miniatuur|Affiche van de Nederlandse Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht Het feminisme in Nederland begon met de eerste feministische golf (1870-1920). De activiteiten waren hoofdzakelijk gericht op het verwerven van vrouwenkiesrecht en het verkrijgen van toelating tot (universitair) onderwijs.

De strijd van de tweede feministische golf in Nederland tussen 1965 en 1985 weerspiegelde de ontwikkelingen in de vrouwenemancipatie in andere westerse landen rond het thema recht op betaald werk, deelname aan het maatschappelijke leven, (medisch) zelfbeschikkingsrecht en juridische gelijkheid en breidde zich binnen een decennium uit tot een krachtige en brede beweging met vele thema's.

Midden jaren negentig van de twintigste eeuw volgde de derde feministische golf (1995-2010) waarbij zelf-ontplooiing, keuzemogelijkheden en discriminerende gebruiken uit nieuwe culturen op de voorgrond stonden. Nederlandse vrouwen hebben nog steeds een open discussie over hoe ze de resterende onevenwichtigheden en onrechtvaardigheden waarmee ze als vrouw worden geconfronteerd, kunnen verbeteren.

Geschiedenis Renaissance en Verlichting De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, die voor een deel overeenkomt met het huidige Nederland, is ontstaan door de Nederlandse Opstand, die begon in 1568 en eindigde met de Vrede van Westfalen (1648). Er waren grote verschillen tussen de rechtspositie van vrouwen en mannen. Vrouwen hadden een beperkt aantal rechten, waaronder het recht om contracten aan te gaan en het recht om hun eigen bruidsschat te beheren. Vrouwen als groep waren juridisch ondergeschikt aan mannen als groep, als ze ongehuwd waren en thuis woonden aan hun vader, bij huwelijk aan hun echtgenoot. Afhankelijk van het plaatselijk geldend erfrecht kon een getrouwde vrouw na overlijden van haar echtgenoot het bedrijf, dat vaak gezamenlijk bedreven werd, voortzetten, bijvoorbeeld Volcxken Diericx, een Antwerpse uitgever, en Aletta Hannemans, een Haarlemse brouwer. Anna Maria van Schurman werd in 1636 als eerste vrouw in Nederland aan de universiteit van Utrecht toegelaten. Tijdens de renaissance volgde een enkele vrouw college vanachter een gordijn zodat de mannelijke studenten haar niet konden zien. links|miniatuur|Portret van Anna Maria van Schurman door Jan Lievens|266x266px Meisjes hadden geen recht op onderwijs en gehuwde vrouwen hadden tot het weduwschap geen recht op eigendom en bezit of deelname aan parlement of regering. De Verlichting beslaat een periode van grofweg 1650 tot 1800. In deze periode ontstond een grote verandering in het denken van de mens in Europa. Het rationalistisch gelijkheidsdenken kreeg steeds meer voet aan de grond. Kritisch denken en zelfontplooiing van de mens werden aangemoedigd, voor vrouwen veranderde er echter weinig, op enkele eerste kritische geluiden over de positie van de vrouw na.

Industrialisatie 1835 - 1870 De industrialisatie bracht banen in fabrieken voor mannen en vrouwen. Vakbonden begonnen zich te organiseren tegen het midden van de 19e eeuw. In 1841 richtte Anna Barbara van Meerten-Schilperoort Hulpbetoon aan Eerlijke en Vlijtige Armoede op, de eerste vrouwenorganisatie in Nederland. Vrouwen uit de middenklasse begonnen betaald werk te vinden, eerst in de verpleging. Het eerste warenhuis in Nederland werd in 1860 geopend en vrouwen begonnen een baan te vinden als winkelbediende. Kleuterscholen, die in Duitsland waren ontstaan, verspreidden zich in Nederland en hadden als personeel jonge opgeleide vrouwen nodig. Om jonge vrouwen op te leiden om les te geven op de basisschool, werden in 1867 middelbare scholen voor meisjes opgericht.

