Het huis Nassau-Siegen was een zijtak van de Ottoonse Linie van het huis Nassau, een Duitse adellijke familie. Het Huis Nassau-Siegen ontstond in 1607 door de deling door de zoons van graaf Johan VI ‘de Oude’ van Nassau-Siegen en heerste over een deel van het graafschap Nassau. Het huis splitste in 1623 in een katholieke en protestantse linie. Voordien was er nog een zijtak die Nassau-Siegen genoemd wordt.
Ontstaan van het huis De stad Siegen en het omliggende Siegerland was een van de oudste bezittingen van het Huis Nassau. In een oorkonde uit 1079/1089 wordt Rupert vermeld als voogd in Siegen van de aartsbisschop van Mainz. Deze Rupert is een van de oudst bekende voorouders van de latere graven van Nassau.Lück (1981), p. 16-17. Bij de Prima divisio uit 1255 kwam het Siegerland in bezit van graaf Otto I van Nassau.Huberty, et al. (1981), p. 219. Diens oudste zoon Hendrik I van Nassau-Siegen kreeg van zijn neef rooms-koning Adolf van Nassau in 1298 de ijzer- en zilvermijn Ratzenscheid bij Wilnsdorf en de overige groeven in het Siegerland waar zilver gewonnen kon worden. Daarmee werd de grondslag gelegd voor de Bergregal (de rechten op de bodemschatten in hun gebied) van de graven van Nassau.Lück (1981), p. 20. Slot Siegen bleef onder de opvolgers van graaf Hendrik I lange tijd de belangrijkste residentie. Pas in de zestiende eeuw nam Slot Dillenburg die functie over, maar de stad Siegen bleef wel het economische zwaartepunt van het graafschap.
Bij het overlijden van graaf Johan VI ‘de Oude’ van Nassau-Siegen op 8 oktober 1606 werd hij opgevolgd door zijn zoons Willem Lodewijk, Johan VII ‘de Middelste’, George, Ernst Casimir en Johan Lodewijk. Op 30 maart 1607 deelden de broers hun bezittingen,Dek (1970), p. 86.Vorsterman van Oyen (1882), p. 115. waarbij Johan ‘de Middelste’ het Siegerland verkreeg. Johan ‘de Middelste’ werd daarmee de stamvader van het huis.
Regerende graaf: Johan VII ‘de Middelste’ miniatuur|links|180px|Graaf Johan VII ‘de Middelste’ van Nassau-Siegen. Atelier van Jan Antonisz. van Ravesteyn, ca. 1610-1620, Rijksmuseum Amsterdam.
Graaf Johan VII ‘de Middelste’ van Nassau-Siegen (Slot Siegen,Menk (2004), p. 193.Aβmann & Menk (1996). 7 juni 1561Alle bronnen die een volledige geboortedatum vermelden, noemen deze geboortedatum. – aldaar,Lück (1981), p. 126. 27 september 1623Op een na alle bronnen die een volledige overlijdensdatum vermelden, noemen deze overlijdensdatum. Alleen Glawischnig (1974) vermeldt overleden op 7 oktober 1623. Het is niet duidelijk of de auteur bedoeld heeft om de door de andere bronnen vermelde datum om te rekenen naar de Gregoriaanse kalender, noch of die door de andere bronnen vermelde datum volgens de Juliaanse kalender is.) was de tweede zoon van graaf Johan VI ‘de Oude’ van Nassau-Siegen en diens eerste echtgenote Elisabeth van Leuchtenberg.Alle bronnen die beide ouders vermelden, noemen deze ouders. Johan ‘de Middelste’ bezocht eerst de gravenschool in Siegen en ging daarna – in 1576 – samen met zijn drie oudste broers Willem Lodewijk, George en Filips en zijn neef, Maurits, naar de Universiteit van Heidelberg, maar verliet deze op verzoek van zijn vader al het jaar daarop. Hij betreurde zijn vertrek geenszins, want hij vond ‘das Studieren nicht anmutig’.Lück (1981), p. 92. Johan werkte zich al vroeg in de administratie, financiën en militaire zaken van zijn vaders graafschap in.Glawischnig (1974).
Johan ‘de Oude’ had plannen om de financiën van het graafschap Nassau-Siegen te saneren door een rijk huwelijk van zijn zoon, maar toen Johan ‘de Middelste’ verklaarde dat hij zijn hart al geschonken had, deed de vader niet de minste poging om de politieke rede te laten zegevieren over de wens van de zoon. Door zijn huwelijk in 1581 met Magdalena van Waldeck-Wildungen (net als zijn grootmoeder Juliana van Stolberg-Wernigerode weduwe van een graaf van Hanau-Münzenberg) versterkte Johan ‘de Middelste’ de verhoudingen binnen de Wetterauer Grafenverein en droeg zo – ook zonder wezenlijke financiële bijdrage – bij tot de versterking van het Huis Nassau.
