thumb|Oden som vandringsman (Odin de wandelaar), Georg von Rosen, 1886 thumb|Odin, zijn twee raven (Huginn en Muninn) en zijn twee wolven (Geri en Freki), Mary H. Foster, 1901 thumb|Odin bij de bron van Mimir, Robert Engels, 1903 thumb|Odin's offer, Lorenz Frølich, 1895 thumb|Odin rijdt op Sleipnir, manuscript uit de achttiende eeuw thumb|Odin rijdt Walhalla binnen op Sleipnir (Ardre image stone)thumb|Odin en twee vormen van de triquetra-vorm van de Valknut op de steen van Tängelgarda thumb|Odin en Sága thumb|Odin of Wodan, 1832 Odin (Oudnoords: Óðinn, Zweeds en Deens: Oden) wordt gezien als de oppergod of alvader in de Noordse mythologie. Deze vormen zijn afgeleid van Proto-Germaans *Wōdanaz, waaruit tevens Oudsaksisch Wōdan, Angelsaksisch Wōden, Oudnederlands Wuodan of *Wuotan, Oudfries *Wēda, Oudhoogduits Wōtan of Wōdan en Lombardisch Guodan.

Odin is de god van kennis, wijsheid, strijd, oorlog, het hiernamaals, magie, geneeskunst en het runenschrift.

De beschrijving van Odin stamt vooral uit de Gylfaginning, een vertelling van de IJslander Snorri Sturluson uit de 13e eeuw, waarin het christelijke perspectief overheerst. Oudere bronnen zoals de Poëtische Edda geven een minder eenduidig beeld.

Volgens Snorri woont hij in Gladsheimr maar verblijft ook regelmatig in Valaskjálf (Asgard) waar zijn zetel Hlidskjalf ruim uitzicht over de werelden biedt. Hij heeft daar nog een speciale hal Walhalla, met vele poorten en bedekt met schilden, waar hij alle eervol gesneuvelde en uitverkoren strijders ontvangt.

Behalve bij Frigg, zijn echtgenote, verwekte Odin ook kinderen bij andere vrouwen. Tot zijn zonen behoorden Donar, Baldr, de blinde Hodr (ook wel Hod of Hodur) en Sigi, de voorvader van het Völsung geslacht, waartoe ook Sigmund en diens zoon Siegfried behoorden. In de Proloog van de Proza-Edda worden nog Veggdegg, Saeming en Yngvi (Freyr) als zijn zonen genoemd. Met Fjorgyn (Aarde) heeft hij een zoon Thor en met een reuzin een zoon Vidar (God van de wraak), die hem in de eindstrijd zal wreken. Met Rindr (winterse bevroren aarde) heeft hij de zoon Vali.

Recente studies, met name van de Engelse taalkundige Richard North, suggereren dat de cultus van Odin / Wodan pas geruime tijd na de Volksverhuizingen zou zijn ontstaan. De god Odin zou dan de eigenschappen van eerdere goden, met name van de vruchtbaarheidsgod Yngvi, maar ook van de christelijke God, hebben overgenomen. Later zou hij door christelijke auteurs met terugwerkende kracht als een negatief of heidens spiegelbeeld van de christelijke god worden afgeschilderd. Met name Odins ophanging aan de levensboom spiegelt zowel de dood van Christus aan het kruis als de dood van de verrader Judas, die net als Odin hangend aan een boom werd afgebeeld.

De naam Odin De naam Wodan voor een vroegmiddeleeuwse oppergod was algemeen in Noordwest-Europa: hij werd in Noord-Europa als Odin weergeven. Wodan wordt doorgaans gelijkgesteld met de god Mercurius, zoals beschreven door Tacitus in zijn weergave van de inheemse goden. Mogelijk was de godheid Wodan in de Romeinse tijd echter nog niet bekend.

De naam is afgeleid van Protogermaans *wōdaz, in de betekenis van 'woede', 'boosheid' of 'extase'. De naam Odin is nauw verwant met die van een andere Noorse god, Óðr. Het Oudnoorse woord óðr duidt op 'woede' of 'razernij', maar ook op 'extase', 'dichtkunst' of zelfs 'universele wijsheid', verwant aan Oudengels wōð 'lied, gedicht' . Ten grondslag hieraan ligt vermoedelijk een Indoeuropees woord *wāth- dat verwijst naar 'emotionele opwinding', 'extase' en 'dichterlijke inspiratie'. Daarvan afgeleid zijn woorden als Latijn uātēs 'profeet, dichter', Oudiers fáith (idem) en fáth 'voorspelling', Welsh gwawd 'gedicht', maar ook 'wrok'. Odin wordt zodoende zowel met wijsheid (kennis, wijsheid, profetie, poëzie en literatuur) als met kracht (energie, strijd en oorlog) in verband gebracht.

