thumb|De preambule van de capitulatie waarbij het kanton Bern in 1714 troepen verhuurt aan de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden Een capitulatie was een verdrag waarin kantons van de Statenbond Zwitserland een legereenheid verhuurden aan een soevereine staat. Capitulaties bestonden vanaf de 15e tot de 19e eeuw en werden overeengekomen met enkele tientallen landen. Ook sommige Zwitserse adellijke families verhuurden troepen, ondanks een verbod daarop. De contracten die zij daartoe sloten hadden niet de status van een verdrag; ze werden aangeduid als privaatcapitulaties.
De eerste capitulatie werd in 1480 overeengekomen met Frankrijk, een land dat ook het vaakst gebruikmaakte van Zwitserse troepen. De laatste capitulatie dateert van 1832 en werd afgesloten met de Kerkelijke Staat. In 1848 kwam de Zwitserse Grondwet tot stand die het overeenkomen van nieuwe capitulaties verbood. De vigerende verdragen hoefden niet te worden opgezegd, totdat de wet in 1859 werd aangescherpt. De enige capitulaties die op dat moment nog van kracht waren, betroffen legereenheden in het koninkrijk Napels. Die werden datzelfde jaar ontbonden.
Oorsprong Vanaf de late middeleeuwen speelden legers van huursoldaten een dominante rol in de oorlogsvoering tussen Europese landen. Aanvankelijk huurden de elkaar bestrijdende heersers soldaten in voor een of enkele acties, met een contractduur van enkele weken of maanden. Tegen het einde van de middeleeuwen kwamen militaire ondernemers op die hele compagnieën rekruteerden en aanboden aan de hoogste bieder. Zo verhuurden de Condottieri vanaf begin 13e tot halverwege de 15e eeuw hun legers aan de Italiaanse stadstaten. Andere militaire ondernemers formeerden hun leger vaak in opdracht van een land.
De Statenbond Zwitserland nam daarbij een uitzonderingspositie in. Zwitserland huurde geen vreemdelingen in omdat het als enige land beschikte over een leger van dienstplichtigen. Dienstplicht was de basis van het verdedigingssysteem van de Zwitserse kantons tegen de Habsburgse hertogen van Oostenrijk. Elk kanton had zijn eigen leger en door de successen die hun troepen tegen de Oostenrijkers boekten, hadden Zwitserse soldaten de naam onoverwinnelijk te zijn.
Als gevolg van de armoede in het land boden veel Zwitsers zich als huurling aan in andere landen. Ze werden 'Reisläufer' genoemd, een samenstelling van het middelhoogduitse 'Reise' (veldtocht) en 'laufen' (lopen). Zwitserse troepen waren in de 14e en 15e eeuw zeer gewild, waardoor de Reisläuferei zo'n omvang kreeg dat het land ontwricht dreigde te raken. Dat was in 1477 aanleiding voor de Zwitserse kantons om hun onderdanen te verbieden zich via een privébemiddelaar aan te bieden. De kantons namen de rol van bemiddelaar zelf op zich en verhuurden legereenheden met huurlingen uit hun kanton aan andere landen. De verdragen waarin de Zwitserse kantons de verhuur van hun legereenheden regelden kregen de naam capitulaties, naar de hoofdstukken (capitulas) waarin ze ingedeeld waren.
Ondanks het verbod sloten ook sommige adellijke Zwitserse families troepencontracten af met buitenlandse heersers. Voor deze clandestiene, maar gedoogde vrijkorpsen rekruteerden ze Reisläufer uit hun regio. De betreffende contracten werden aangeduid als privaatcapitulaties. Soms werden ze achteraf toch door de kantonale autoriteiten bekrachtigd en werd het contract omgezet in een verdrag.
Reikwijdte thumb|Militaire vlag van het kanton Bern In de capitulatie kwamen de partijen overeen waar de troepen zouden worden gelegerd en waarvoor ze konden worden ingezet. Daarnaast spraken ze af in welk kanton of welke kantons de manschappen gerekruteerd mochten worden. Rekrutering hield daarbij in dat de militairen onderdanen bleven van hun kanton en daarmee bleven vallen onder het kantonale recht. Gerechtelijke beslissingen werden genomen zonder het recht van beroep en konden zelfs niet door de hoogste instantie in het land dat de troepen inhuurde ongedaan worden gemaakt. Processen van vreemden tegen leden van het regiment dienden ook beslecht worden voor de Zwitserse krijgsraad. Ten slotte werd overeengekomen dat trommels, marsen en vlaggen hun 'eidgenossige' karakter zouden behouden.