Eerste feministische golf (1870 - 1920)

Vrouwenorganisaties zoals Arbeid adelt (1871) en Tesselschade (1872), later Tesselschade-Arbeid Adelt (TAA) zetten zich in voor de vrouwenemancipatie. Jonge vrouwen met een academische belofte konden een verzoek indienen voor het recht om te worden toegelaten tot een middelbare school voor alleen mannen. Universiteiten waren gesloten voor vrouwen tot 1871, toen Aletta Jacobs toelating kreeg aan de Rijksuniversiteit Groningen om medicijnen te studeren. Zij was de eerste Nederlandse vrouw die afstudeerde. Na haar studie werd Jacobs in 1879 de eerste vrouwelijke arts van Europa. Ze opende in 1882 de eerste vrouwenkliniek voor anticonceptie in Amsterdam.

miniatuur|Aletta Jacobs, arts Jacobs werd ook prominent in de beweging voor vrouwenkiesrecht in Nederland. Bij de Nederlandse gemeenteraadsverkiezingen in Amsterdam van 1883 diende Jacobs een verzoekschrift in tegen de weigering haar op de kiezerslijst te plaatsen, met als reden dat het begrip ingezetenen dient te worden uitgelegd als mannelijke ingezetenen. Ze procedeerde tot de Hoge Raad maar het weigeringsbesluit werd niet gecasseerd omdat "vaststaat dat artikel 1 onder Nederlander alleen verstaan kan den Nederlandschen man". Dit resulteerde in een wijziging van het kiesrecht in de grondwet in 1887 waarbij werd gespecificeerd dat "mannelijke" inwoners van Nederland mochten stemmen, wat een nieuwe barrière opwierp voor het vrouwenkiesrecht. Deze gebeurtenissen brachten de vrouwenkiesrechtbeweging in Nederland verder op gang.

In 1888 werd de Vrije Vrouwenvereeniging (VVV) opgericht. Dit werd gevolgd door de oprichting van een subgroep binnen de organisatie, de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht in 1894.

miniatuur|Loten van de Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid, 1898|links

Wilhelmina Drucker was niet zo bezorgd over de vrouwenemancipatie – wat ze als gemakkelijk bereikbaar zag – maar wel over de gelijke kansen die vrouwen op de werkplek zouden krijgen; een strijd die volgens haar veel meer weerstand van mannen zou ondervinden. Waar andere feministen in het land aandrongen op arbeidswetten die inspeelden op de specifieke behoeften van vrouwelijke arbeiders, was Drucker daartegen. Volgens Drucker: "De staat mag zich niet bemoeien met mannen of vrouwen, noch een fictieve competitie tussen mannen en vrouwen bedenken. Het zou alleen mensen moeten herkennen; leden van de samenleving."

Drucker stond stevig op het radicale randje van het feminisme in Nederland, ze gaf lezingen en publiceerde een populair feministisch tijdschrift, Evolutie. In 1899 leidde ze een campagne om wetgeving te stoppen die vrouwen onder de 40 zou verbieden om als leraar of ambtenaar te werken; na een tien jaar durende campagne bleek deze succesvol en werd de omstreden wet niet doorgevoerd.

Kiesrecht Vrouwen wonnen het recht om zich kandidaat te stellen in 1917 en in 1918 werd Suze Groeneweg voor de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP) als eerste vrouw in de Tweede Kamer gekozen. In 1919 kregen vrouwen het volledige kiesrecht. Dit was relatief vroeg in vergelijking met de meeste andere Europese landen; alleen Finland en Zweden hadden vrouwen eerder een stem gegeven. In 1920 kwam Carry Pothuis als eerste vrouw in de Eerste Kamer. Daar verzette ze zich tegen het ontslag van gehuwde onderwijzeressen. Ze pleitte voor het landbouwhuishoudonderwijs en voor de openstelling van het ambt van kinderrechter voor vrouwen.

miniatuur|Wilhelmina Drucker poserend voor het portret ter ere van haar 70e verjaardag in 1917 Vrouwen hadden het kiesrecht deels verworven door een politiek compromis tussen socialistische, liberale en confessionalistische partijen. De confessionalisten steunden staatsfinanciering voor particuliere scholen, die doorgaans tot een religieuze denominatie behoorden. Dit compromissysteem werd in de Nederlandse politiek verzuiling genoemd. In de jaren na de vrouwenemancipatie gingen de confessionalisten het morele discours in Nederland domineren en kwam er wetgeving ter ondersteuning van confessionele morele opvattingen (prostitutie verboden 1912; abortus verboden 1911; reclame voor anticonceptie strafbaar).

