Het koninkrijk Friesland, soms verward met Magna Frisia of Groot-Friesland, was een politieke constellatie die vermoedelijk vanaf het einde van de 6e of het midden van de 7e eeuw bestond. Het grondgebied besloeg rond 700 voornamelijk de Hollandse kuststreek (Frisia ulterior) en enkele aangrenzende regio's, met name het rivierengebied rond Utrecht en Dorestad (Frisia citerior).Gilles de Langen and Hans Mol, 'Landscape, Trade and Power in Early-Medieval Frisia', in: John Hines en Nelleke IJssennagger-van der Pluijm (red.), Frisians of the Early Middle Ages, Woodbridge 2021, p. 79-136. Tot de politieke invloedssfeer behoorde waarschijnlijk Westerlauwers Friesland. Ook Zeeland werd aanvankelijk tot de Friese gewesten gerekend, maar of de Friese koningen hier hun macht hebben uitgeoefend, is onzeker.

De Friese zelfstandigheid eindigde in Holland en Friesland met de slag aan de Boorne in 734, toen de Friese legeraanvoerder Poppo of Bubo door de Franken werd verslagen. Groningen en Oost-Friesland werden pas een halve eeuw later bij het Frankische rijk gevoegd. De Friese kolonisten op Helgoland en langs de kust van Jutland bleven onder het gezag van Deense koningen staan.

Het ideaalbeeld van een verdwenen koninkrijk Friesland tussen Sincfal en Wezer stak later opnieuw de kop op, eerst in ridderromans en chansons de geste, daarna in formele gebiedsaanspraken van de graven van Holland-Henegouwen, van de Bourgondiërs en de Habsburgers. Zij voegden de titel 'koning van Friesland' en het wapen van Friesland aan hun blazoen toe. In de , die teruggrijpt op een verloren gegaan troubadourlied uit de tijd rond 1100, wordt koning Radboud afgeschilderd als de beheerser van het hele kustgebied tussen Vlaanderen en Denemarken.Han Nijdam en Otto S. Knottnerus, 'Redbad, the Once and Future King of the Frisians', in: Simon Halink (red.), Northern Myths, Modern Identities: The Nationalisation of Northern Mythologies since 1800, Leiden / Boston 2019, p. 87-114. Als mythe kreeg het koninkrijk Friesland daarna een plek in de Friese apocriefe geschiedschrijving, in het en in de Friese beweging.

Magna Frisia?

miniatuur|Magna Frisia rond 700, zoals men zich dit in de 19e en vroege 20e eeuw voorstelde Het koninkrijk Friesland wordt soms ten onrechte gelijkgesteld aan het woongebied van de Friezen, dat zich uitstekte van het Zwin bij Brugge in België tot voorbij de Wezermonding in Duitsland. Dit gebied wordt wel Magna Frisia of Groot-Friesland genoemd. In middeleeuwse geschriften wordt de hele regio aangeduid met de Latijnse termen Frisia of tota Frisia. Het gebied kenmerkte zich later vooral door het ontbreken van feodaliteit.

Met name de oudheidkundige Pieter Boeles (1927/1951) en de archeoloog Herre Halbertsma (1982) waren van mening dat het Friese koninkrijk in zijn hoogtijdagen grotendeels samenviel met het vestigingsgebied der Friezen. Er zou sprake zijn van een samenhangend territorium met het centrum in de provincie Friesland, waar later ook de Friese taal zich zou handhaven. De archeoloog Wim van Es (1990) was de eerste die dit beeld corrigeerde, door te stellen dat Radbouds machtsbasis in het Hollands-Utrechtse rivierengebied rond Utrecht en Dorestad heeft gelegen. Daarentegen veronderstelde Menno Dijkstra (2010) dat Radbouds rijk wel degelijk groter was.

Recente auteurs stellen vrijwel unaniem dat er geen sprake was van een aaneengesloten bestuursgebied. De term Magna Frisia is volgens Luit van der Tuuk "een betrekkelijk recent bedenksel van een fictief gebied waar zelfs koning Radbod in zijn hoogtijdagen niet volledig over heeft geheerst".Luit van der Tuuk, Radbod: Koning in twee werelden, 2018.

