Huibert VisnichVoornaam ook wel gespeld als Huybert, Hubert, Huyberto en Huijbrecht. Achternaam als Visnich, Vissnich, Visnig, Visnicht, Vissnicht, Vissnichtt, Visnichtt en Fisnich. Bij de Engelsen: Vishneitt en Visneck. (? – Mosul, begin 1630) was een koopman in dienst van de VOC. In de jaren 1623 tot 1630 stichtte hij handelskantoren in Gamron en Isfahan in Perzië en bracht ze tot bloei. In de kantoren werd ruwe zijde ingekocht voor de markt in Europa, deels betaald met meegebrachte contanten en deels met de verkoop ter plekke van specerijen en andere producten uit India en Zuidoost-Azië. Later werd Visnich beschuldigd van fraude en vertrok hij over land naar Aleppo, vermoedelijk om van daar naar de Republiek te reizen. Hij werd onderweg in de buurt van Mosul door de Ottomanen vermoord.

In dienst bij de VOC Over Visnichs eerste levensperiode is niets bekend. In 1620 was hij in Aleppo, de handelsstad in de Levant, toen onderdeel van het Ottomaanse Rijk, waar karavanen uit Perzië hun ruwe zijde afleverden voor verder transport naar het Middellandse Zeegebied. Visnich hield zich hier waarschijnlijk al met de zijdehandel bezig. In deze tijd werd er in Europa meer dan 200 ton zijde per jaar geïmporteerd. De Republiek, die in 1612 diplomatieke betrekkingen had aangeknoopt met het Ottomaanse Rijk, had sinds 1613 een consul in Aleppo, Cornelis Pauw. Nederlandse kooplieden verdrongen in de Levant dankzij een efficiëntere scheepvaart de Venetianen en de Fransen, vooral in de handel in katoen (destijds een luxe product) vanuit Cyprus en Egypte, en in zijde vanuit Aleppo. In 1621 liep echter het Twaalfjarig Bestand met Spanje af, zodat Nederlandse schepen in de regio niet meer veilig waren. De nieuwe Spaanse koning Filips IV hernieuwde het embargo op Nederlandse schepen rond Spanje en Zuid-Italië, waarop de Nederlandse handel instortte. Rond deze tijd nam Visnich dienst bij de VOC.

India miniatuur|Kaart van ca. 1623 met o.a. India, Arabië en Perzië rond de Arabische Zee. Op 23 juni 1621 kwam hij als opperkoopman aan in Paliacatte aan de Coromandelkust van India, een 'tamelijc steedeken, met inwoners die zich met het 'maecken van cattoene lijwaten erneeren, als meede met schilderen op deselve. Hier heeft de compe. een casteell genaempt Geldria, ’t welck leijt in vier flanckeerende puncten, heeft een steenen muir, neegen voedt dick, met een aerde wall van 24 voedt, met een graght wijt omtrent 100 voedt, diep voedt water, dit casteell is versien met 28 grove stuckenKanonnen, soo metale als isere, hier leijt ordinnarij in garnisoen 100 a 130 soldaten.' Later dat jaar reisde hij verder naar Masulipatam, ook aan de kust gelegen, in het sjiietische sultanaat Golkonda. Vandaar reisde hij van november tot maart 1622 door het binnenland van India om de kleurstof indigo in te kopen. In dit product beheerste de VOC de handel op Europa. De indigo werd gewonnen uit de bladeren van heesters en in de vorm van gedroogde koeken verscheept naar Europa, waar ze gebruikt werden in de blauwververijen. Vervolgens kreeg Visnich opdracht van Jan Pieterszoon Coen om over land door Golkonda naar Suratte aan de noordwestkust te gaan en zich daar in te schepen naar Djask in Perzië, waar de Engelse Oost-Indische Compagnie een kantoor had. Hij moest daar zijde in gaan kopen. De Compagnie hoopte samen met de Engelsen de lucratieve zijdehandel via Aleppo 'eenichsints te diverteren' door de zijde per schip rond Afrika naar Europa te vervoeren. Intussen kochten andere Nederlandse kooplieden de zijde vanuit Rusland in, om het via de Kaspische Zee, Moskou en Archangel naar Amsterdam te brengen. In 1630 kwam nog slechts 20 procent van de geïmporteerde zijde in Amsterdam vanuit de Middellandse Zee. De rest kwam via Rusland en de Kaap de Goede Hoop.