Een gezonde economie en een stijgende levensstandaard kenmerkten het leven in Nederland in de jaren twintig. Vrouwen kregen echter te maken met verzet tegen vrouwenrechten, dat ook op de werkvloer doorwerkte. Vrouwenrechtengroepen vermenigvuldigden zich. De internationale feministische organisaties kregen grotere ledenaantallen doordat vrouwen wereldwijd bleven strijden voor emancipatie. Nederlandse vrouwen waren actief in internationale organisaties als:

Volkenbond; Internationale Arbeidsorganisatie; Internationale Vrouwenraad; IWSA/IAW, de International Women's Suffrage Alliance, na 1926 de International Alliance of Women genoemd. Het Internationaal Archief voor de Vrouwenbeweging (IAV), opgericht op 3 december 1935 is een archief en bibliotheek om het erfgoed van vrouwen in te verzamelen en te bewaren. Reeds enkele weken na de Duitse invasie in 1940 werd het archief gesloten, waarna de inhoud ervan naar Berlijn werd overgebracht. Het was lange tijd onduidelijk wat er met het IAV gebeurd was, tot het in 1992 in een geheim archief in Moskou ontdekt werd. In 2003 kon het worden overgebracht naar Amsterdam waar het door Atria, kennisinstituut voor emancipatie en vrouwengeschiedenis wordt beheerd.

Een periode van conservatisme volgde gedurende enkele jaren, maar in de jaren vijftig werden twee opmerkelijke juridische mijlpalen bereikt: In 1955 diende politicus en feministe Corry Tendeloo een succesvolle motie in ter afschaffing van het arbeidsverbod voor gehuwde vrouwen en op haar initiatief werden vrouwen in 1956 wettelijk handelingsbekwaam. Het arbeidsverbod voor gehuwde vrouwen werd in 1957 afgeschaft. De mannelijke echtgenoot bleef tot 1970 nog wel hoofd van de echtvereniging, waarbij de vrouw hem gehoorzaamheid was verschuldigd.

Tweede feministische golf (1965 - 1985)

In Europa beschouwt men de essay Le deuxième sexe van de Franse filosofe Simone de Beauvoir uit 1948 als aanzet voor de tweede feministische golf. Het hierop geïnspireerde artikel van Joke Smit uit 1967, Het onbehagen bij de vrouw, gepubliceerd in De Gids, wordt algemeen gezien als het begin van de tweede feministische golf in Nederland. miniatuur| De prominente Nederlandse feministe Joke Smit houdt een toespraak in 1972|links Het jaar daarop sloeg een groep feministische mannen en vrouwen de handen ineen om de actiegroep Man Vrouw Maatschappij (MVM) op te richten. De tweeledige geslachtssamenstelling was zeldzaam onder westerse feministische organisaties van de tweede golf, verder vergelijkbaar in die zin dat de leden voornamelijk uit de midden- of hogere klasse kwamen en goed opgeleid waren. Ontevreden over de lobby-inspanningen van de MVM, werd een radicalere groep geïnspireerd. De volledig vrouwelijke Dolle Mina-beweging werd opgericht in 1969 vernoemd naar de baanbrekende Nederlandse feministe Wilhelmina Drucker. Dolle Mina had in de jaren zeventig succes als bewustzijnsverhogende kracht, voornamelijk door het gebruik van fantasierijke protesten, zoals een openlucht "Discriminatiebeurs" om de aandacht te vestigen op de kwestie van gelijk loon voor gelijk werk. miniatuur|Dolle Mina's vieren eenjarig bestaan, Amsterdam januari 1971 Op 15 december 1969 riepen de vrouwelijke medewerkers van de sigarenfabriek Champ Clark in Nieuwe Pekela een wilde staking uit om gelijk loon te eisen. Zij gingen als eerste vrouwen in de geschiedenis van Nederland in staking.

De publicatie van Anja Meulenbelt's roman De Schaamte Voorbij in 1976 was een ander belangrijk stuk feministisch schrijven uit de tweede golf in Nederland. De roman was confessioneel van toon en maakte het verband tussen de lichaams- en taalpolitiek duidelijk. Aan het eind van de jaren zeventig werd de strijd voor toegang tot abortus, crisiscentra voor verkrachting en vrouwenopvang een dominant aandachtspunt van de feministische beweging. In 1980 ondersteunde de overheid 30 verkrachtings-crisiscentra in Nederland.