In het Nederlands leeft de naam van de god voort in naam van de weekdag woensdag, Fries woansdei, Engels Wednesday (van Oudengels wōdnesdæġ), Skandinavisch onsdag (van Oudnoors óðinsdagr). Het Oudhoogduitse*wotanstag werd later onder invloed van kerkelijke zuiveringsbewegingen omgedoopt tot Mittwoch (Midweek).

Opperste kennis en wijsheid Odin was de meest begaafde onder hen en van hem leerden ze alle –althans de meeste- kunsten, want hij beheerste ze als eerste allemaal. En als men verklaren moet waarom Odin zozeer geëerd werd, dan was dat om de volgende redenen: als hij bij zijn vrienden zat, was hij zo mooi en indrukwekkend om te zien, dat het eenieder warm om het hart werd (Proza-Edda, Gylfaginning, 7).Snorri Sturluson, Over de noordse goden – Verhalen uit Edda en Heimskringla, vert. door P. Vermeydenuitg. Meulenhoff, 1983. .Odin is in de Edda het levend symbool van opperste macht en wijsheid. Hij is in die hoedanigheid zelf tot stand gekomen via de reus Ymir die aspecten van een levende plant kreeg waaruit allerlei wezens groeien zoals de reuzen Búri of Borr en Bestla die zelf Odin, Vili en Vé voortbrengen. De laatste drie scheppen samen Midgard, een wereld waar mensen kunnen leven. Als materiaal daarvoor gebruiken zij de oerreus Ymir, die door hen wordt opgeofferd. (De schedel van de reus wordt het uitspansel, gedragen door vier dwergen: noord, zuid, oost en west. De hersenen worden wolken, de botten gebergten enz. Alven veranderen het bloed van de reus in water en zee, en zijn vlees in aarde en klei.) Odin heeft veel gezichten en evenveel namen (in Grimnismal alleen al vijftig). Zo wordt hij ook Alvader genoemd, omdat hij een van de scheppers van de wereld is. Hij wordt eveneens 'de wandelaar' genoemd, omdat hij altijd onderweg is en tussen de mensen aanwezig, om nieuwe kennis op te doen. Hij kan van gedaante veranderen, en beleeft aldus vele avonturen. Hij heeft niet altijd even makkelijke karaktertrekjes, want behalve wijs is hij ook tegelijk sluw. thumb|Odin bij de bron van Mimir, John Angell James Brindley, 1893 Hij heeft een oog afgestaan aan de reus Mímir om van de bron van wijsheid te mogen drinken en dat ligt nu helemaal op de bodem van de bron. Die bron bevond zich op het gebied van Mímir, die er alle dagen van dronk en steeds tegen zichzelf schaak speelde. Odin mocht van de bron drinken, op voorwaarde dat hij er een prijs zou voor betalen. Odin zei dat hij er wel een oog wilde voor afstaan waarop Mímir hem zei dat dit dan ook de prijs was die hij vroeg. Mímir was echter niet kwaadwillend, hij wilde enkel aantonen dat wijsheid zijn prijs heeft. Hij verzorgde Odin dan ook zo goed mogelijk. Later, wanneer de oppergod terugkeerde naar de Asgard, werd hij vergezeld door Mímir, die voortaan de raadsheer van de goden zou zijn en regelmatig met Odin een spelletje schaak speelde. Aan dit avontuur hield Odin de naam "de Eenogige" over. Zijn kennis van de toekomst bedrukte Odin. Hij zat ook met de vraag waar hij alleen het antwoord op wist, de Odinsvraag. En de Germaanse mythologische cyclus was begonnen met een bloedbad toen Odin en zijn broers Vili en Vé, de mensenwereld uit het lijk van de vorstreus Ymir schiepen, en zou eindigen met het bloedbad Ragnarok, waar het bloed van de reuzen zelf zou vloeien. De proloog tot Ragnarok was de dood van Odins zoon Baldr, die de goden deed beseffen dat Loki’s listigheid een verduivelde macht was geworden. Odin kan de catastrofe niet voorkomen. Zijn enige troost ligt in de wetenschap dat Baldr als oppergod vereerd zal worden in een nieuw land dat uit de Oeroceaan zal oprijzen. Baldr komt over als een soort veredelde heruitgave van Odin: zonder zijn kleine kantjes. In de Völsunga-saga wordt verteld dat Odin zijn zwaard in de barnstok plantte, de eik in het hof van koning Völsung. Het zwaard was voor diegene die hem er uit kon trekken. Alleen Sigmund was daartoe in staat. Als Sigmund om jonkvrouw Hjördis (Siegfrieds moeder) strijdt met Lyngvi, een zoon van koning Hondenzoon, slaat Odin Sigmunds zwaard met een hellebaard in stukken, zodat Sigmund het onderspit delft. De stukken van Odins zwaard worden later door de dwerg Regin voor Siegfried aaneengesmeed en met dit zwaard, Gram, kan Sigmunds zoon Siegfried de draak Fafnir verslaan.

