miniatuur|Een Messerschmitt Bf.108, het type vliegtuig waarmee Erich Hoenmanns vloog Het Maasmechelen-incident van 10 januari 1940, ook wel de Mechelen-affaire genoemd, vond plaats in België tijdens de Schemeroorlog in de eerste fasen van de Tweede Wereldoorlog. Een Duits vliegtuig met aan boord een officier die plannen bij zich had voor Fall Gelb, de Duitse aanval op de Lage Landen, maakte een noodlanding in het neutrale België nabij het Maasdorp Vucht, tegenwoordig in de gemeente Maasmechelen, provincie Limburg. Dit veroorzaakte een onmiddellijke crisis in de Lage Landen en bij de Franse en Britse autoriteiten. De Belgen hadden hen op de hoogte gebracht van hun ontdekking; de crisissfeer nam echter relatief snel af toen de in de plannen genoemde data zonder incidenten verstreken. Er wordt wel beweerd dat dit incident heeft geleid tot een grote verandering in het Duitse aanvalsplan, maar deze hypothese is omstreden. Later werd duidelijk dat Hitler zelf herhaaldelijk de uitvoer van deze plannen heeft uitgesteld, als eerste Aufmarschanweisung, Fall Gelb had hij reeds een datum in het najaar van 1939 gepland.

Het Monument Messerschmitt Bf 108 herinnert aan deze gebeurtenis.

Noodlanding miniatuur|De locatie van de landing Het incident werd veroorzaakt door een fout van de Duitse vliegenier Erich Hoenmanns, de 52-jarige commandant van het vliegveld Loddenheide bij Münster. In de ochtend van 10 januari vloog hij een Messerschmitt Bf 108 Taifun, een vliegtuig dat onder andere gebruikt werd voor militaire verkenningen, van Loddenheide naar Keulen. Door lage mistbanken die zijn zicht bemoeilijkten, raakte hij gedesoriënteerd. Hij veranderde zijn koersrichting naar het westen, in de hoop zijn weg terug te vinden door de Rijn te bereiken. Maar op dat moment was hij de Rijn, die bevroren en onherkenbaar was, al overgevlogen. Hij verliet Duits grondgebied en vloog helemaal naar de Maas, die hier de grens vormt tussen België en Nederland, en begon cirkels te vliegen boven Vucht.

Op het moment dat hij daalde tot 200 tot 300 meter lijkt Hoenmanns per ongeluk de brandstoftoevoer afgesneden te hebben door een hendel in de cockpit te bewegen. De motor sputterde, stopte en Hoenmanns moest rond 11.30 uur in een nabijgelegen veld buiten het dorp Vucht landen. Het vliegtuig werd onherstelbaar beschadigd, maar Hoenmanns was ongedeerd.

Was Hoenmanns alleen geweest in het vliegtuig, dan zou er niets noemenswaardigs gebeurd zijn. Hij zou geïnterneerd zijn voor het landen zonder toestemming in een neutraal land. Hij had echter een passagier aan boord: majoor Helmuth Reinberger. Hij was de verantwoordelijke voor de bevoorrading van de 7. Flieger-Division, de divisie paratroepen die achter de Belgische linies in Namen moest landen op de dag van de Duitse aanval. Reinberger was op weg naar Keulen om een stafvergadering bij te wonen van de 22e luchtvervoerde Infanteriedivisie. De avond voor de noodlanding stelde Hoenmanns Reinberger voor om hem naar die vergadering te vliegen. Normalerwijs moest Reinberger volgens de geldende instructies deze reis maken met de trein, maar Hoenmanns moest extra vlieguren presteren en wilde ook de was naar zijn vrouw in Keulen brengen. Hoenmanns wist niet dat Reinberger documenten bij zich had die te maken hadden met het Duitse plan om Nederland en België binnen te vallen, plan dat op de dag van de noodlanding door Hitler gepland stond op 17 januari.

