Pensioen in Nederland bestaat voornamelijk uit de Algemene Ouderdomswet (AOW) en verplichte deelname aan pensioenfondsen.

Algemeen In Nederland worden de wettelijke aspecten van pensioenen geregeld in de Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling.Wet verplichte beroepspensioenregeling - tekst van de wet

Het consultancybedrijf Mercer beoordeelde in 2010 het Nederlandse pensioenstelsel als het beste ter wereld.Melbourne Mercer Global Pension Index: Netherlands, Mercer De Nederlandse pensioenvoorzieningen zijn de hoogste van Europa.Nederlandse pensioenvoorzieningen hoogste van Europa, CBS, 19 december 2007 Ultimo 2012 1007 miljard euro.Nederlands pensioenvermogen boven 1 biljoen, De Telegraaf, 27 maart 2013 In 2017 beoordeelde Mercer het Nederlandse stelsel als het op een na beste, met een score van 78,8. Het Deense stelsel had een score van 78,9.2017 MMGPI Report (pdf) Bij hetzelfde onderzoek in 2019 behaalde Nederland weer de eerste plaats met een score van 81,0, met Denemarken op de tweede plaats met 80,3. MMGPI 2019 Full Report (pdf), Mercer

In Nederland is het streefniveau bij een eindloonregeling vaak 70% van het laatstverdiende inkomen en bij een middelloonregeling 75% van het gemiddeld verdiende loon. Overigens zijn percentages van 35-45% van het laatstverdiende loon waarschijnlijk realistischer. Mensen denken dus een hoger pensioen te krijgen dan werkelijk het geval zal zijn.

Pensioenstructuur Pensioenfondsen in Nederland zijn ontstaan aan het einde van de 19e eeuw. Het eerste Nederlandse (ondernemings)pensioenfonds werd in 1879 opgericht door Jacques van Marken van de Nederlandse Gist & Spiritusfabriek in Delft. Twee jaar later creëerde Charles Stork een pensioenregeling voor zijn werknemers in zijn Hengelose machinefabriek. Een pensioenfonds voor een gehele bedrijfstak zou nog even op zich laten wachten. Het eerste Nederlandse bedrijfstakpensioenfonds was het in 1917 opgerichte Coöperatief Verzekeringsfonds in Leeuwarden. Werknemers in een deel van de zuivelindustrie konden zich bij dat fonds aansluiten.

Pensioen wordt opgebouwd bij pensioenuitvoerders, in Nederland zijn dit pensioenfondsen, pensioenverzekeraars (dit zijn meestal gewone verzekeraars die ook pensioen aanbieden) en premiepensioeninstellingen, waaraan de werkgever, de werknemer, of werkgever en werknemer beiden premie betalen. In het algemeen betaalt de werknemer 1/3 van de premie en de werkgever 2/3 maar die percentages kunnen per fonds, verzekeraar of werkgever verschillen. De opgespaarde pensioenpremie zorgt te zijner tijd voor het zogenoemde pensioenkapitaal waaruit het pensioen uiteindelijk wordt betaald. Gedurende de opbouwperiode spreekt men van pensioenreserve. De pensioenopbouw is belastingvrij, in die zin dat het opgebouwde kapitaal niet in box 3 van het Nederlands belastingstelsel wordt belast. De uitkeringen zijn daarentegen belast.

De Pensioenwet verbiedt iedere handeling waardoor pensioenaanspraken of pensioenrechten hun pensioenbestemming verliezen. De Pensioenwet staat slechts in een beperkt aantal situaties toe dat de pensioenreserve wordt overgedragen aan een andere pensioenuitvoerder (pensioenfonds of pensioenverzekeraar), onder andere bij verandering van baan, bij het bereiken van de pensioendatum en bij wijziging van pensioenuitvoerder. Op die manier kan pensioenbreuk in veel gevallen worden voorkomen. In andere landen is dat lang niet altijd het geval. Voor internationale waardeoverdracht gelden tal van barrières, waardoor een succesvolle overdracht vaak niet mogelijk is. De Europese Unie wil hiervoor mogelijkheden scheppen.

