Indischgeel is een geel organisch pigment.
Tegen het eind van de middeleeuwen kwam in India een nieuw geel pigment in gebruik. Het werd geproduceerd door koeien bladeren van de mangoboom te voeren. In de bladeren zit de gele kleurstof euxanthon. Die verbleekt snel en is dus op zich niet zo bruikbaar. De lever van de koe zet het euxanthon om in euxanthinezuur. Het magnesiumzout daarvan vormt een zeer fel, lichtgevend en lichtecht pigment. Het wordt door de nieren uit het bloed van de koe gefilterd. De urine van de koeien werd in potten opgevangen, ingekookt en tot bollen gekneed. Die werden ingepakt en door heel India verhandeld.
In de zestiende eeuw brachten Portugese handelaren het pigment naar Europa. De Europese schilders kenden geen ander geel pigment dat zo fel en lichtecht was. De Europeanen was het een raadsel waar het precies vandaan kwam. Sommigen dachten dat het om de urine van kamelen of olifanten ging. Anderen zagen dat als een fabeltje en meenden dat het zoals zo veel kleurstoffen uit planten gewonnen werd.
In de negentiende eeuw begon professioneel scheikundig onderzoek naar de stof. Het euxanthinezuur werd ontdekt en kreeg zijn naam. Door dierproeven ontdekte men dat bij zoogdieren die euxanthon aten, euxanthinezuur in de urine kon worden aangetroffen. Dat leek berichten uit India te bevestigen dat het om urine van koeien ging maar zeker was men er niet van. In 1883 zonden de Britse koloniale autoriteiten een Indiase ambtenaar uit om de zaak voorgoed uit te zoeken. Die kon persoonlijk waarnemen dat er een kleine gemeenschap koeherders was die hun koeien indischgeel lieten produceren. De dieren bleken al na een paar jaar dood te gaan aan ondervoeding. Een generatie later werd de praktijk daarom verboden en rond 1920 werd ook in Europa geen verf meer van het pigment gemaakt.
Het mysterie indischgeel leek daarmee opgelost maar in 2004 werd door Victoria Finlay twijfel gezaaid over het waarheidsgehalte van het verhaal. De controverse leidde tot een hernieuwde belangstelling van de wetenschap. Het kon met zekerheid vastgesteld worden dat het pigment van dierlijke oorsprong was. Hoogstwaarschijnlijk werd het inderdaad uit koeienurine gewonnen. Indischgeel wordt tegenwoordig gebruikt om de echtheid en ouderdom van kunstwerken vast te stellen.
Geschiedenis en onderzoek naar het pigment De oorsprong in India
Tegen de vijftiende eeuw begon men in India de Perzische gewoonte over te nemen om miniaturen te schilderen, illustraties in geschriften, op papier of perkament. De oorspronkelijke moslimtradities volgend, die afwijzend stonden tegenover elke afbeelding van levende wezens, was het kleurenpalet daarvan eerst tamelijk ingetogen. Hindoeïstische schilders werden echter al snel uitbundiger in hun coloriet. Ze gebruikten meer geel, een kleur die geassocieerd werd met zowel de goden als de hoogste kaste, de brahmanen. Rond 1400 duiken de oudste bekende miniaturen op die grote partijen hebben die met indischgeel zijn gekleurd. Uit de voorgaande periode, toen nog op palmbladeren werd geschilderd, is geen gebruik van indischgeel bekend. Oude geschriften in het Sanskriet vermelden het pigment niet.
Uit veel latere bronnen is bekend dat het oranjegele pigment pioeri of peori werd genoemd. Van die naam bestonden talloze variaties. Het is door Moti Chandra gesuggereerd dat het pigment zijn oorsprong vond in Perzië gezien een alternatieve naam, gogoli, die afgeleid zou zijn uit het Perzisch gaugil, "koeienaarde". Daartegen spreekt dat geen oudere Perziche miniaturen met indischgeel gevonden zijn. Uit de zeventiende eeuw zijn muurschilderingen bekend die indischgeel gebruikten. Uit de negentiende eeuw wordt bericht dat het pigment als vrij goedkoop gold en als textielverf werd ingezet, vooral bij het kleuren van katoen. Een wellicht verwant pigment, gorocana, werd gebruikt om de rituele gele markering op het voorhoofd aan te brengen, de tilak.
