thumb|right|350px|MCSNB 2888, het holotype van Eudimorphodon Eudimorphodon is een geslacht van uitgestorven vliegende reptielen (Pterosauria) behorend tot de groep van de Lonchognatha, waarvan vondsten uit het vroege Laat-Trias, rond 217 miljoen jaar geleden, zijn gedaan in Italië.
Eudimorphodon is bekend van een groter aantal fossielen die vanaf 1973 gevonden zijn. Op basis daarvan zijn binnen het geslacht drie soorten benoemd: E. ranzii, E. rosenfeldi en E. cromptonellus. E. rosenfeldi is in 2009 in een eigen geslacht geplaatst: Carniadactylus.
Eudimorphodon is een van de oudst bekende Pterosauria. Hij heeft verschillende kenmerken, zoals tanden met meer uitsteeksels en tanden in het verhemelte, die bij de meeste latere pterosauriërs ontbreken. Het is echter de vraag of dit oorspronkelijke kenmerken van de pterosauriërs zijn waarmee Eudimorphodon ons aanwijzingen zou verschaffen over de afkomst van die groep. De meeste geleerden denken dat het nieuwvormingen waren van Eudimorphodon, of diens nauwste verwanten binnen de Campylognathoididae, alleen. Andere kenmerken zijn: een langgerekte kop met vooraan lange grijptanden, meer achteraan een groot aantal kleinere veelpuntige tanden, en het bezit van een lange flexibele staart die wellicht als roer diende.
Eudimorphodon was een vrij klein roofdier met een vleugelspanwijdte van maximaal een meter. Hij wordt vaak gezien als een viseter maar het is ook mogelijk dat hij zich met insecten voedde.
Vondsten en naamgeving In 1973 werd door Mario Pandolfi, een medewerker van het natuurhistorisch museum van Bergamo, in de bergen bij die plaats, rond de vallei van de Seriana, een plaat leisteen gevonden, drieëntwintig bij vierentwintig centimeter groot, die na splitsing een vrijwel compleet fossiel toonde van een kleine pterosauriër. De nieuwe soort werd door Rocco Zambelli nog hetzelfde jaar de naam Eudimorphodon ranzii gegeven. De geslachtsnaam betekent 'ware tweevormige tand' vanuit het Klassiek Griekse eu, 'waar', di~, 'tweemaal', morphè, 'vorm' en odoon, 'tand'. De geslachtsnaam is ook een verwijzing naar de veel eerder gevonden Dimorphodon waarbij het dimorfisme van de tanden veel minder is. De soortaanduiding eert de bioloog Silvio Ranzi, professor zoölogie aan de Universiteit van Milaan.
Het fossiel, holotype MCSNB 2888, bestaat uit een vrijwel volledig in verband liggend skelet op een enkele plaat. De hersenpan, de uiteinden van de vleugels, delen van de achterpoten en de staart ontbreken. Het is gevonden in de Calcare di Zorzino, een laag uit het vroege Norien. In 1978 werd een tweede kleiner exemplaar uit dezelfde locatie vermeld, MCSNB 2887, bestaande uit delen van de ledematen, de ravenbeksbeenderen, enkele wervels en ribben. In 1993 is een derde, nog iets kleiner, exemplaar beschreven, bewaard op plaat en tegenplaat, MCSNB 8950a,b, gevonden in de Argilliti di Riva di Soltoformatie. Het bestaat uit de onderkaken, nek, delen van de vleugels en een deel van de romp en de staart. Het komt uit een iets jongere laag en is vermoedelijk een onvolgroeid individu. Beide kleinere exemplaren zijn aan E. ranzii toegewezen. Van dezelfde soort kan een fragmentarisch en uit verband liggende skelet zijn dat in juni 1994 bij Seefeld in Oostenrijks Tirol op de Rheiter Spitze is gevonden door Bernd Lammerer, BSP 1994 I 51. Dit dateert uit het Laat-Norien en is van een onvolwassen exemplaar dat tien tot vijfentwintig procent korter is dan het holotype. In 2015 werd het door Alexander Kellner benoemd als het aparte geslacht Austriadraco. Fragmentarische resten zijn verder MCSNB 3345, een enkele lange maxillaire tand en MPUM 7039, een borstbeen.