Odins offer Aldus vertelt Odin/Wodan hoe hij de runen der wijsheid verwierf:Ik weet dat ik hing aan een winderige boom, negen nachten lang, verwond door een speer aan Odin gegeven, ikzelf aan mijzelf, aan die stam waarvan niemand weet uit welke wortels hij groeit. Ik verkocht mezelf niet voor drank of brood, ik tuurde omlaag, ik nam de runen op, schreeuwend nam ik ze op, vervolgens viel ik eraf.

Ik leerde negen machtige spreuken van de befaamde zoon van Bölthor, de vader van Bestla, ik kreeg een dronk van de kostbare mede, gelepeld uit de ketel met de Gister der Geest.

Ik werd vruchtbaar en kreeg zaad, ik groeide en bloeide, het woord voerde mij van woord naar woord, de daad voerde mij van daad naar daad.

(Hávamál 138-141, vertaling Marcel Otten)Auteurs als Arnold Jan Scheer betogen dat het schenken van runen aan de mensheid het prototype was voor het schenken van letters van koek of later chocolade door de - deels naar Wodan/Odin gemodelleerde - Sinterklaas.

God van strijd en oorlog Odin is op vele manieren een strijder. Vooral met woorden. De woordkunst werd hoog aangeschreven in de noordse beschaving. Er was een doorgedreven debatcultuur, (waarbij de verliezer letterlijk het hoofd kwijt kon raken... ). Wodan is in principe geen godheid van de oorlog zoals Týr of Thor, die eerder verwant zijn aan andere Indo-Europese goden zoals Indra en Zeus. Onze voorouders riepen hem weliswaar aan in hun verdedigingsstrijd tegen de Romeinse agressors, toch is zijn karakter eerder die van een zwervende wijsheidszoeker, charmeur en schelm, een extatische sjamaanfiguur en patroon voor dichters en verhalenvertellers. Hij zet de mensen niet tot oorlog aan maar kiest wel partij, waarbij de kant die hij kiest over het algemeen de winnende partij betreft. Daarbij belichaamt hij de 'Wōdanaz', de extatische strijd.Als hij echter ten strijde trok, leek hij afschrikwekkend in de ogen van zijn vijanden. Dat kwam doordat hij de kunst verstond om op velerlei wijze van uiterlijk en gedaante te veranderen, al naar hem zinde. Ook kon hij zo vlot en goed praten dat eenieder die ernaar luisterde, dacht dat alleen dat de waarheid was. Hij zei alles in versvorm, zoals dat heden nog in de dichtkunst gebeurt. Hij en zijn priesters heten ‘versmakers’, want zij zijn in de noordse landen met die kunst begonnen (Proza Edda, Gylfaginning, 8).Odin stond vooral bij de Vikingen in hoog aanzien en zijn verering bereikte een hoogtepunt in de 8e en 9e eeuw. De ruige zeelieden en plunderaars voelden zich aangetrokken tot 'de vader der gesneuvelden', die in het Walhalla de Einherjar ('roemrijke doden') huisvestte. In deze periode kwam de eenogige Odin vermoedelijk als oppergod in de plaats van Týr, volgens de Romeinen de hemelgod van de Noord-Europese volkeren. Ook Tyr was een oorlogsgod, maar Odin bezielde de fanatiekste krijgers. Hij kon mannen in een staat van razernij brengen, zodat ze nergens bang voor waren en geen pijn meer voelden.Odin kon bewerken dat zijn vijanden in de slag blind, doof, of van angst vervuld werden, en dat hun wapens net zo scherp werden als bezems. Zijn mannen vochten zonder harnas en gedroegen zich als dolle honden of wolven, beten in hun schilden, waren sterk als beren of stieren. Ze doodden mensen, en vuur noch ijzer konden hen schaden. Zoiets wordt berserkerwoede genoemd (Proza Edda, Gylfaginning, 9).