thumb|upright=1.2|Hollandse walvisvaarders voor een bergachtige kust. Abraham Storck (c. 1690), Rijksmuseum

Geschiedenis van de Nederlandse zeevisserij beschrijft de ontwikkeling van de zeevisserij en de toepassing ervan de eeuwen door. In toenmalige gewesten als Holland, Zeeland en landsdelen als Groningen en de Waddeneilanden vonden zekere vormen van zeevisserij plaats. Die gewesten, landsdelen en eilanden bleven na 1813, toen Nederland zich als natie had gevestigd, daarvan als provincies deel uitmaken. De verschillende soorten zeevisserij die binnen deze voormalige gewesten en landsdelen werden bedreven en die met name werden uitgeoefend in de Noordzee, in de voormalige Zuiderzee − het latere IJsselmeer − en in de Waddenzee, bleven in Nederland overeind.

Veruit het meeste hierover is pas bekend vanaf de hoge middeleeuwen. Vanaf de zestiende eeuw, toen de zeevisserij − met name die op haring − een duidelijke structuur had gekregen, werd de haringvisserij omschreven als Groote Visscherij. Daarentegen werd destijds voor de jacht op walvissen de betiteling Kleine Visscherij gehanteerd, hoewel het daarbij juist ging om prooien die zeer omvangrijk waren. Iets dergelijks werd aangetroffen bij een zeventiende-eeuws, zwaarwichtig Collegie van de Groote Visscherij,Wisselend ook wel aangeduid als een Collegie der Gedeputeerden (1885): Overzicht der geschiedenis van de Nederlandsche zeevisscherijen, E.J. Brill, p. 53 een instelling die het gehele scala van de vleetvisserij op haring beheerde en reguleerde en die een kustvisserij op andere vissoorten typeerde als Kleine Visscherij.

Hollandse kust- of Zijdse visserij thumb|Kustdorp van de Zijde. Scheveningen. Oude Kerk, eerder een baken voor de kustvissers thumb|Kustdorp van de Zijde. Katwijk aan Zee. Andreaskerk aan de boulevard thumb|Kustdorp van de Zijde. Noordwijk aan Zee. Nachtfoto van de vuurtoren

Vanaf het land naar de zee De Zijde of ZijdkantDe dorpen aan de Noordzeekust telde een reeks van dorpen aan de Noordzeekust, waaronder Noordwijk. Een uit die kustplaats afkomstig geschiedkundig boekje geeft aan dat in 1344 al Noordwijkse scheepjes bij het Engelse Yarmouth zouden zijn aangeland. e.a. (1983): Op zoek naar het verleden. De geschiedenis van Noordwijk deel II Of het hierbij om vissersscheepjes gaat blijft onvermeld evenals een achterliggende bron.

De uitoefening van de vroege Hollandse kustvisserij van de Zijde is beeldend verduidelijkt door de zestiende-eeuwse Scheveningse viskoper en visafslager Adriaen Coenen. Hij neemt bij de behandeling daarvan een prominente plaats in en die is terug te vinden in zijn Visboeck.Opgemaakt tussen 1577 en 1581 Daarbij stonden volgens Coenens beschrijving enkele mannen aan de rand van zee en strand, samen een lijn vasthoudend die met een net was verbonden. Dit net, dat door Coenen als een 'zeegen' werd bestempeld, werd door een vaartuigje met daarin enkele vissers niet al te ver van het strand in zee uitgezet. Een tweede lijn was in hun bezit; zij roeiden, die tweede lijn vierend, terug naar het strand naar een plek die lag op enige afstand van de andere visserslieden. Vervolgens werd − op dezelfde wijze als bij de eerdergenoemde twee strandvissers − het vanaf het scheepje in zee uitgezette net ingepalmd. Toen eenmaal bij de kustvisserij op de Noordzee een vaartuigje in het gebruik kwam, was weldra het tijdstip dáár dat vissersscheepjes − die op oude prenten en schilderijen worden afgebeeld met aan boord twee à drie vissers − concreet zee kozen.