Na E. ranzii zijn er nog twee soorten aan het geslacht toegewezen. De eerste was E. rosenfeldi door Fabio Marco Dalla Vecchia beschreven in 1995 op grond van een fragmentarisch fossiel (MFSN 1797) uit Italië. E. rosenfeldi is echter in 2009 door Dalla Vecchia een eigen geslacht toegekend: Carniadactylus. De tweede is E. cromptonellus in 2001 beschreven door Farish Jenkins op grond van de vondst van een juveniel exemplaar (MGUH VP 3393) met een spanwijdte van ongeveer vierentwintig centimeter uit Groenland. De soortaanduiding eert zoöloog Alfred Crompton en is een verkleinwoord omdat het specimen zo klein is. In 2015 werd het door Alexander Kellner benoemd als het aparte geslacht Arcticodactylus.
Hiernaast bestaat er nog materiaal waarvan minder duidelijk is aan welke soort het zou kunnen toebehoren en dat dus maar is ingedeeld bij een nog onbepaalde Eudimorphodon sp.[ecies]. Dit betreft onder andere MFSN 21545, een specimen in 1997 in de Dolomieten gevonden, MFSN 26823 uit dezelfde locatie en MFSN 1922, bestaande uit fragmenten die Corrado Rosenfeld en Sergio Spizzamiglio in 1989 gevonden hebben op de vindplaats van E. rosenfeldi maar die, gezien dat feit en de algemene bouw van het exemplaar, wellicht ook aan Carniadactylus toebehoren; delen van de vlieghuid, inclusief verstevigende vezels, zijn bewaard gebleven. MFSN 21545 werd in 2019 benoemd als het aparte geslacht Seazzadactylus. In Luxemburg zijn in 1996 bij Syren, en verder bij Diekirch, tanden gevonden die op die van Eudimorphodon lijken maar die stammen uit het Rhaetien en zijn dus eigenlijk veel te jong. Hetzelfde geldt voor tanden die in 1915 bij Breitelen zijn gevonden in Zwitserland en in Frankrijk bij Saint-Nicolas-de-Port.
Beschrijving thumb|upright=1.7|Eudimorphodon moet een markante indruk gemaakt hebben De schedel van het holotype heeft een lengte van zesentachtig millimeter. Hij is langgerekt en spits toelopend. Er zijn geen sporen van een schedelkam gevonden maar die zou zich op de ontbrekende achterkant hebben kunnen bevinden. De oogkas is groot en rond. De schedelopening die daarvoor ligt, de fenestra antorbitalis, is half zo groot, kort en hoog. Het driehoekige neusgat is maar weinig kleiner en ligt ver naar achteren. De praemaxilla loopt naar achteren door tot boven de fenestra antorbitalis. De schedel is achteraan niet zo langwerpig met twee grote slaapvensters per zijde en een vrij recht staand quadratum dat een foramen heeft. Het jukbeen en het os postorbitale die de vier achterste openingen scheiden, zijn driestralig. De onderkaak, 74,5 millimeter lang, is plat en van onderen licht bollend. Vooraan buigt hij sterk naar beneden en verwijdt zich. left|thumb|380px|Het holotype is uitzonderlijk goed bewaard gebleven Een opvallend kenmerk van Eudimorphodon is de tandvorm, waarnaar ook de geslachtsnaam verwijst. Anders dan de meeste pterosauriërs die gelijkvormige conische tanden bezitten, heeft Eudimorphodon twee soorten tanden in de kaak. In de bovenkaak staan vooraan, ver uiteen, vier grote robuuste grijptanden in de praemaxilla. De voorste twee zijn gekromd en kegelvormig; ze staan schuin naar voren gericht. De vierde tand heeft dezelfde vorm maar is kleiner en schuin naar achter gericht. De derde tand is het kleinst, staat iets naar voren maar heeft een afwijkende vorm met drie punten of tubercula: de middelste is het langst; aan beide zijden staan twee parallel lopende maar kleinere punten. Diezelfde vorm hebben de voorste elf tanden in de maxilla, hoewel die veel kleiner zijn en langzaam naar achteren in grootte toenemen. De twaalfde en dertiende tand echter in de maxilla, dus de zestiende en