Pensioenrekenleeftijd en pensioenrichtleeftijd De mate waarin een ouderdomspensioen is opgebouwd kan worden uitgedrukt in een bruto bedrag per maand of jaar, samen met een leeftijd waarop het pensioen ingaat. Deze leeftijd wordt de pensioenrekenleeftijd genoemd. Als het pensioen op een andere leeftijd ingaat kan het bedrag worden omgerekend volgens algemene actuariële normen. Ook moeten voor het optellen van pensioenaanspraken de pensioenrekenleeftijden gelijk gemaakt worden, dus als deze verschillen moet op minstens een van beide pensioenaanspraken omrekening worden toegepast.

De pensioenrichtleeftijd is een wettelijk vastgestelde pensioenrekenleeftijd (Wet op de loonbelasting 1964, art. 18a, 6e lid), sinds 2018 68 jaar, die gebruikt wordt bij het formuleren van fiscale normen ten aanzien van de aftrekbaarheid van pensioenpremie, en vrijstelling van het pensioenkapitaal van heffing in box 3.

Een pensioenfonds hanteert vaak als pensioenrekenleeftijd de wettelijke pensioenrichtleeftijd. Bij een wijziging van de pensioenrichtleeftijd worden reeds opgebouwde pensioenaanspraken dan omgerekend naar de nieuwe pensioenrichtleeftijd.

Opbouw naar bruto-inkomen Over het verdiende loon wordt pensioen opgebouwd op basis van de pensioengrondslag, het opbouwpercentage, de franchise en de deeltijdfactor. Dit kan worden onderverdeeld in de volgende inkomensklassen: Over het inkomen tot aan de franchise wordt door alle in Nederland woonachtige personen gedurende 50 jaar AOW opgebouwd door loonheffing over het bruto-inkomen tot aan de AOW-leeftijd Over het inkomen tussen de franchise en het maximaal loon/salaris (ruim 50.000 euro bruto per jaar) wordt (vanaf een bepaalde instapleeftijd, die wettelijk gezien maximaal 22 jaar bedraagt) pensioen opgebouwd op basis van een dienstbetrekking Vanaf 2015: over het inkomen tussen het maximaal loon/salaris en het fiscaal maximaal loon/salaris (in 2015: 100.000 euro bruto per jaar) kan een excedentpensioen worden opgebouwd Vanaf 2015: Over het inkomen boven het fiscaal maximaal loon/salaris kan een nettopensioen worden opgebouwd.

Verplichtstelling In Nederland wordt de tweede pijler pensioenregeling vaak verplicht gesteld voor werkgevers (bijvoorbeeld bij een bedrijfstakpensioenfonds zoals Pensioenfonds Detailhandel of een beroepspensioenfonds) om een hoge mate van economische en sociale solidariteit te handhaven. Bovendien kan op deze manier voorkomen worden dat het pensioen een element van concurrentie op de arbeidsmarkt wordt, wat loononderhandelingen eenvoudiger en doorzichtiger maakt en voorkomt dat een neerwaartse spiraal ontstaat die het pensioensysteem afbreekt. Ten slotte is van belang dat de markt geen pensioenen volgens het beschikbare-uitkeringssysteem kan produceren (marktfalen) en de kosten en risicoverdeling van het beschikbare-premiesysteem ongunstig zijn voor de consument (voor een extreem voorbeeld, zie de woekerpolis-affaire).

Tegenover dit wettelijk monopolie staat niet alleen een zeer gedetailleerd toezicht van de overheid, maar ook een afbakening van het werkterrein van pensioenfondsen (taakafbakening). Instellingen die alleen pensioen uitvoeren (dus niet betrokken zijn bij het tot stand komen van de pensioenregeling) zijn niet gebonden aan de taakafbakening, maar genieten ook niet de bescherming van de verplichtstelling.

Fiscaliteit en vervroegd pensioen Kenmerkend voor de fiscaliteit van pensioen is het al of niet fiscaal kunnen toepassen van de omkeerregel (omkering van de hoofdregel; in Nederland geregeld via artikel 11 lid 1c van de Wet op de loonbelasting): aftrek voor premie, rendement van het pensioenkapitaal tussentijds onbelast, pensioenuitkering (dus inleg plus rendement) belast.Dit betekent ook dat het voordeel van lang leven is belast, terwijl bij kort leven er tegenover de belastingaftrek minder of geen latere belastingbetaling staat. Dit geldt niet voor de AOW (premie niet aftrekbaar, uitkering wel belast), maar wel in principe ook voor lijfrente. Wel wordt dan van de belastingplichtige verwacht dat hij de hele rit uitzit. Tussentijds beëindigen of afkoop wordt, voor zover juridisch überhaupt mogelijk, fiscaal zeer nadelig behandeld.