De voorwaarden waaronder de verhuur van de troepen plaatsvond werden in de capitulatie in detail beschreven, met als belangrijkste elementen de soldij, de voeding, de verloven, de contractduur, de uniformen, de bewapening, de munitie, de medische zorg, de bevoorrading en de geloofsuitoefening. Verder werden de procedures voor het benoemen van functionarissen en commissies beschreven. Ook werd overeengekomen dat de manschappen niet mochten worden ingezet tegen landgenoten, niet in koloniën en niet op zee. Vaak bevatte de capitulatie ook een bepaling over wederzijdse hulp in het geval van een aanval op een van de contractpartners en werd het kanton het recht toegekend zijn troepen terug te roepen als dat nodig was.
De Zwitserse officieren hadden uitgebreide disciplinaire en administratieve bevoegdheden, waren verantwoordelijk voor hun eenheid en moesten maandelijks aan het kanton verslag uitbrengen over de voortgang van de dienst. Vanaf het einde van de 17e eeuw werden de contingenten gaandeweg niet slechts gerekruteerd voor de duur van een enkele campagne, maar werden het permanente troepen. De regimenten droegen daarbij de naam van hun commandant. De traditionele vlag met het Zwitserse witte kruis, kreeg naast de kleuren van het kanton eveneens de kleuren van de commandant, en vaak tevens een motto.
Bloeiperiode Zwitserse autoriteiten sloten capitulaties af met veel landen. Enkele belangrijke zijn Frankrijk, de Kerkelijke Staat en de Nederlanden. Frankrijk thumb|Uniform van het Zwitserse regiment van Erlach volgens het toepassingsdecreet van 1762. Het regiment dat 2400 manschappen telde, diende in Frankrijk van 1672 tot 1792. De eerste capitulatie werd in 1480 door de Eidgenossige Tagsatzung overeengekomen met koning Lodewijk XI van Frankrijk. Het betrof een troepenmacht van 5950 manschappen voetvolk en 400 ruiters, die werden ingezet in de Bourgondische Successieoorlog. Nadat de gevechten waren beëindigd werden ze ontslagen. Lodewijks opvolger Karel VIII sloot in 1497 een capitulatie af voor een Zwitserse lijfwacht, die de koning, zijn gezin en zijn paleizen moest bewaken. Deze permanente eenheid, die oorspronkelijk bestond uit ongeveer honderd soldaten, heette officieel Zwitserse Garde, maar kreeg de bijnaam 'Cent-suisses', in het Nederlands Hondertzwitsers.
In de periode van 1480 tot 1671 werden alle capitulaties, afgezien van twee capitulaties betreffende de Zwitserse Garde, afgesloten voor de duur van het conflict waarbij ze werden ingezet. Het waren er in totaal 54; soms waren er 10.000 tot zelfs 20.000 Zwitsers tegelijk in dienst van Frankrijk. De korte contractduur werd verlaten in 1671 toen koning Lodewijk XIV besloot over te gaan naar een staand leger met permanente huurregimenten. Het Bernse regiment van Erlach dat in 1672 aantrad, was het eerste van elf Zwitserse regimenten die tot de Franse Revolutie in dienst waren van de Franse koning.
Tijdens die periode leverde Frankrijk aan de Zwitserse kantons graan en zout, producten die de Zwitsers zelf nauwelijks, respectievelijk niet, bezaten. De Fransen wisten daarin een monopoliepositie op te bouwen. Ze betaalden genereuze Pensionen (jaarlijkse vergoedingen) aan kantonale overheden en machtige Zwitserse families. Op deze wijze konden ze politieke beslissingen beïnvloeden, Franse handelsbelangen beschermen, en toekomstige capitulaties zeker stellen. De Franse koningen wisten zo steeds een groot aantal Zwitserse compagnieën te contracteren en tegelijkertijd vijanden te dwarsbomen die ook capitulaties wilden afsluiten.