Coenen laat verder zien dat Zijdse kustbewoners toen een vorm van zeevisserij bedreven vanaf het strand. Een afbeelding in zijn Visboeck geeft dit weer. (1577-1581), fol. 31ro (2005): Het visboek. De wereld volgens Adriaen Coenen 1514-1587, Walburg Pers In het voornoemde geval van die vroege strandvisserij zijn twee lieden bezig, een vanaf het strand in zee neergelaten visnet − dat met twee lijnen is verbonden aan de beide uiteinden ervan − handmatig in te palmen en dat op het droge leeg te schudden. Coenen noemt deze activiteit Cingelen. Het eerdere bestaan van deze vorm van visserij wordt verduidelijkt in een voorschrift omtrent die toenmalige kustvisserij.Haags Gemeentearchief (HGA) Haagse Keur van 1614 Art. 9 Een citaat hieruit luidt: Des singelaars Vis sal 's morgens worden afgeslagen. Naast een eerste door Coenen ter sprake gebrachte visserij vanaf het zeestrand lijkt een tweede door hem aangedragen bezigheid een tussenvorm te zijn. (1577-1581), fol. 32vo

Het achterland Dat de kustdorpen werden geprikkeld om zeevisserij te bedrijven, heeft ongetwijfeld te maken met de aanwezigheid van een achterland waar zich een behoefte aan zeevis deed gelden. Grenzend aan − of nog gelegen in − de Zijde is een achterland met daarbinnen zich ontwikkelende steden, parochies, kloosters, gemeenschappen zoals seminaria en heel centraal een in 1230 in Die Haghe door Floris IV gesticht grafelijk Hof.; (1984): Het Binnenhof. Van grafelijke residentie tot regeringscentrum, Bataafsche Leeuw Samen vormden die gemeenschappen en instellingen een steeds omvangrijker wordend gebied, iets dat de vraag naar zeevis lonend maakte. Zo kende het zich aldaar gevestigd Hof velerlei bezoekers, alle bestaand uit van elders komende hoog- en grootheden. (1987): Het woord van eer, Meulenhoff Een variëteit aan zeevis vormde een belangrijk onderdeel van de maaltijden die deze bezoekers kregen voorgezet. Te denken valt aan rondvis zoals schelvis, wijting, kabeljauw, makreel en platvis als schol, schar, rog en de wat exclusievere heilbot en tong. Bovendien vormde het toenmalige katholicisme, dat als geloof in heel West-Europa werd beleden, een stevige basis voor de aangevoerde zeevis. Het kaken van haring door de Zijdenaren werd in de zestiende eeuw van bovenaf aangemerkt als zijnde strafbaar.

Vissersvaartuigen van de kustvisserij left|thumb|Bomschuiten, geschilderd door H.W. Mesdag Een eerste typering van een scheepje dat vanaf de Noordzeekust in zee stak en dat pinck was genaamd, is door Coenen in zijn naslagwerk vastgelegd. (1577-1581), fol. 19vo Hij geeft aldaar aan dat de Zijdenaren visten vanaf schepen die hij 'pincken' noemt en waarvan hij tevens het volume vermeldt, namelijk zes tot negen last.Een last kwam destijds overeen met omstreeks twaalf tonnen of vaten De 'pink' komt voor op een gravure uit de zeventiende eeuw. (1973): De bomschuit. Een verdwenen scheepstype, De Boer, p. 16-17 Voor een bij de pink aanwezige − zij het nog summier − gevlakte onderzijde is gekozen om deze vaartuigen op daarvoor vervaardigde rollen te transporteren van het plaatselijke scheepswerfje dat de pinken bouwde naar het strand waar dergelijke scheepjes verder werden afgebouwd. Was de lengte-breedteverhouding van de pink 3:1, bij de later verschenen bomschuit gold een verhouding lengte:breedte van 2:1. Wanneer men is overgegaan van de pink naar de bomschuit, is nergens duidelijk vastgelegd. Aan de hand van nota's van nieuw geleverde vaartuigen en daarop gehanteerde benamingen wordt het wat duidelijker.HGA, Beh. nr. 165, inv. nr. 13 Zo kostte in 1806 een 'visschuit' met een bunEen onderdekse ruimte waarin de vis levend kan worden gewaard ƒ 1.425.–. In 1807 ging het opnieuw om een 'visschuit'; die nieuw ƒ 1.435.– kostte. In 1809 werd een vaartuig, nu aangeduid als 'nieuwe schuit', geleverd voor ƒ 1.600.–. Een nota uit 1816 noemt een gebouwd vissersvaartuig een 'boodem schuit'; deze werd geleverd voor ƒ 1.950.–.

