Randy Mamola is een Amerikaans voormalig motorcoureur. Tijdens zijn dertienjarige carrière werd hij vier keer tweede in het wereldkampioenschap wegrace en hij eindigde elf keer in de top tien. Daardoor hoort hij tot de beste coureurs die nooit wereldkampioen werden.
Al tijdens zijn racecarrière raakte hij betrokken bij liefdadigheidsinstellingen. Hij was mede-oprichter van Riders for Health en later van Two Wheels for Life. In 2000 werd hij opgenomen in de AMA-Motorcycle Hall of Fame en in 2018 in de FIM-MotoGP Legends Hall of Fame.
Carrière Randy Mamola was in zijn jeugd vooral geïnteresseerd in muziek. Toen hij tien jaar oud was speelde hij al in een band. Op zijn twaalfde raakte hij geïnspireerd door de Californische coureur Kenny Roberts, die toen nog voor Yamaha dirttrackraces reed. Ook Mamola ging dirttracks rijden en toen hij veertien was werd hij al gesponsord door Yamaha. Daarna ging hij wegracen, geholpen door voormalig coureur Ron Grant. In 1976 reed hij voor het eerst in het buitenland, toen Grant hem meenam naar de Marlboro Series in Nieuw-Zeeland, waar Mamola een goede indruk achterliet.
Nadat hij in 1977 afstudeerde aan de High School ging Randy Mamola zich helemaal richten op de 250cc-wegrace. In zijn eerste jaar eindigde hij achter David Emde als tweede in de eindstand, maar in 1978 werd hij AMA-kampioen. De gelijkenis met de carrière van Roberts leverde hem de bijnaam "Baby Kenny" op. Hij werd opgenomen in het Amerikaanse team dat in 1979 deelnam aan de Anglo-American Match Races. Hier streden de beste Britse en Amerikaanse coureurs op 750cc-machines in zes races om het beste resultaat. Mamola had geen ervaring met zware machines, maar hij werd achter Mike Baldwin de tweede Amerikaan, nog voor oud-wereldkampioen Barry Sheene. Wereldkampioenschap wegrace 1979 (Scuderia Adriatica en Serge Zago) Mamola begon zijn WK-carrière in het seizoen 1979 bij het Italiaanse Scuderia Adriatica. Dat team reed nog met Yamaha TZ 250's en Yamaha TZ 350's, maar Jan Witteveen was bezig een eigen 250cc-tandemtwin voor het team te ontwikkelen. Mamola debuteerde in de Grand Prix van Venezuela, waar hij in de 350cc-race dertiende werd, maar in de 250cc-race vijfde. In de 350cc-klasse scoorde hij geen punten meer, maar in de 250cc-Duitse GP en de GP des Nations werd hij tweede. Hierna ontstond er onenigheid tussen Mamola en het team, mogelijk omdat de Adriatica 250 klaar was, maar dat Mamola geen vertrouwen in die machine had. In elk geval was het remsysteem niet afgestemd op zijn rijstijl. Hij vertrok naar het Amerikaanse team van Serge Zago, waar Mike Baldwin eerste rijder was. Hij kreeg een Yamaha TZ 250, waarmee hij in de Britse Grand Prix tweede werd. Hij reed eenmalig op een TZ 350, maar toen Baldwin in de Verenigde Staten geblesseerd raakte gaf Zago hem diens Suzuki RG 500. In zijn eerste 500cc-race, de TT van Assen, werd hij dertiende, maar in de Zweedse GP scoorde hij al punten (zesde) en in de GP van Finland schudde hij Barry Sheene af en werd hij tweede achter Boet van Dulmen. In de Franse Grand Prix versloeg hij zijn idool Kenny Roberts door tweede te worden achter Barry Sheene. Mamola sloot het seizoen af als vierde in de 250cc-klasse en als achtste in de 500cc-klasse. 1980 (Heron-Suzuki-GB) Zijn prestaties leverden Mamola voor het seizoen 1980 een fabriekscontract bij Suzuki op, als vervanger van Barry Sheene bij het Britse Suzuki-team. Zijn teamgenoot werd Graeme Crosby. In de GP des Nations vielen de Suzuki-rijders uit door defecte krukaslagers, maar in de GP van Spanje werd Mamola derde, in de Franse GP tweede, in de TT van Assen vijfde. Hij won de GP van België, waardoor hij als beste Suzuki-rijder nog slechts twaalf punten achter WK-leider Roberts stond. In de Finse GP werd Mamola vierde en hij won de Britse GP na een fel gevecht met Roberts. Het werd nu wel duidelijk dat Mamola de sterkste Suzuki-man was. Franco Uncini stond 20 punten op hem achter. Mamola was ook de enige die Roberts