In april 1622 was Visnich in de hoofdstad van Golkonda. Hier ontmoette hij een gezant van de sjah van Perzië, Cassim Bey, met wie hij vriendschap sloot en van wie hij aanbevelingsbrieven kreeg voor diverse hoogwaardigheidsbekleders aan het hof van sjah Abbas. (de 'Chiabas' in de VOC-missiven) Ook bevriende hij de ambassadeur van de 'aldergrootsten Coninck Selim Schia' (de Mogolkeizer Jahangir), die hem vroeg of hij 'iets te coop, ofte eenige vremde curiuesheden' bij zich had. Visnich had geen handelswaar bij zich, maar wel een in Nederland gedrukte Arabische uitgave van het Nieuwe Testament. De ambassadeur, die deze taal sprak, was hier blij mee en vroeg Visnich met hem mee te reizen terug naar Agra. Via Agra kwam Visnich op 24 mei in Suratte aan, waar hij zich meldde bij de directeur Pieter van den Broecke, die van zijn komst niet op de hoogte bleek te zijn. Tot 2 december verbleef Visnich in Suratte en omstreken. Toen vertrok hij met de vloot van Jacob Dedel die naar het Portugese Goa ging voor de jaarlijkse blokkade van die stad. Kort daarna stuurde Van den Broecke de uit Batavia gearriveerde Heusden erachter aan. Dit schip, onder bevel van opperkoopman Francois Lemmens, moest met geld en goederen de handel gaan openen in Perzië. Dedel plaatste Visnich op de Heusden als vice-commandeur, zodat hij Coens opdracht kon gaan uitvoeren. Eind januari 1623 vertrok de Heusden van Goa naar de Rode Zee.

Jemen miniatuur|De haven van Mocha in 1616. links|miniatuur|De Rode Zee en de Perzische Golf. Na een voorspoedige reis over de Arabische Zee kwam de Heusden eind maart aan in Mocha, aan de ingang van de Rode Zee. Hier had Pieter van den Broecke in 1616 de eerste contacten gelegd. Deze stad in Jemen was de 'principalste coopstadt van heel Arrabien Felickx'. Voor de koffiebonen die Van den Broecke er aantrof was destijds nog geen markt in Europa. In 1620 werd er een factorij gesticht voor de verkoop van specerijen in ruil voor edelmetaal, zodat daarvan minder uit de Republiek hoefde te worden gezonden. Visnichs beschrijving van Mocha: 'een tamelijcke well gebouwe stadt van huijsen ende kercken op de Moorsche maniere, leijt in een valeije dight aen den strandt ende is onbemuirt, sorteert onder den Baschia van Jemen'. Er moest hier contant geld worden opgehaald om samen met de koopwaar van de Heusden, meest peper en andere specerijen, in Perzië een handelspost op te zetten. In Mocha was intussen een conflict gerezen tussen de VOC factorij en de Turkse pasja, Fadli Basha ('Foddelij Bassia' in de VOC-missiven), dat zijn oorsprong vond in het buitmaken van Portugese en Indiase schepen door twee schepen van de Compagnie, de Samson en de Weesp, enkele jaren terug. Dit ondanks de vrijpassen die de directeur van Mocha, Willem de Milde, aan de Indiase vaartuigen had verstrekt. Ook de pasja had hierbij schade geleden en eiste dat die vergoed werd. De Milde en zijn 7 medewerkers werden gegijzeld, en handelswaar moest onder de marktprijs aan de pasja verkocht worden. De Compagnie erkende dat er fout gehandeld was maar vond het geëiste bedrag aan schadeloosstelling veel te hoog en wilde dat de medewerkers werden vrijgelaten. Visnich ging meerdere keren aan wal om te onderhandelen met de pasja maar bereikte geen overeenstemming over de kwestie. Desondanks wist hij 10000 realen van achten uit het kantoor mee aan boord te krijgen, waarna de Heusden op 10 mei vertrok. Visnich schreef een rapport over kantoor Mocha voor Batavia, wat gouverneur-generaal De Carpentier deed spreken van 'den desolaten standt' van het kantoor. Het zou later dat jaar door de VOC gesloten worden. De medewerkers zouden nooit vrijkomen. De Milde viel later in handen van tegen de Turken in opstand gekomen Arabieren en moet kort na 1632 gestorven zijn in Ta'izz. Later zou er met tussenpozen nog wel handel worden gedreven op Mocha, maar pas op het eind van de 17de eeuw, toen koffie drinken populair werd in Europa, kwam er weer een permanente vestiging.