miniatuur|Vandaag de dag herdenkt een monument de gebeurtenis Na de noodlanding vroegen de inzittenden aan een boerenknecht, Engelbert Lambrichts, waar ze waren. Ze kregen te horen dat ze, zonder het zelf te weten, Nederlands luchtruim hadden doorkruist en net in België waren neergekomen. Reinberger panikeerde en liep terug naar het vliegtuig om zijn tas, waar de geheime documenten in zaten. Al schreeuwend zei Reinberger aan Hoenmanns dat hij geheime documenten bij zich had en deze onmiddellijk moest zien te vernietigen. Om hem dit te laten doen stapte Hoenmanns weg van het vliegtuig. Reinberger probeerde eerst de documenten in brand te steken met zijn aansteker, maar deze blokkeerde; hij rende vervolgens naar de boerenknecht die hem een lucifer gaf. Hiermee verstopte Reinberger zich achter een struik en stapelde de papieren op elkaar om ze te verbranden. Al snel arriveerden enkele militaire cyclisten van de Belgische 13de Infanteriedivisie (Bataljon Grenswielrijders Limburg). Wanneer ze rook van de struiken zagen komen, snelden ze ernaartoe en konden de documenten redden voor ze helemaal vernietigd werden. Reinberger vluchtte eerst, maar liet zichzelf gevangen nemen nadat twee waarschuwingsschoten werden afgevuurd.

De twee Duitsers werden naar de Belgische grenswachtpost vlak bij Mechelen-aan-de-Maas gebracht. Daar werden ze ondervraagd door kapitein Alfons Rodrique, die de verbrande documenten op een tafel legde. Als nieuwe afleiding vroeg Hoenmanns aan de Belgische soldaten of hij het toilet mocht gebruiken; Reinberger probeerde vervolgens de papieren in een brandende kachel te stoppen. Het lukte hem, maar hij schreeuwde het uit van de pijn toen hij het hete deksel van de kachel optilde. Geschrokken draaide Rodrique zich om, graaide de documenten uit het vuur en verbrandde hierbij zijn hand. De documenten werden vervolgens in een kamer apart weggelegd. De mislukte pogingen om de documenten te verbranden deden Reinberger beseffen dat hij zeker doodgeschoten zou worden aangezien hij de aanvalsplannen in de handen van de vijand liet vallen. Hij besliste om zelfmoord te plegen en probeerde Rodrique's revolver af te nemen. De woedende kapitein sloeg hem neer, waarop Reinberger in tranen uitbarstte, roepend: "Ik wilde uw revolver om mezelf af te maken". Hoenmanns steunde Reinberger door te zeggen: "Je kunt het hem niet kwalijk nemen. Hij is een "echte" officier. Het is gedaan met hem."

Twee uur later arriveerden agenten van het Tweede Bureau van de Generale Staf, de Belgische militaire inlichtingendienst, die de papieren in de late namiddag onder de aandacht van hun oversten brachten. Om 21 uur werd generaal Raoul Van Overstraeten telefonisch ingelicht en de volgende dag om 9 uur kreeg hij een volledig verslag.

Eerste Duitse reactie Laat in de avond van 10 januari bereikte het nieuws van het incident Berlijn via persberichten over een neergestort Duits vliegtuig. In het Oberkommando der Wehrmacht, het opperbevel van de Duitse strijdkrachten, veroorzaakte dit een algemene ontsteltenis, aangezien er snel uit werd afgeleid dat Reinberger onthullende delen van het aanvalsplan bij zich moest gehad hebben. Een woedende Hitler ontsloeg zowel de commandant van Luftflotte 2, generaal Hellmuth Felmy en zijn stafchef kolonel Josef Kammhuber. Er werd niettemin beslist om door te gaan met de aanval zoals aanvankelijk gepland was, terwijl de attaché van de Luftwaffe in Den Haag, luitenant-generaal Ralph Wenninger, en de militaire attaché in Brussel, kolonel Friedrich-Carl Rabe von Pappenheim, zouden onderzoeken of het plan helemaal ontdekt was of niet. Op 12 januari, de dag van de eerste ontmoeting van de attachés met Reinberger en Hoenmanns, gaf generaal Alfred Jodl Hitler een verontrustende beoordeling over wat de Belgen mogelijk hadden geleerd van de plannen. Een notitie in het dagboek van Jodl op 12 januari vatte samen wat hij tegen Hitler zei: "Als de vijand in bezit is van alle documenten, situatie catastrofaal!" De Duitsers werden echter al snel valselijk gerustgesteld door de Belgische misleidingsmaatregelen.

