Meedhuizen (Gronings: Mijhoezen of Midhoezen), vroeger ook Midhuizen genoemd, is een dorp in de gemeente Eemsdelta in de Nederlandse provincie Groningen. Het heeft ruim inwoners. De bebouwing wordt hoofdzakelijk gevormd door arbeiders- en burgerwoningen uit de eerste helft van de 20e eeuw.
Het dorp telt onder andere een dorpswinkel, café, openbare basisschool en een sportcomplex. Tot 1 januari 2021 behoorde het dorp tot de gemeente Delfzijl, die samen met Appingedam en Loppersum fuseerde tot de gemeente Eemsdelta.
Geografie thumb|Huizen langs het Afwateringskanaal met links de brug Meedhuizen ligt ten zuiden van de stad Delfzijl, tussen de dorpen Tjuchem in het westen en Wagenborgen in het zuidoosten. Het dorp is via twee uitvalswegen verbonden met de N362; naar het oosten via de Ideweersterweg en naar het noorden via de Meedhuizerweg. Meedhuizen heeft een busverbinding met Delfzijl en Appingedam. Het dorp ligt aan het Afwateringskanaal van Duurswold, dat naar het noorden toe naar Farmsum stroomt en naar het westen toe naar het Schildmeer. De brug over het afwateringskanaal werd bij de bevrijding van Delfzijl in 1945 opgeblazen door de Duitsers en werd daarop vervangen door een nieuwe brug, die in de jaren 1990 werd vervangen door de huidige brug.
Onder Meedhuizen vielen vanouds het gehucht Opmeeden, alsmede de boerderijen Grashuis (aan de Essenlaan) en Strijkerij. Ook de gehuchten Schaapbulten, Ideweer en Wilderhof vielen kerkelijk onder Meedhuizen. De eerste twee lagen op het grondgebied van Geefsweer (kerspel Farmsum), terwijl Wilderhof in de rechtstoel en het kerspel Siddeburen lag. Tussen Delfzijl en Meedhuizen liggen verder de wierdedorpen Amsweer en Geefsweer, alsmede de boerderij Gommelburg, die vroeger kerkelijk en bestuurlijk onder Farmsum vielen, maar door de verlenging van het Eemskanaal daarvan zijn afgesneden.
Landschap Meedhuizen was van oorsprong een randveenontginning. De noordkant van het dorp bestaat vooral uit humusrijke klei-op-veengronden (vroeger roodoorn genoemd). Het was altijd een open landschap met verspreide boerenerven en wat erfbeplanting. Langs de Weereweg ontstond lintbebouwing. Het gebied werd na een lange periode van wateroverlast in de 19e eeuw omgevormd tot een bloeiend landbouwgebied met middelgrote gemengde boerenbedrijven. Na 1900 overwoog de akkerbouw.
Omstreeks 1960 is het kleinschalige landschap rond Meedhuizen door grootscheepse ruilverkavelingen grondig veranderd. Gehuchten werden gesloopt, wegen en sloten verdwenen van de kaart of werden rechtgetrokken, waardoor het landschap eenvormiger werd, op een soortgelijke wijze zoals dat in veel andere delen van Nederland gebeurde. Van de contouren van de vroegere meren is weinig meer te herkennen. Bij de ruilverkavelingen werden ook houtopstanden aangeplant om de dorpen meer beschutting te geven. De journalist Wiert Eelssema schrijft in 1961 over de rigoureuze aanpak:Der bennen in leste joaren hoezen oafbroken en mensen wegtrokken. … Nou wordt dat aal baauwlaand. Want zal bennen bezeg mit 'n ruilverkavelingsplan Weiwerd-Geefsweer, dij der op liekt. As je nou de weg oaffietsen van Schoapbulten noar Geefsweer, 'n mooie rechte weg, den zat je overaal in 't veld draglines en ook 't baauwen van 'n boerenschure midden in de velden. Zai bennen bezeg mit 't verwezelukken van dat ruilverkavelingsplan, waar hail wat daimten mit bemuid bennen. En as 't domt aalmoal kloar is, den is 't aaltemoal degelk en rechtoet, rechtaan … Den staan der vair nije plaatsen in dit open, wiede laand.Sinds het einde van de 20e eeuw hebben veeteeltbedrijven opnieuw de overhand. De dorpskern is sinds 1980 sterk uitgebreid. Aan de zuidkant ontstond een nieuwe woonwijk, terwijl de bebouwing langs het Afwateringskanaal en de Meedhuizerweg veel dichter is geworden.