Perzië

'In een fraye wooninghe gelogeert' miniatuur|VOC schepen bij Hormuz in 1629. Op 20 juni kwam de Heusden aan bij het eiland Hormuz aan de ingang van de Perzische Golf. De gelijknamige stad op het eiland bleek verwoest en verlaten te zijn na de verovering op de Portugezen door de Perzen met hulp van de Engelsen het jaar daarvoor. Visnich: 'De stadt van Ormous is heell gedestrueert, maer 't fort weederom in sijn geheell, gelijck ten tijde van de Portugeesen was, zijnde nu in handen van de Persianen, die bij ’t veroovren van de stadt ende het fort naer dat men seijt oover de 600 metale stucken gecreegen hebben, waervan 130 op de wallen lagen, de rest inde aerde, die door de Persianen opgegraven, ende een deell naer SpahanIsfahan aen den Coninck gesonden, de andre op beijde de forten in Gamron geleijt zijn'. De sultan van Hormuz gaf toestemming om in Gamron, een vissersdorp op het vasteland dat nu onder de naam Bandar-i Abbas (haven van Abbas) de handelsfunctie van Hormuz had overgenomen, de goederen te ontschepen en over land via Lar en Shiraz naar het hof van sjah Abbas in Isfahan te gaan. Visnich ging aan land met een lading goederen ter waarde van 140.000 gulden. Terwijl Lemmens met de Heusden weer terug ging naar Suratte, kwam Visnich medio september in Isfahan aan met koopwaar gedragen door kamelen. Hij deelde onderweg de nodige geschenken uit, en werd in Isfahan riant gehuisvest: 'In Spahan gearriveert, alwaer wy gelijck oock in alle plaetsen daer wy deur gereyst zijn seer wel ontfangen ende van Sijn Mag. in een fraye wooninghe gelogeert zijn'. Isfahan verkeerde in de 17de eeuw in een bloeiperiode, vooral nadat sjah Abbas er in 1598 zijn residentie naar toe had verplaatst vanuit Qazvin. Er waren zo'n 300 openbare badhuizen en 1800 karavanserais. Het centrale plein voor de in aanbouw zijnde Moskee van de sjah, de Masjid-i Sjah, was zeven keer zo groot als het plein van San Marco in Venetië. links|miniatuur|Sjah Abbas I (in gele kledij) aan zijn hof in Isfahan. De sjah was blij met Visnichs komst. De Compagnie betekende een extra bondgenoot tegen de Portugezen naast de Engelsen, die bovendien met hen om de zijde concurreerde. Ook dacht hij de Ottomanen de inkomsten aan tolheffingen op de karavanen naar Aleppo te kunnen ontnemen als de zijde over zee werd vervoerd. Hij gaf zijn goedkeuring aan bijna alle bepalingen in het door Batavia meegegeven concept contract. Dit werd bevestigd in een firman, een vorstelijk besluit. Het lukte Visnich ook alle koopwaar te verkopen en voldoende zijde in te kopen. Dat laatste mocht alleen bij het hof, in de persoon van de agent van de sjah, 'Molaimbeyck'Spellingen: Moelam Beg, Molayem Beg, Molimbeecq, Mollamblijck. Bij de Engelsen: Molaim Beg. (Molayem Beg, 'des Conincks koopman'), tegen een vaste prijs. Deze lag boven de marktprijs, maar in ruil daarvoor hoefde de VOC nergens tolrechten of andere belastingen te betalen. In november 1623 schreef Visnich via Aleppo aan de Heren XVII dat hij binnen vier maanden met de lading naar Gamron hoopte te vertrekken, en dat de sjah had gevraagd om enkele 'panciers ofte sacke de maglie (maliënkolders), oock eenige geschroefde loopen van 5 palmen lanck'. De sjah was een militaire hervormer en geïnteresseerd in Europese wapens om te gebruiken tegen zijn aartsvijanden de Ottomanen. De imperiale rivaliteit tussen de Perzische Safawieden en de Turkse Ottomanen werd nog versterkt door een religieuze. De Safawieden waren sjiieten, de Ottomanen soennieten. miniatuur|De VOC factorij in Isfahan ca. 1714.