Oudste Europees gebruik
In de zestiende eeuw vond het pigment zijn weg naar het Westen. Vermoedelijk ging dat niet via de traditionele handelsroutes door het Ottomaanse rijk naar Venetië. In de tijd van de ontdekkingsreizen had Portugal een directe zeeroute op India geopend. De beperkte laadruimte kon alleen profijtelijk worden ingezet als men zich beperkte tot dure luxeproducten zoals juwelen, specerijen en ook zeldzame pigmenten. Zulke goederen werden verder naar het noorden verscheept, naar Antwerpen in de Nederlanden. Daar was een goede markt voor pigmenten omdat de Nederlanden zich hadden ontwikkeld tot het tweede centrum van Europese schilderkunst, naast Italië.
In de gouden eeuw van de Nederlandse schilderkunst, de zeventiende, was indischgeel vermoedelijk al een gangbaar pigment, hoewel dat lastig is aan te tonen. De schilderboeken hebben het niet over een "indischgeel". Het woord is een latere vertaling van het Franse jaune indien. Hermann Kühn meende het in 1968 gevonden te hebben in een geel gordijn afgebeeld op Johannes Vermeer's Vrouw met weegschaal uit circa 1664. In 1974 bleek echter dat de zijkanten van het paneel in een latere eeuw gerestaureerd waren door de toevoeging van plankjes; voor het extra stuk gordijn had men indischgeel gebruikt. Vermeer zelf had het originele deel daarvan geschilderd met het traditionele pigment loodtingeel. Ondanks deze weerlegging wordt het schilderij nog steeds vaak aangehaald als voorbeeld van zeventiende-eeuwse toepassing. Een werk waarin het pigment wel is aangetoond is Rembrandts Gelijkenis van de rijke dwaas uit 1627. De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden had intussen factorijen gesticht op de Indiase kust waarlangs het pigment direct kon worden geïmporteerd.
Achttiende eeuw In de achttiende eeuw werd de belangrijkste exporteur de Britse East India Company die een dominante economische en militaire positie in India verwierf. Portugese, Nederlandse en Franse factorijen werden veroverd of geïsoleerd. Het bedrijf liet via haar grote handelsstad Calcutta het indischgeel aanvoeren. Het werd geleverd in de vorm van vuistgrote zachte klompen organisch materiaal.
De precieze herkomst van de klompen was in Europa onbekend. In het kader van de Verlichting was er steeds meer aandacht voor zulke natuurhistorische verschijnselen, die systematisch werden beschreven. Bij gebrek aan betrouwbare informatie stelden de natuurvorsers allerlei wilde hypothesen op. De bollen indischgeel roken sterk naar ammoniak en men opperde dat ze bestonden uit de urine van grote slangen, buffels, olifanten of kamelen, exotische dieren die met India in verband werden gebracht. Een minder onhygiënische herkomst zou ossengal kunnen zijn of in het algemeen galstenen van vee. Een andere veel gemaakte suggestie was dat het om kurkuma zou gaan, waarvan het gemalen goudgele poeder in India niet alleen als specerij maar ook als ritueel kleurmiddel wordt gebruikt. De geelwortel van Curcuma longa waaruit de specerij gewonnen wordt, heeft wel iets van de klompen indischgeel weg. De oudste bekende vermelding van de term Indian Yellow in het Engels komt uit het dagboek van de amateurschilder Roger Dewhurst. Die liet in 1786 een vriend hem een klomp indischgeel bezorgen en een andere vriend speculeren over de herkomst ervan.
Verwarrend was dat allerlei gele pigmenten die uit Azië geïmporteerd werden als "indischgeel" verkocht konden worden, zoals verschillende okers, saffraan of gummigut. In India zelf waren er talloze variaties op de naam en ook de Britten hadden afwijkende namen, zoals snowshoe yellow gebaseerd op de onjuiste aanname dat het over Tibetaanse bergpassen werd aangevoerd.
Scheikundig onderzoek in de negentiende eeuw Gedurende de negentiende eeuw nam de speculatie toe. Er was een algemeen besef dat het om ingedikte urine zou gaan maar ook de neiging dit als een verzinsel af te doen. Franse bronnen vermoedden dat het om galblazen van runderen uit Afrika ging of om een extract uit bladeren van Memecylon, welk geslacht inderdaad een gele kleurstof levert. Een andere mogelijkheid zag men in de bast van Berberis.