Johan ‘de Middelste’ hield zich vanaf 1584 bezig met het versterken van de verdedigingswerken van Nassau en de Dillenburg. Bij de militaire hervorming van Johan ‘de Oude’, vooral diens invoering van de algemene dienstplicht, zorgde Johan ‘de Middelste’ voor een betere opleiding. Uitgaande van het besef dat men de dienstplichtige onderdanen niet hulpeloos naar de slachtbank mocht leiden, zorgde hij voor een degelijke opleiding van de manschappen onder de wapenen. Hij bestelde uniforme geweren van hetzelfde kaliber voor hen, zodat de een de ander kon helpen met kogels. En hij creëerde uniforme kleding, zich er duidelijk van bewust dat de mannen zich in dat uniform soldaat zouden voelen. Uniformen en uniforme bewapening waren iets geheel nieuws voor die tijd. Voor het trainen met het geweer vond Johan de dril uit. De manschappen stonden welwillend tegenover deze maatregel, omdat zij zelf zagen hoe zij door voortdurende oefening een enorme tijdwinst behaalden in het hanteren van wapens en daardoor een grote voorsprong hadden op hun tegenstanders. Tegen de algemene dienstplicht is in de Nassause stamlanden, en vooral in het eerst getroffen Siegerland, nooit enig protest gerezen, want de strijd van de graven voor de vrijheid van de Nederlanden beschouwde de bevolking ook als hun eigen strijd. Zij deelden met de landsheer de bijbels gefundeerde overtuiging van het recht van deze opstand tegen de verkrachting van lichaam en ziel.Lück (1981), p. 94.
miniatuur|180px|Het beleg van Groenlo (1597). Verhoudingsgewijs laat, namelijk pas in 1592, betrad Johan het Nederlandse oorlogstoneel. Daar woonde hij de belegeringen van o.a. Steenwijk en Coevorden bij.Dek (1968), p. 234.Blok (1911), p. 1221. Met prins Maurits had hij eerder een band als broer dan als neef, omdat zij hun jeugd samen hadden doorgebracht in Dillenburg en Siegen. Toen Johan hem en zijn broer Willem Lodewijk zijn aantekeningen met zijn gedachten over een militaire opleiding liet zien, werd dat ‘nun wol im anfang ein solches veracht und für Superfluum gehalten’. Spoedig echter moest Maurits inzien dat de Ausschußmänner uit het graafschap Nassau-Siegen en de gelijk opgeleide boeren uit het Westerwald beter waren dan de Nederlandse soldaten. Onmiddellijk werd de aanpak van Johan in alle garnizoenen van de verenigde provincies ingevoerd. Een nieuw type mortier dat door Johan was uitgevonden, samen met de bijbehorende brandkogels, die hij beide in Siegen had laten gieten, werd in 1597 uitgeprobeerd bij het beleg van Groenlo en had een verwoestend effect.
Johan zette zijn gedachten op papier wanneer ze bij hem opkwamen: onder de titels Observationes, Landesrettungswerk, Memorial, Discours, enz. Samen vormen zij een Kriegsbuch dat alle militaire kennis van die tijd weerspiegelt, maar vooral een schat aan geheel nieuwe ideeën bevat, van de kunst van grote vestingwerken tot de meest voordelige inrichting van een ‘geheime kamer’. Zijn militaire geschriften legden de grondslag voor de overmacht van het Staatse leger en vormden zo een essentiële bijdrage tot de overwinning. Ze werden in 1973 opnieuw uitgegeven. Johan was een van de belangrijkste militaire theoretici uit zijn tijd en zijn reputatie reikte tot ver buiten de grenzen van het Heilige Roomse Rijk.
Johan was een voorvechter van protestantse politieke eenheid tegen de krachten van de contrareformatie. Hij bereikte echter zelden een grotere politieke invloed. Daarvoor ontbrak het hem ondanks hoge intelligentie, ijver en behendigheid aan het nodige doorzettingsvermogen. De omvang van de ambitieuze politieke plannen van Johan en in welke macht van een protestantse unie, zoals hij zich die voorstelde, hij geloofde, blijkt het best uit het feit dat hij in 1598 serieus het idee wilde uitdragen om zijn neef Maurits tot Duits koning te laten kiezen.Lück (1981), p. 95.