van de wereldtitel af kon houden. Daarmee dwong hij Roberts in de Duitse Grand Prix op de Nordschleife te starten. Roberts had er alles aan gedaan om te voorkomen dat hij daar moest rijden. Hij werd ook slechts vierde, maar Mamola werd vijfde waardoor Roberts toch wereldkampioen was. 1981 (Heron-Suzuki-GB) In het seizoen 1981 werd Suzuki GB het enige officiële fabrieksteam, waardoor Mamola en Crosby ook de enige fabrieksrijders werden. In de trainingen van de GP van Oostenrijk waren ze de snelsten, maar ook in de race: Mamola won voor Crosby. In de Duitse GP werd Mamola tweede achter Roberts, maar hij behield de leiding in het WK. Die ging even verloren toen hij in de opwarmronde van de GP des Nations een vastloper kreeg, maar in de Spaanse Grand Prix werd hij tweede en Roberts slechts vijfde, waardoor Mamola weer naar de eerste plaats klom. Hij breidde zijn voorsprong uit door de Joegoslavische GP te winnen, maar in de TT van Assen viel hij, waardoor Marco Lucchinelli de WK-leiding overnam. Lucchinelli won ook de GP van België, waar Mamola derde werd. Hoewel Mamola eigenlijk fabrieksrijder was, kreeg ook het team van Gallina fabriekssteun en Lucchinelli stond nu negen punten voor op Mamola. Die werd in de GP van San Marino slechts vierde door een slecht gemonteerde achterband. "Lucky" Lucchinelli won opnieuw. Lucchinelli viel in de Britse GP, maar door de hevige gevechten tussen Roberts en Mamola wist Jack Middelburg aansluiting te houden en te winnen. Roberts werd tweede, Mamola derde. In de GP van Finland wist Mamola met een slecht lopende motor slechts twintig seconden achter Lucchinelli te blijven. Het was nu zeker dat de wereldtitel tussen Lucchinelli en Mamola zou gaan. Het verschil was slechts negen punten. In de natte 500cc-race van de GP van Zweden nam Mamola de leiding, terwijl Lucchinelli slecht startte. Door een lekkende voorvork viel Mamola echter snel terug naar de dertiende plaats. Daardoor was Lucchinelli wereldkampioen. Mamola was 21 jaar oud en voor de tweede keer tweede in het WK. Veel kenners dachten dat het slechts een kwestie van tijd was tot hij ook wereldkampioen zou worden. 1982 (Heron-Suzuki-GB) In het seizoen 1982 breidde Suzuki haar fabriekssteun flink uit. Mamola bleef bij het Britse team, nu samen met Virginio Ferrari. Het Suzuki Italia-team onder leiding van Roberto Gallina bestond uit Franco Uncini en Loris Reggiani. De seizoenstart was voor Suzuki echter erg slecht, ook al omdat RSC eindelijk gestopt was met de mislukte Honda NR 500 en met de nieuwe driecilinder Honda NS 500 verscheen, bereden door de jonge Freddie Spencer. In de GP van Argentinië startte Mamola slecht, maar hij wist tot op twee seconden van het leidende trio Roberts, Sheene en Spencer te komen toen zijn schakelstang brak. In de GP van Oostenrijk startten de Suzuki-rijders Mamola, Middelburg, Uncini en Reggiani weer slecht, maar Mamola wist nog als zevende te finishen en Uncini wist zelfs te winnen. Net als de meeste toprijders boycotte hij de Franse Grand Prix. In de GP van Spanje hadden de Suzuki-coureurs weer veel last van valpartijen in de trainingen. Mamola kwalificeerde zich als zevende, maar viel uit met carburatieproblemen. Ook in de GP des Nations viel hij uit. Voor de TT van Assen kreeg Jack Middelburg als thuisrijder fabriekssteun van Suzuki om WK-leider Uncini te ondersteunen. Voor Randy Mamola betekende dit dat hij zijn reservemotor moest afstaan aan Middelburg. De race werd vanwege de regen opgedeeld in twee manches. In de eindstand werd Mamola vijfde. Middelburg werd in de eerste manche vierde nadat hij Uncini netjes voorbij had gelaten en mocht Mamola's Suzuki de rest van het seizoen houden. In de GP van België werd Mamola vijfde, waardoor hij eindelijk doordrong tot de top tien in de WK-stand. In de GP van Joegoslavië werd Mamola zevende, achter zijn eigen reservemachine met Jack Middelburg. In de Britse Grand Prix werd Mamola vijfde. Franco Uncini was feitelijk wereldkampioen. Kenny Roberts kon hem theoretisch nog bedreigen, maar had slechts een week om te herstellen van een verdraaide knie en een geblesseerde pink. Drie dagen na de Britse Grand Prix vertrok Roberts naar de Verenigde Staten nadat hij aan zijn pink geopereerd was en dat was het moment dat Uncini zeker was van zijn titel. Vanaf de Zweedse Grand Prix ging het eindelijk beter met Mamola. Hij reed de snelste ronde en finishte als tweede achter Takazumi Katayama. Ook in de GP van San Marino werd hij tweede en hij won de GP van Duitsland. Hij sloot het seizoen af als zesde in de eindstand. 