In 1792, na de Franse Revolutie, ontbonden de nieuwe Franse machthebbers de capitulaties en gingen geen nieuwe aan. Dertien jaar later sloot Napoleon Bonaparte wel weer capitulaties af. De vier Zwitserse regimenten die hij inhuurde, werden in 1814 en 1815 ontbonden. Tijdens de Restauratie besloot koning Lodewijk XVIII in 1815 om opnieuw Zwitserse troepen te contracteren. In 1830 kwamen tijdens de Julirevolutie 300 Zwitserse soldaten om bij de bestorming van de Tuilerieën. Daarop riepen de Zwitserse autoriteiten alle regimenten terug, waarmee – na 350 jaar waarin ruim 90 capitulaties werden afgesloten – definitief een einde kwam aan capitulaties met Frankrijk.
Kerkelijke Staat thumb|Een soldaat met het Julius-banier dat kanton Zug in 1512 ontving van Paus Julius II. Op het inzetstuk van het banier een afbeelding van de kruisafneming. Tekening uit 1521 van Urs Graf de Oude. Het tweede land waarmee de Zwitsers capitulaties afsloten was de Kerkelijke Staat. In navolging van de Franse koning Karel VIII kwam paus Julius II in 1505 een capitulatie overeen met de Tagsatzung betreffende een Zwitserse Garde die de paus en zijn paleis moest beschermen. Op 22 januari 1506 arriveerden 150 Zwitserse huurlingen na een reis van drie maanden in Rome. Ze werden verwelkomd door de paus die hen beëdigde en daarmee de pauselijke Zwitserse Garde stichtte.
Paus Julius II wilde de Fransen uit Italië verdrijven en richtte daartoe de Heilige Liga op. Hij sloot twee capitulaties af waarin hij gevechtstroepen huurde. De eerste werd geen succes: de betreffende legereenheid werd door hertog Karel III van Savoye de doorgang door zijn hertogdom verboden, daarbij gesteund door Franse troepen. Zonder Italië bereikt te hebben keerden ze huiswaarts en werden vervolgens ontbonden.
Meer geluk had Julius II met de capitulatie van 1512. De troepen die hij daarbij contracteerde waren 6000 man sterk, maar groeiden door vrijwilligers die zich aansloten tot 20.000 voor ze Italië bereikten. De Zwitsers hadden een belangrijk aandeel in de overwinning van de troepen van de Heilige Liga. De Franse legers werden in juli 1512 bij Pavia verslagen en trokken zich onder grote verliezen terug uit Italië. De Kerkelijke Staat bereikte hiermee zijn grootste omvang. De paus schonk als dank geborduurde banieren aan de kantons die soldaten geleverd hadden.
Ook opvolgers van Julius II sloten in de 16e eeuw capitulaties af voor gevechtsregimenten, zoals Leo X, Clemens VII en Paulus IV. Daarnaast kwamen ze capitulaties overeen voor Zwitserse Gardes die de pauselijke gouverneurs moesten beschermen van de steden die tot de Kerkelijke Staat behoorden. Het ging om Bologna (1542-1849), Ravenna (1550-1796), Perugia (1550-1556), Avignon (1573-1790), Ferrara (1598-1796) en Urbino (1631-1796). De capitulaties voor de pauselijke gouverneurs vervielen – voor zover ze nog geldig waren – in 1796, toen troepen van Napoleon Bonaparte de steden van de Kerkelijke Staat veroverden.
Tijdens de 17e en 18e eeuw sloot de Kerkelijke Staat geen capitulaties af voor regimenten. De laatste twee capitulaties voor gevechtstroepen werden in 1832 aangegaan door Paus Gregorius XVI. Het waren ook de laatste capitulaties die de Zwitsers met een ander land overeenkwamen. De Romeinse Republiek die op 9 februari 1849 werd geproclameerd schafte de pauselijke macht af, waardoor alle nog lopende capitulaties vervielen.
De Nederlanden De Staten-Generaal van de Republiek probeerden vanaf het einde van de 16e eeuw met protestantse kantons capitulaties af te sluiten, maar door Franse tegenwerking bleven deze pogingen zonder resultaat. De Staten weken uit naar privaatcapitulaties en huurden vrijkorpsen in, die min of meer in het geheim via Duitsland naar de Republiek reisden. Deze situatie duurde voort tot de Nederlandse ambassadeur bij de Zwitserse kantons, Pieter Valckenier, er aan het eind van de 17e eeuw in slaagde om de relatie van de Republiek met de protestantse kantons te verbeteren.