Misleiding De Belgen besloten Reinberger te laten geloven dat de papieren waren vernietigd en hem de kans te geven deze informatie door te geven aan de Duitse autoriteiten. De list bestond uit twee delen. Eerst vroegen de Belgische ondervragers Reinberger wat er in de plannen stond en vertelden hem dat hij als een spion zou worden behandeld als hij het niet vertelde. Later getuigde Reinberger: "Van de manier waarop deze vraag werd gesteld, realiseerde ik me dat hij [de ondervrager] niets had kunnen begrijpen van de fragmenten van de documenten die hij had gezien." Het tweede deel van het plan was om Reinberger en Hoenmanns de Duitse lucht- en legerattachés, Wenninger en Rabe von Pappenheim te laten ontmoeten, terwijl hun gesprekken in het geheim werden opgenomen. Tijdens deze bijeenkomst deelde Reinberger Wenninger mee dat hij erin was geslaagd de papieren voldoende te verbranden om ze onleesbaar te maken. Deze misleiding was redelijk succesvol, althans op korte termijn. Na de ontmoeting op het politiebureau telegrafeerde Vicco von Bülow-Schwante, de Duitse ambassadeur in België, zijn superieuren: "Majoor Reinberger heeft bevestigd dat hij de documenten heeft verbrand, behalve enkele stukken die zo groot zijn als zijn handpalm. Reinberger bevestigt dat de meeste documenten die niet vernietigd konden worden, onbelangrijk lijken." Dit schijnt generaal Jodl te hebben overtuigd. In zijn dagboek van 13 januari stond het volgende: "Verslag van het gesprek van Luftwaffe Attaché met de twee vliegeniers die een noodlanding hebben gemaakt. Resultaat: aktentas zeker verbrand."

Belgische reactie Op 10 januari twijfelden de Belgen nog steeds aan de echtheid van de documenten, die snel vertaald werden door het Tweede Bureau in Brussel. Het ging om een tiental getypte documenten en kaarten. Deze documenten bevatten het algemeen operatieorder van Luftflotte 2, de opdracht van de 7. Flieger Division en een order van generaal Kurt Student, commandant van de parachutistendivisie, over hindernissen, vijandelijke troepen en vernielingen. De documenten waren aan de randen verbrand maar de algemene contouren van een aanval op België en Nederland waren duidelijk uit de resterende passages, hoewel de datum van de aanval niet werd vermeld. Omdat hun inhoud overeenkwam met eerdere waarschuwingen van de Italiaanse minister van Buitenlandse Zaken, graaf Galeazzo Ciano, over een Duitse aanval die rond 15 januari zou plaatsvinden, concludeerde generaal Van Overstraeten op 11 januari dat de informatie in wezen correct was. Die middag besloot koning Leopold III van België zijn eigen minister van Defensie, generaal Henri Denis, en de Franse opperbevelhebber, Maurice Gamelin, in te lichten. Om 17.15 uur kreeg de Franse verbindingsofficier, luitenant-kolonel Hautcoeur, een samenvatting van twee pagina's van de inhoud, zij het zonder enige uitleg over hoe de informatie was verkregen. Lord Gort, de commandant van de British Expeditionary Force, werd ook gewaarschuwd, en koning Leopold III belde persoonlijk prinses Juliana der Nederlanden en groothertogin Charlotte van Luxemburg en zei tegen de eerste: "Pas op, het weer is gevaarlijk", en de laatste "Pas op voor de griep", beide vooraf bepaalde codezinnen die aangeven dat de Belgen een Duitse aanval ophanden achtten.

Franse reactie