Overzicht Aangenomen wordt dat de Friezen en de verwante Frisiavonen al in de Romeinse tijd met een vreedzame expansie in zuidwaartse richting langs de Noordzeekust waren begonnen, die misschien zelfs tot diep in Vlaanderen en Engeland reikte. Een deel van hen werd onder dwang naar andere streken overgebracht. Waar het oorspronkelijke woongebied van de Friezen (en de naburige Chauken) langzamerhand ontvolkt raakte, werden de opengevallen plekken na enige tijd ingenomen door immigranten uit het Duitse kustgebied. Die werden op hun beurt - net als hun voorgangers - als 'Friezen' aangeduid.

Een centraal bestuurd koninkrijk ontstond pas toen de Friese gebieden na de ineenstorting van het Romeinse Rijk plotseling een centrale ligging kreeg tussen de opkomende Germaanse koninkrijken van de Franken, Angelsaksen en de Scandinaviërs op de Noordwest-Europese handelsroutes. Deze positie werd vanaf ongeveer 550 versterkt door het verbreken van de Noord-Zuidroute tussen Oostzee en de Middellandse Zee door de inval van Slavische volkeren in Oost-Europa. Vanwege hun waterrijke land, waar vrijwel al het verkeer traditioneel over water moest gebeuren, hadden de Friezen al een uitstekende ervaring met de scheepvaart. Handel en vruchtbare grond maakten het gebied echter ook aantrekkelijk voor het opkomende Frankische Rijk, waarmee dan uiteindelijk aan alle voorwaarden werd voldaan om tot de consolidatie van een weerbare territoriale eenheid te komen. Er vormde zich een koningshuis van regionale machtsbetekenis, waarvan de koningen Aldgisl en Radbod bekend zijn.

Dit Friese rijk bleef in stand tot circa 719, toen een groot deel van Friesland werd ingelijfd bij het Frankische rijk. Het Friese wetboek dat na de uiteindelijke volledige verovering van Friesland in opdracht van Karel de Grote werd samengesteld laat het Friese grondgebied van de Sincfal (vanouds opgevat als Het Zwin) tot aan de Wezer lopen. In dit wetboek werd het oud-Friese gewoonterecht vastgelegd.

De regionale, meestal aaneengesloten bewoonbare gebieden in het Frankische Rijk werden gouwen (kerngewesten) genoemd, waaruit later graafschappen en kleinere districten werden gevormd (zie: Zeven Friese Zeelanden). In het latere graafschap Holland ("West-Frisia") waren dit de gouwen Walcheren, Schouwen, Maasland, Nifterlake, Rijnland, Kennemerland, Westflinge, Wieringen, Texel en mogelijk ook Naardinkland. In het graafschap Midden-Friiesland betrof dit Westergo, Oostergo en later Suthergo en Bornego. In oostelijk Friesland, dat uit meerdere graafschappen bestond, bevonden zich de gouwen Humsterland, Hunsingo, Fivelgo, , Federgo, Norderland, Harlingerland, Wangerland, Östringen en Rüstringen. De Friese kolonisten van het Land Wursten vestigden zich in het Saksische gouw Haduloha, maar bleven vermoedelijk nauw met Rüstringen verbonden. Daarnaast hebben zich Friese kolonisten gevestigd in Noord-Friesland tussen de rivieren Eider en . De eilanden Sylt, Föhr en Amrum werden vermoedelijk al vanaf de volksverhuizingstijd door Friezen bewoond. Al deze streken werden echter tot het koninkrijk Denemarken gerekend en de bewoners werden 'Koningsfriezen' (kongefriserne) genoemd.

Aan de zuidkant werden volgens een recente bijdrage van Roel Zijlmans behalve de Vier Ambachten ook het Waasland, het Gentgouw en het Rodengouw bij de Friese woongebieden gerekend.Roel Zijlmans, Troebele betrekkingen: Grens-, scheepvaart- en waterstaatskwesties in de Nederlanden tot 1800, Hilversum 2017, p. 99-128, 153-267. Dit laatste wordt echter betwijfeld door Hans Mol en Gilles de Langen, die stellen dat de het Sincfal (de latere Oosterschelde) een duidelijke grens vormde. Alleen de Vier Ambachten lagen ten noorden van de veengordel die Friesland van Vlaanderen scheidde.

Ontstaan van het koningschap miniatuur|250x250px|Friese sceatta uit circa 710- 735 Evenals dit bij andere Germaanse volken de norm was, hadden de Friezen in het begin stamhoofden als leiders. Deze leiders werden vooral gekozen op grond van hun kwaliteiten, maar later zou ook de afkomst een rol gaan meespelen. Verder was het gebruikelijk dat in tijden van oorlog er een stamhoofd als krijgsheer werd aangewezen. Deze gekozen krijgsheer werd ook wel hertog genoemd en was aanvoerder zolang de oorlog duurde.