1983 (Heron-Suzuki-GB) Suzuki bracht voor het seizoen 1983 alle fabrieksmachines onder de vlag van het sigarettenmerk HB, dat vooral de Duitse markt bediende. Voor een deel werd het Britse Heron-Suzuki verantwoordelijk en daar bleef Randy Mamola in dienst, maar dit team werd ook verantwoordelijk voor de Duitser Toni Mang. Mang kreeg van het team wel een productieracer om eerst aan het vermogensverschil met een 350cc-motor te kunnen wennen. HB sponsorde ook het Gallina-Suzuki team met Franco Uncini en Loris Reggiani. De fabriek hield wel de touwtjes strak in handen. Het ging echter niet goed met de beide fabrieksteams van Suzuki: Mang kreeg een ski-ongeval voor het seizoen en reed pas eind juli zijn eerste volledige race, Loris Reggiani raakte tijdens de Franse GP ernstig geblesseerd en Franco Uncini werd voor de rest van het seizoen uitgeschakeld bij een ongeval tijdens de TT van Assen. Als vervanger voor Uncini stelde Suzuki-GB Barry Sheene voor, maar Roberto Gallina had een voorkeur voor Sergio Pellandini. De Suzuki-fabriek hakte de knoop door en koos voor Boet van Dulmen. Tijdens de pauze tussen de Belgische- en de Britse GP testte van Dulmen een 1983-fabrieksracer, terwijl Pellandini een 1982-exemplaar kreeg. Aan het einde van het seizoen besloot Suzuki te stoppen met de inzet van een fabrieksteam. Mamola reed een matig seizoen. Hij finishte altijd in de top zeven, maar scoorde slechts vijf podiumplaatsen, nooit hoger dan de tweede plaats. Na het ernstige ongeval van Franco Uncini, die tijdens de TT van Assen aan zijn hoofd werd geraakt door Wayne Gardner, bleef Mamola als enige Suzuki-fabrieksrijder over. Hij sloot het seizoen af als derde in de eindstand.
1984 (HRC) Hoewel Suzuki officieel gestopt was, kreeg het team van Gallina nieuwe blokken terwijl het Britse Heron het moest doen met machines van 1982 en 1983. Mamola begon het seizoen 1984 zonder motoren. Pas na twee GP's wist hij zich in te kopen bij HRC, dat feitelijk al voorzien was met Freddie Spencer, Ron Haslam en Takazumi Katayama. Mamola kreeg wel volledige fabriekssteun, maar kon alleen een driecilinder Honda NS 500 leasen. In zijn eerste race, de GP van Spanje, versloeg hij zijn teamgenoten al door tweede te worden. In de GP van Oostenrijk reed hij op de tweede plaats, maar hij liet Honda's eerste man Spencer voorgaan. In de GP van Duitsland en de GP van Frankrijk werd hij derde, in de GP van Joegoslavië tweede en hij won de TT van Assen na een fel gevecht met Raymond Roche. In de GP van België werd hij tweede. Hij had al in Frankrijk met de viercilinder Honda NSR 500 getraind, maar in de Britse Grand Prix kreeg hij die machine om Eddie Lawson van de overwinning af te houden nu Spencer met een gebroken sleutelbeen thuis zat. Dat lukte, Mamola won voor Lawson, ondanks het feit dat hij in de 19e ronde een overstekende haas had doodgereden. Mamola klom naar de tweede plaats in het wereldkampioenschap. In de GP van Zweden ontbrak Spencer nog steeds en Mamola was nog de enige Honda-rijder die kans maakte op de wereldtitel. Hij startte weer met zijn NS 500 (beter geschikt voor het circuit), maar viel uit door carburatieproblemen. Daarmee ging de wereldtitel naar Yamaha-rijder Eddie Lawson. Die laatste miste tijdens de afsluitende GP van San Marino de motivatie om te winnen. Mamola won ook die race en sloot het WK voor de derde keer af als tweede. 1985 (HRC)