In de eerste helft van de negentiende eeuw kwam de scheikunde tot grote bloei. Chemici onderzochten de samenstelling van allerlei stoffen, vooral als daarvan een commerciële toepassing te verwachten was. Pigmenten en kleurstoffen genoten een speciale belangstelling vanwege het enorme belang van de textielindustrie die steeds op zoek was naar nieuwe modekleuren. De Schot John Stenhouse publiceerde in 1844 een wetenschappelijk artikel over indischgeel. Hij merkte op dat het in grote hoeveelheden werd geïmporteerd uit India en China in de vorm van klompen die drie tot vier ons wogen. Binnenin waren die fel oranje. Onder de miscroscoop bleek de substantie te bestaan uit scherpe kristalnaalden, soms gegroepeerd in sterren, van een duidelijk organische stof. Die noemde hij purreic acid. Volgens hem ging het om de gom van een of andere plant. Het verhaal van een dierlijke herkomst zou zijn oorsprong hebben in de walgelijke geur die de stof verspreidde, welke deed denken aan bevergeil.
Hetzelfde jaar liet ook de Duitser Otto Liné Erdmann een studie verschijnen. Na een lezing in 1843 had een van zijn luisteraars hem een stuk Kameelharn gegeven dat over Le Havre als pigment geïmporteerd was. Nader onderzoek toonde aan dat het uit Engeland kwam. Het Franse handelshuis Girouy bood twee kwaliteiten pigmentpoeder te koop aan, een Jaune indien purifié fin en een Jaune indien purifié extrafin, die per dertig gram respectievelijk vijf francs en acht francs, vijftig centimes moesten kosten. Dat waren voor die tijd hoge prijzen die Erdmann echter gerechtvaardigd achtte gezien de onovertroffen kwaliteiten als gele glaceerverf. Nog voor hij zijn bevindingen kon publiceren, kreeg hij het artikel van Stenhouse onder ogen. Dat stelde hem in staat dat kritisch te benaderen. De naam purreic acid vond Erdmann onbruikbaar. Het zou in het Duits Pureesäure worden wat door iedereen fout zou worden uitgesproken. Hij stelde het alternatief Euxanthinsäure voor, vanuit het Grieks euxanthos, "goed geel". Deze term zou uiteindelijk door de wetenschap overgenomen worden omdat het meeste onderzoek in Duitsland plaatsvond. Hij bedacht meteen de term euxanthon voor wat hij dacht dat het stabiele gele verbindingen met euxanthinezuur waren. Erdmann wees erop dat Stenhouse helemaal geen argumenten had aangedragen waarom het om het sap van een plant zou gaan.
In 1845 publiceerden beide onderzoekers een gezamenlijk artikel. Daarbij prefereerden ze de term euxanthinezuur, wezen erop dat het pigment in Engeland goedkoper was maar niet altijd verkrijgbaar en dat een plantaardige oorsprong in het bomengeslacht Berberis gevonden zou kunnen worden. Beide begrepen nu dat het euxanthon in feite een van de componenten van euxanthinezuur was, hoewel het ze niet lukte een correcte samenstelling te bepalen. Werner Schmid was in 1855 de eerste die vermoedde dat een dier het euxanthon in een euxanthinezuur omzette.
Onderzoek naar euxanthinezuur werd in 1870 voortgezet door Adolf von Baeyer, de latere nobelprijswinnaar, die studies uitvoerde naar talloze organische pigmenten. In 1875 toonde Max Emanuel Jaffé euxanthinezuur aan in de urine van honden die euxanthon aten. In 1879 waren het Osvalds Šmīdebergs en Hans Meyer die als eersten vaststelden dat de tweede component een stof was die ze benoemden als glucuronidezuur.
Onderzoek in India zelf Langzaam verspreidde zich betrouwbaarder informatie uit India naar Europa, vooral door de steeds intensievere economische contacten met de Britten. In 1809 meldde George Field in een artikel over pigmenten dat een diepe gele kleur verkregen werd uit de urine van buffels dan wel kamelen nadat die gevoerd waren met "de mango".