De fiscaliteit van pensioen wordt in Nederland bij wet geregeld in onder andere de Wet op de loonbelasting 1964 en de Wet inkomstenbelasting 2001 (ook in een aantal uitvoeringsbesluiten). In de Wet op de loonbelasting 1964 wordt onder ouderdomspensioen verstaan een regeling die (bijna) uitsluitend ten doel heeft het treffen van een levenslange inkomensvoorziening bij ouderdom voor werknemers en gewezen werknemers.

De fiscale voordelen van het kunnen toepassen van de 'omkeerregel' kunnen groot zijn, maar zijn moeilijk in te schatten, onder meer omdat gedurende de lange looptijd wetten ingrijpend veranderd kunnen worden. Op basis van de huidige wetten geldt het volgende.

Tot de AOW-leeftijd moet men over de eerste € 33.555 inkomen 17,9% AOW-premie betalen (2014). Na ingang van de AOW hoeft dit niet meer. Als het totale inkomen na het pensioen niet boven die grens uitkomt, is het dus gunstiger om de heffing over het inkomen zo veel mogelijk tot na de AOW-leeftijd uit te kunnen stellen. Bovendien is in het algemeen het inkomen voor de pensioenleeftijd hoger dan daarna, zodat de top van het inkomen tot de pensioenleeftijd vaak in een hogere schijf valt dan daarna. Een verschuiving van heffing tot na de pensioenleeftijd betekent daarom vaak dat er, ook los van het vervallen van de AOW-premie, tegen een lager tarief wordt geheven. Ook telt de waarde van de fiscaal gefaciliteerde pensioenen niet mee voor de vermogensrendementsheffing. Aangezien pensioengeld in het algemeen voor langere tijd wordt gereserveerd, zou er anders in veel jaren vermogensrendementsheffing moeten worden betaald. Daar staat tegenover dat rendement op het pensioenkapitaal ervoor zorgt dat men gemiddeld meer pensioen ontvangt dan men aan premie heeft betaald, dus ook over een groter bedrag belasting betaalt dan het bedrag dat men heeft kunnen aftrekken.

Voor de werkgever betekent het betalen van pensioenpremie ook dat er een lager SV loon resulteert, zodat ook de werkgeverslasten lager zijn. De werkgever kan dus beter hetzelfde bedrag als pensioenpremie betalen dan als extra loon.

Ten slotte betekent een lager SV loon voor de werknemer dat er eerder kans is op toeslagen of dat de toeslagen hoger kunnen zijn. Keerzijde is dat een hoger (fiscaal) pensioen na de pensioenleeftijd leidt tot een hoger SV loon na het pensioen en dus tot lagere toeslagen. Maar ironisch genoeg zou een in eigen beheer geregeld pensioen, zonder fiscale voordelen, na de pensioenleeftijd als Box 3 vermogen ook invloed hebben op het recht op toeslagen. Geen gebruik maken van de fiscale voordelen wordt dan dus dubbel bestraft.

Door deze grote fiscale voordelen wordt er door veel mensen geredeneerd dat je, bij een inperking van deze voordelen, niet eerder 'mag' stoppen met werken. Of dat je niet méér zou mogen sparen voor je pensioen. Dat mag allemaal nog wel, maar het mag niet met alle fiscale voordelen. Maar dus ook zonder de fiscale restricties die aan pensioengeld zitten.

Door de Wet VPL zijn vervroegde uittreding en prepensioen fiscaal onaantrekkelijk, respectievelijk niet meer gefaciliteerd. Fiscale facilitering wordt geboden voor een ouderdomspensioen van maximaal 100% van het laatstgenoten pensioengevend loon dat niet eerder ingaat dan bij het bereiken van de pensioenrichtleeftijd (sinds 2018 68 jaar), en ook een begrenzing van de opbouw per jaar, zie Witteveenkader. Men kan het zo opgebouwde pensioen wel eerder laten ingaan (met actuariële herrekening). Het komt er dus op neer dat hoe eerder het pensioen ingaat hoe lager het pensioen is dat fiscaal gefaciliteerd kan worden opgebouwd.