blauw etc. Tot 1913 werden de artikelen geproduceerd vanuit een herenhuis in Zaandam, maar in 1913 kwam er op deze plek een professionele fabriek te staan. Alberts verwachting was niet primair meer te verdienen. Zijn doel was onafhankelijk te zijn van wat fabrikanten aan hoeveelheden konden of wilden leveren. Ten tweede wilde hij, voor wat betreft de kwaliteit van artikelen, niet afhankelijk zijn. Albert kocht grondstoffen met succes in. Met behulp van bekwame vaklieden, gebruik van goede machines en gereedschappen moest het volgens hem mogelijk zijn de beste producten zelf te maken.Typisch voor Albert Heijn sr. was de eigen merkartikelen naast fabrikantenmerken te verkopen. Vermoedelijk omdat sommige fabrikanten aanvankelijk niet of te weinig leverden, zoals Droste en Douwe Egberts.

In 1920 werden alle onderdelen samengevoegd in de Maatschappij tot Exploitatie der Fabrieken en Handelszaken. In deze onderneming nam Anton Jurgens een belang van 50%, in 1927 werd zijn belang uitgekocht door de familie Heijn. Op 29 april 1920 gaf Heijn de leiding van het bedrijf over aan zijn zoons Gerrit Heijn, Jan Heijn en zijn schoonzoon Johan Hille. Zelf blijft hij aan als president-commissaris. De keten opende in 1923 een chocoladefabriek voor het merk Delicata met een keur aan smaken. Dit merk bestaat nog steeds. Vanaf 1924 waren er eigen chocoladewinkels onder de naam Albert Heijn Chocolateries. De laatste chocoladewinkels verdwenen omstreeks het midden van de vorige eeuw.

Het vraagstuk bij fabricage was o.a. de bezettingsgraad van machines, de overproductie. De fabriek die AholdDelhaize nog bezit is de koffiefabriek voor het merk Perla. Zij produceren als enige aanbieder in de reguliere supermarkt bijvoorbeeld biologische koffiepads. Van alle soorten koffie - bonen, gemalen, cups, pads - zijn biologische varianten van het merk Perla verkrijgbaar voor een schappelijke prijs. Daarnaast is geïnvesteerd in Fairtrade-programma's voor alle koffie en een keur aan smaken.

Beursnotering en internationale expansie