Op het grote operatieterrein van de contrareformatie had koning Sigismund III, de katholieke Wasa, Polen en Zweden in zijn hand verenigd. Diens oom, de calvinistische hertog Karel van Södermanland leidde de oppositie tegen Sigismund. Johan vond het een zaak voor protestanten om Karel te ondersteunen. Daarom reisde hij, met toestemming van de Wetterauer Grafenverein, naar het strijdtoneel in Lijfland. Karel bood Johan onmiddellijk het opperbevel aan,Volgens Dek (1970), p. 86 en Dek (1968), p. 234 werd Johan door Karel benoemd tot veldmaarschalk. Volgens Lück & Wunderlich (1956), p. 32 en Vorsterman van Oyen (1882), p. 115 benoemde Karel Johan tot generaal en veldmaarschalk. Glawischnig (1974) en Joachim (1881), p. 266 vermelden net als Lück (1981), p. 95 geen rang, maar alleen dat het ging om het opperbevel. dat hij ‘trotz der geringen Lusten’ aannam, maar slechts voor de duur van drie maanden, want het Zweedse leger verkeerde in een meer dan slechte staat. Na drie maanden, waarin Johan verschillende schermutselingen had gewonnen en veel materiaal van de Polen had buitgemaakt, maar het beleg van Riga niet tot een goed einde had kunnen brengen, smeekte Karel hem om in Lijfland te blijven en het opperbevel te blijven voeren. Johan liet zich overhalen. Onmiddellijk daarna brak zo'n felle koude uit dat binnen zes weken 40.000 mensen doodvroren en verhongerden, waaronder 4500 van de 6000 voetsoldaten uit Nassau. En weer, na drie maanden, werd Johan overgehaald om te blijven. Toen werden echter door eerst de invallende dooi en daarna een muiterij alle militaire operaties tenietgedaan. Johan schreef tevergeefs om geld te krijgen om de troepen te betalen. Hij had zijn kettingen en juwelen al lang verpand voor soldij. Uiteindelijk nam hij echt afscheid. Karel stelde voor de reis naar Lübeck een Zweeds oorlogsschip ter beschikking, dat wegens hevige stormen lange tijd op Bornholm moest blijven. Johans soldij van 18.000 gulden was 29 jaar later nog steeds niet door de Zweden betaald. En toch had de zware noordse reis Johan iets goeds gebracht. Hij ontmoette de jongste dochter van hertog Johan van Sleeswijk-Holstein-Sonderburg (een broer van koning Frederik II van Denemarken) en trouwde in 1603 met haar, hoewel hij al een zoon had die een jaar ouder was dan deze Margaretha. Johans eerste vrouw was al in 1599 overleden.
miniatuur|180px|Slot Siegen. Bij het overlijden van zijn vader op 8 oktober 1606 volgde Johan zijn vader op samen met zijn broers Willem Lodewijk, George, Ernst Casimir en Johan Lodewijk. Op 30 maart 1607 deelden de broers hun bezittingen, waarbij Johan de stad Siegen, Freudenberg, Netphen, Hilchenbach, Ferndorf en het Haingericht verkreeg. Ook sloten de broers toen een erfverdrag.Joachim (1881), p. 265. Bij deze overeenkomst werd het de erfgenamen van de broers uitdrukkelijk verboden over te gaan naar een ander geloof dan de gereformeerde belijdenis.Lück (1981), p. 122. Sinds de verdeling had Johan zijn residentie op Slot Siegen, dat rond die tijd door hem vernieuwd werd.
Op 25 maart 1609 overleed hertog Johan Willem van Gulik-Kleef-Berg kinderloos. Zijn erfenis werd geclaimd door Palts-Neuburg, Brandenburg, Saksen en Palts-Zweibrücken. De eerste twee kandidaten waren protestants, de andere twee katholiek. Johan, die altijd uit was op de eenheid van het protestantse kamp, wilde koste wat kost een oorlog tussen Brandenburg en Palts-Neuburg vermijden, en hij slaagde erin tijdens voorbereidende onderhandelingen in Siegen en in 1609 in Dortmund een overeenkomst te bereiken tussen paltsgraaf Wolfgang Willem van Neuburg en keurvorst Johan Sigismund van Brandenburg over een gemeenschappelijke gedragslijn. Beiden vroegen Johan het opperbevel over hun troepen op zich te nemen, voor het geval het erfenisgeschil niet zonder wapengeweld kon worden opgelost. De Landesrettungsverein van de Wetterau benoemde hem tot kolonel. Als bemiddelaar zette Johan succesvol de erfenis van zijn grootvader Willem ‘de Rijke’ voort.Lück (1981), p. 98.