Meren Meedhuizen ligt in een van de laagstgelegen delen van Groningen. Vroeger lag Meedhuizen in een moerassig gebied te midden van drie meren: het Midhuister- of Meedhuizermeer, het Kleine- of Farmsumermeer en het Proostmeer. In de eerste helft van de negentiende eeuw gold de omgeving van deze meren als een ideaal gebied voor vissen en vogelvangst vanuit schuilhutten (hutjen).Hendrikus Kremer, Beknopte aardrijks- en geschiedkundige beschrijving der Provincie Groningen, bew. door Nicolaas Westendorp, Groningen 1839, p. 274. De drie meren ontstonden in de middeleeuwen door bodemdaling en erosie en zijn rond 1900 met behulp van poldermolens en een stoomgemaal drooggemalen. Het grootste was het Meedhuizermeer (108 ha), waar het Afwateringskanaal van Duurswold vroeger doorheen liep. Het meer werd in de jaren 1870-77 omgevormd tot de polder Nieuw Oosterbroek. Het Proostmeer (60,5 ha) werd in 1873 drooggelegd en het Kleinemeer (11 ha) in 1908. In de omgeving lagen vroeger nog meer meren, zoals het Woldmeer (12 ha), het Opwierdermeer (12 ha) en de kleinere Kraaierspoel. Het kleine Heslandermeer bij Schaapbulten wordt vermeld in 1560. Geschiedenis Middeleeuwen Meedhuizen is ontstaan op een lage dekzandrug in het overgangsgebied tussen het kwelderlandschap langs de Eems en een onontgonnen hoogveengebied. De eerste bewoning dateert waarschijnlijk uit de negende of tiende eeuw. Vondsten uit deze periode zijn echter alleen uit de directe omgeving bekend. Meedhuizen hoort daarmee met De Paauwen, Tjuchem en Wagenborgen tot de eerste generatie randveennederzettingen, die zich kenmerken door een kleinschalige verkavelingsstructuur.
De dorpsgrenzen laten zien dat het gebied is ontgonnen vanuit het moederdorp Farmsum (met de dorpswierden Tuikwerd en Amsweer). Vermoedelijk had de Abdij van Werden hier - net als elders in de randveengebieden - de nodige bezittingen.G.F. Noordhuis, De Johannieters in Stad en Lande. Geschiedenis van de Johannieters in de provincie Groningen (13e - 17e eeuw), Warffum 1990. Wilderhof wordt vermoedelijk al rond het jaar 1000 genoemd. Later kwamen deze landerijen in handen van de Johannieters. De naam Grashuis suggereert dat zij hier een voorwerk (boerderij) hadden.Dat was ook de mening van de anonieme auteur (vermoedelijk Jacob Tilbusscher), die in 1947 schreef: "'Wilderhof' en het 'Grashuis' behoorden aan Oosterwierum. Onder Meedhuizen bezat het klooster in het geheel 181 deimt." Ten zuiden van het dorp (bij Opmeeden) had de commanderij te Heveskesklooster drie boerderijen die later vermoedelijk de Hoflanden werden genoemd. Dit sloot weer aan bij de kloosterboerderijen te Wilderhof, die eveneens Johannieter bezit waren. Meedhuizen heeft zich echter niet verder kunnen uitbreiden. In het achterland kwamen met de Oosterweeren en het kerspel Oostwold nieuwe veenontginningen tot stand die een eigen leven gingen leiden.
De bewoners van Meedhuizen moeten al vrij stel met wateroverlast te kampen hebben gehad. Ze concentreerden hun akkerland in (mogelijk omwalde) escomplexen met smalle percelen dicht bij het dorp. De typerende verkaveling bij de Essenweg is pas recentelijk verdwenen. Het land werd slechts ten dele in grazen, grotendeels in deimten gemeten, net als in de andere veennederzettingen. De gedachte dat het dorp Meedhuizen op een wierde zou zijn gebouwd, is onwaarschijnlijk.Meedhuizen komt niet voor de kaarten van bekende wierden. Beweerd wordt wel dat een steilrand achter het gymlokaal (Hoofdstraat 19B) het restant zou zijn van een wierde, die aan het einde negentiende eeuw zou zijn afgegraven toen de wateroverlast sterk was verminderd en de handel in vruchtbare wierdegrond opkwam.
De patroonheilige van de kerk van Meedhuizen, Laurentius, vormt eveneens een aanwijzing dat we hier met een van de oudere nederzettingen te maken hebben. Het dorp wordt echter pas 1306 voor het eerst genoemd als Meethusum (naar een later afschrift). Ook de vormen Methusum, Meethusen, Medthusen en Meethusum komen voor. De naam Meedhuizen is mogelijk een verbastering van Midhuizen, dat is 'de middelste huizen' of 'de huizen te midden van de meren'. Een andere verklaring veronderstelt dat meed hier in de betekenis van 'meden' wordt gebruikt. De betekenis zou dan 'huizen in het hooiland' (madelanden) zijn.G. van Berkel & K. Samplonius, Nederlandse plaatsnamen verklaard, 2018, trefwoord: Meedhuizen. Maar dit kan ook een latere interpretatie zijn. Het omliggende gebied is ten gevolge van wateroverlast vroegtijdig verlaten.