Het belangrijkste kenmerk voor het ontstaan van het koningschap bij de Germaanse volken was evenwel de aanwezigheid van een centraal gezag en een klasse van edelen. Bij de Friezen was dit later het geval dan bij hun buurvolken die zich in het Romeinse Rijk vestigden. Pas op het eind van 6e eeuw was in het Fries-Gronings terpengebied sprake van een dergelijke situatie.

De macht van deze gezaghebber, politiek leider of koning werd bepaald door het aantal mensen dat hij door het geven van geschenken aan zich binden kon. Daarom waren de grenzen van zijn koninkrijk flexibel en gaven deze de reikwijdte aan van zijn netwerk van persoonlijke relaties. Behalve politieke macht had de Friese koning ook sacrale macht. Hij speelde een belangrijke rol in de religie. Verder bestond het Friese gebied evenals dit in de Angelsaksische wereld het geval was, uit voornamelijk meerdere kleine politieke eenheden elk met een eigen politieke leider als koning.

De eerste Friese koningen moeten daarom vooral beschouwd worden als krijgsheren, die tijdelijk aangesteld werden door de lokale machthebbers om weerstand te bieden aan de bedreiging die uitging van andere volken. Bij de Friezen was deze vooral afkomstig van hun buurvolk de Franken.

Frankische bronnen kenschetsen de Friese leiders in de regel als hertogen die aan de Frankische koning ondergeschikt waren. Angelsaksische bronnen spreken doorgaans over koningen,

Uitbreiding van het Friese Rijk Het Friese koninkrijk dat in de loop van de 6e eeuw steeds meer gestalte kreeg was oorspronkelijk een federatie van stammen die door een centraal gezag verbonden waren. De delta van de Rijn en Maas viel toen onder de Frankische invloedssfeer. De in macht toegenomen Friese koningen kregen belangstelling voor dit gebied en onder de voorgangers van koning Aldgisl vond er een Friese machtsuitbreiding plaats naar het hart van Nederland. Archeologen en historici denken dat vooral noordelijk Westergo in aanmerking komt als kerngebied waar de Friese koningen oorspronkelijk vandaan komen.

Maar niet alleen de Friezen hadden belangstelling, ook de Franken bleven geïnteresseerd en omstreeks 630 werd het gebied zuidelijk van de Oude Rijn op de Friezen veroverd door de Frankische koning Dagobert I. Deze Franken brachten het christelijk geloof mee naar deze contreien en bouwden in Utrecht een kerk. Na het bewind van koning Dagobert konden de Franken zich hier niet langer handhaven en viel het rivierengebied weer in Friese handen (650). Onder de Friese koning Radbod zou het Friese Rijk in het begin van de 8e eeuw zijn grootste uitbreiding krijgen. Volgens Jaekel strekte Radbod’s rijk zich uit over heel Frisia, van Zwin tot Wezer, maar tegenwoordig gaat men er eerder van uit dat zijn macht zich vermoedelijk beperkte tot het Midden-Nederlandse rivierengebied en delen van Holland. Het is dus evengoed mogelijk dat Poppo een lokale heerser was die los van Radbod een deel van het Friese woongebied - namelijk het huidige Friesland - beheerste.W.A. van Es, Dorestad centred, in: J.C. Besteman, J.M. Bos en H.A. Heidinga (red.), Medieval Archaeology in the Netherlands, Studies presented to H.H. van Regteren Altena (Assen/Maastricht, 1990) pag. 151 - 182 Dit laatste wordt echter betwijfeld door Hans Mol en Gilles de Langen, die stellen dat de het Sincfal (de latere Oosterschelde) een duidelijke grens vormde. Alleen de Vier Ambachten lagen ten noorden van de hoogveengordel die vroegmiddeleeuws Friesland van Vlaanderen scheidde.

De Friese kolonisten in de Uthlande van Zuidwest-Denemarken (Jutland), die vanwege hun speciale privileges Koningsfriezen werden genoemd, vielen buiten de gebruikelijke indeling in sysler of gouwen. Het gebied was, net als de rest van Jutland, verdeeld in tien kleinere districten, die herreder of harden werden genoemd en werd later (met uitzondering van enkele enclaves) tot het hertogdom Sleeswijk gerekend.

Koningen Finn