Een advertentie in een plaatselijke krant uit 1898 spreekt van een 'bomschuit' die ƒ 2.625.– zou moeten opbrengen.De Scheveningsche Courant. Diverse jaargangen > 1900 Er vond een ommekeer plaats inzake het aanduiden en omschrijven van de besproken kustvaartuigen. Dit zal zich − naar het zich laat aanzien en op grond van geregistreerde aanduidingen − hebben voltrokken in de loop van de negentiende eeuw. De laatst bekende lengte van een bomschuit is omstreeks 14 meter geweest, terwijl de breedte ervan omstreeks 7 meter moet hebben geteld. (1973): De bomschuit. Een verdwenen scheepstype, De Boer, p. 27. Petrejus deed in zijn boek de opmerkelijke uitspraak: "De bouw van de bomschuit geschiedde zonder uitzondering op het oog." De auteur had deze informatie eerder opgedaan bij de Scheveninger Job van der Ende Jzn. Diens vader was eind negentiende eeuw een schuitenbouwer op Scheveningen. Zoon Job heeft later de eerder aangehoorde verbale verslaggevingen en toelichtingen van zijn vader vastgelegd. Dit betreft enkele ongedateerde handgeschreven manuscripten, die in privébezit zijn van auteur Piet Spaans De groei en de omvang van de bomschuit zal met name zijn gestimuleerd door de komst van de Visserijwet van 1857. Daarin werd de vrijheid voor het kaken van haring voor de Zijdenaren en andere voormalige uitgeslotenen officieel akkoord bevonden. Sindsdien kon − evenals de vissersschepen van de haringsteden − de Zijdse vloot met haar inmiddels groter geworden bomschuiten in juni mede uitvaren naar de Shetlandeilanden. Daar werd de haring niet alleen gevangen, maar ook gekaakt. De bomschuiten die onder de kust op verse vis bleven vissen, slonken in aantal. In het laatste kwart van de negentiende eeuw ging een dergelijke kustvisserij stilaan verlopen. Wat in de kustdorpen achterbleef en zich richtte op de kustvisserij, stootte, los van al het andere, op een nieuw ongerief binnen de Noordzeevisserij.

De zeevisserij met het sleepnet, eertijds expliciet bedreven door kustvissers met hun bomschuiten, werd stilaan overgenomen door trawlers. Dit waren schepen die, komend vanuit hun af- en aanmeerhaven te IJmuiden, met grote sleepnetten of trawls de Noordzee doorploegen. De eerdere aanvoer van vis en de verkoop ervan op het strand voor de betrokken kustdorpen verviel steeds meer. Scheveningen en Katwijk bleven weliswaar nog overeind, maar ook voor deze plaatsen bleek een vrije val van de kustvisserij onvermijdelijk. Deden daarvoor geschikte bomschuiten nog mee met de jaarlijks haringvisserij bij Shetland, de verschijning van de logger als vissersvaartuig maakte de bomschuit overbodig. In het tweede decennium van de twintigste eeuw kwam het totale einde voor het fenomeen bomschuit. De kleinste kustdorpen hadden in het tweede deel van de negentiende eeuw hun kustvisserij al goeddeels laten verlopen; uiteindelijk sloten Scheveningen en Katwijk de rij. Telde Scheveningen in 1900 nog 212 bomschuiten, Katwijk telde er toen 68 en Noordwijk 15 terwijl een officiële bronNaamlijst der Nederlandsche reederijen en haringschepen 1900 geen schuiten van de kleine kustdorpen meer vermeldde.

In 1912 telde Scheveningen nog 70 bomschuiten, Katwijk aan Zee 50 en Noordwijk aan Zee 3.Naamlijst der Nederlandsche reederijen en haringschepen 1913 Na de Eerste Wereldoorlog waren er geen bomschuiten meer operationeel.

Schuiten en pinken naar Shetland? Er is wel gesteld dat de Hollandse Zijdenaren met hun scheepjes − evenals de haringvissers met hun buizen − al eeuwenlang in zee zouden steken om naar Shetland af te varen voor de haringvangst te zoute, maar dit is onjuist: in werkelijkheid was dit pas het geval na 1857. Een tweetal schriftelijke vastleggingen erover door twee auteurs kan niet waar zijn. Een stellingname, door de auteur E.W. Petrejus aldus geboekstaafd, kan niet berusten op reële bronnen. Hetzelfde geldt voor de auteur Vermaas. (1926): Geschiedenis van Scheveningen deel II, Vereeniging die Haghe, p. 8 Deze vertaalde een tekst, afkomstig uit het historische werk van Adriaen Coenen zodanig dat − door het weglaten van enkele woorden − de schijn werd gewekt dat de scheepjes van de Zijde de eeuwen door in juni tussen de buizen bij Shetland op haring visten. De onmogelijkheid ervan is gebaseerd op het gegeven dat de grootte van een bomschuit, of in vroeger tijden een pink, dit niet toeliet. De buizen ter haringvisserij met de vleet moesten kunnen beschikken over omstreeks veertien vissers, die moesten worden ondergebracht in een voor hen beschikbare leefruimte.