De huidige kerk, een eenvoudig zaalkerkje, dateert uit de dertiende eeuw. Daarbij verrees in de negentiende eeuw een toren. Mogelijk was er eerst sprake van een hoofdelingenfamilie. Nicolaas Westendorp schrijft in 1839 dat hem "bij herhaald onderzoek" was gebleken dat "op eenen opgehoogden grond een burg gestaan" zou hebben.
Het dorp kwam rond 1400 samen met andere dorpen onder het gezag van de hoofdelingenfamilie Ripperda van Farmsum, die hier alle macht naar zich toe trok. Voor Meedhuizen had men echter weinig aandacht. Toen de dorpsheren in 1435 vergaten het dorp bij vredesonderhandelingen te betrekken, werden de inwoners het slachtoffer van een vete met hun buren uit het Oldambt.
Meedhuizen behoorde aanvankelijk bij het Farmsumerzijlvest, samen met de buurdorpen Opwierde, Tuikwerd en Amsweer. Het overtollige water werd via dwarssloten als het Roestenburgermaar (in 1560 Ukemaer of Ucke genoemdGroninger Archieven, toegang 710: Farmsumer Zijlvest, inv nr. 11, fol. IIIv-IVr.) naar het Farmsumermaar geleid. Na de voltooiing van de sluizen bij Delfzijl (rond 1300) werd de afwatering naar het Damsterdiep verlegd en traden de genoemde dorpen toe tot het Dorpsterzijlvest. Voor de afwatering maakte men gebruik van de Oude Leesk, die uitmondde bij het sluisje Flikkebuil bij Amsweer. Deze oplossing voldeed kennelijk niet, vermoedelijk omdat de afwatering van het Oostwoldzijlvest het peil in het Meedhuizermeer opdreef. Meedhuizen werd daarop rond 1500 opnieuw toegelaten tot het Farmsummerzijlvest.Wim Ligtendag, De Wolden en het water, 1995, p. 132. Een duiker langs het Meedhuizermeer moet voorkomen dat er te veel water vanuit het zuiden toestroomde. Omstreeks 1562 werd de duiker vervangen door een houten til waar de vissersboten onderdoor konden varen. Maar het risico van wateroverlast werd te groot geacht; de opening werd tot verdriet van de Oostwoldjers in 1564 gesloten en de duiker hersteld.Groninger Archieven, toegang 710: Farmsumer Zijlvest, inv nr. 11, fol. 30r nr. .
Nieuwe tijd In januari 1584 werd het dorp platgebrand door Staatse troepen, maar daarna weer herbouwd. Bij de Sint-Maartensvloed van 1686 stonden er 26 huizen in dorp, waarvan slechts vijf na de vloed waren overggebleven. De Meedhuizer dominee Henricus Schinckel schreef hierover in het boek Het schrickelijcke oordeel Gods het volgende berijmde bericht:
Mitthuysen 't welck beston' uyt ses-en twintigh HuysenDaer sijn geen ses geheel gebleven van dit bruysenDe and're altemael zynd wand'of vensterloosGeworden door den wint en desen vloed seer boosEen Huysgesin geheel alhijr verdroncken is,Zijnd' overrompelt van dees Vloet in duysternisNoch sagh een Man sijn Vrouw, weg slingéren door de barenEn d'Ouders, Kind'ren twee op plancken heenen varenDe dooden sijn dan ses in ons Mitthuyser loegh (loeg = dorp).
Het dorp behoorde tot 1798 tot de rechtstoel van Farmsum, waar achtereenvolgens de families Ripperda en Rengers de dienst uitmaakten. Zij benoemden ook de dorpspredikant. Geld voor een schoolmeester was er niet altijd, zodat de dominee ook de kinderen les moest geven. Het Malle kostersboekje van ca. 1695 schrijft over het dorp:
Hier gaat 't zeltzaam toe, de Koster moet hier Preken,Want hy is Predikant, en Koster vol gebreken.Daar is geen twyfel an, door dien hy 't Ampt bekleed,Gelyk wy Kosters al, het Preken raakt ons niet.K. ter Laan (ed.), Olipodrigo, dat is: 't malle-kostersboekje, 1933, p. 90.
Na 1800