zeventiende van de totale tandenrij, zijn gelegen onder het punt waar de maxilla naar boven toe tussen het neusgat en de fenestra antorbitalis uitgroeit. Hier loopt een krachtlijn door de bovenkaak zodat veel meer druk gezet kan worden. Deze tanden zijn dan ook veel groter, driemaal zo lang en tweemaal zo breed. Daar weer achter staan vermoedelijk een totaal van twaalf tanden die langzaam naar achteren in grootte afnemen. Deze achterste tanden hebben een derde tandvorm — de soort had dus treffender 'eutrimorphodon' geheten — met vijf tubercula: aan beide zijden bevindt zich nog eens een parallel lopende en opnieuw kortere punt. Bij BSP 1994 I 51 hebben sommige tanden een tussenvorm met vier punten. Alle tanden met meer punten zijn bij het holotype voorzien van verticale groeven maar bij de kleinere exemplaren is het oppervlak glad. Er staan dus 29 tanden in de bovenkaak, 58 in beide praemaxillae en maxillae in totaal. In de onderkaak staan vooraan twee gekromde kegelvormige grijptanden die groter zijn dan hun tegenhangers in de bovenkaak. De voorste is schuin naar voren gericht, de achterste schuin naar achter. Daar achter volgen 26 — de eerste beschrijvingen gingen uit van 24 — veelpuntige tanden die in morfologie lijken op de achterste tanden van de bovenkaak. Vooraan hebben ze opnieuw meestal drie punten, achteraan vijf punten. Deze eigenschap is kennelijk erg variabel: in het holotype heeft in de rechteronderkaak van de eerste elf veelpuntige tanden de negende vijf punten; in de linkeronderkaak echter heeft ook de vierde en de zesde tand vijf punten en is de tiende, niet de elfde, de laatste tand met drie punten. De tanden nemen langzaam naar achteren in grootte toe tot ze tegenover de afwijkende zestiende en zeventiende tand in de maxilla staan; daarna nemen ze iets in grootte af. Er staan dus achtentwintig tanden in de onderkaak, voor een totaal van honderdveertien. Althans wat de tanden in de kaken betreft; als zeer basaal kenmerk heeft Eudimorphodon namelijk ook nog pterygoïde tanden in het verhemelte. Kleinere exemplaren hebben soms niet meer dan dertien tanden in de onderkaak; het aantal nam tijdens de groei toe. Het holotype heeft als enige bekende exemplaar ribbels op het tandemail; misschien is ook dit een rijpingskenmerk. thumb|upright=1.7|MCSNB 8959 a,b Volgens een analyse van Peter Wellnhofer uit 1978 zijn er acht halswervels, twaalf borstwervels, twee lendenwervels en drie sacrale wervels. Er zijn twaalf paar ribben, bij het holotype voorzien van dubbele gewrichtsvlakken met de wervels; bij kleinere exemplaren hebben de achterste ribben echter een enkele gewrichtsvlak. De halswervels zijn ongeveer even lang als breed. Ze zijn voorzien van pneumatische foramina, gaten waardoor de luchtzakken zich in de wervelholten kunnen vertakken. Dit duidt op een effectief ademhalingssysteem en vermoedelijk warmbloedigheid en het bezit van een vacht. Alleen het kleinere exemplaar MCSNB 8950 toont de staart en die heeft minstens twintig staartwervels; Wellnhofer vermoedt dat er in totaal dertig tot veertig staartwervels waren. De basis van de staart heeft korte wervels voor een betere beweeglijkheid. Naar achteren toe verlengen de staartwervels zodat de lange staart, wellicht daartoe uitgerust met een vaantje, als richtingsroer kon dienen. Zeer lange verstijvende werveluitsteeksels zoals andere basale pterosauriërs bezitten, ontbreken echter. Die werden in 1978 wel door Rupert Wild gemeld van een specimen, MCSNB 3496, maar dat bleek later vermoedelijk een exemplaar van Peteinosaurus te zijn. Iets verlengde haemapofysen zijn aan de onderkant echter wel aanwezig bij BSP 1994 I 51.