De gebroeders Jacob Neyts en Frans Neyts waren de promotoren van de Vlaamse opera in de Nederlanden in de achttiende eeuw.

Ouders en adoptie De Bruggelingen Jacques-Toussaint Neyts (Brugge, 14 juni 1727 - Boulogne-sur-Mer, 6 juli 1794) en François-Dominique Neyts (Kortrijk, 29 maart 1719 - Brugge, 28 november 1797) werden door hun tijdgenoot Pieter Ledoulx (1730-1807) beschreven als de eerste uytvinders der vlaemsche opera's ofte sangkundige tooneelspelen. Het meeste wat over het leven en vooral over de 'petite histoire' van Jacob en Frans Neyts bekend is, vindt zijn oorsprong in de biografische tekst die Ledoulx over hen schreef. Op het eerste gezicht lijkt Ledoulx hiervoor een betrouwbaar auteur. Hij was immers een tijdgenoot van de gebroeders Neyts en had ze wellicht persoonlijk gekend. Zijn mededelingen werden dan ook lange tijd kritiekloos overgenomen. Ledoulx had nochtans wel een voorliefde voor opgesmukte verhaaltjes die de test van een kritische controle nauwelijks kunnen doorstaan.

De ouders van de twee broers waren Antoine Cary en Marie Duchesne. De ouders overleden vroegtijdig (voor 1733) en de twee jongens werden geadopteerd door Thomas Neyts (Brugge, 1672-1737) en zijn echtgenote Margareta Lynch (1687 - Nijmegen, 1763), hun volle nicht.

Over de wettige ouders van de twee jongens is, buiten het feit dat ze bestaan hebben, ongeveer niets geweten. De vader was waarschijnlijk de zoon van de Antoine Cary die burgemeester van Oostende was, maar documenten die hierover zekerheid zouden geven, zijn tot hiertoe niet geproduceerd. Welk beroep oefende de vader uit? Was hij Ier gebleven, zo niet vrijlaat of poorter van een of andere stad geworden? Wanneer en waar werd hij geboren, huwde hij, overleed hij? Liet hij enig materieel goed aan de kinderen na? Niets hiervan is bekend. Over zijn vrouw is alleen bekend dat ze uit Brussel afkomstig was.

Over de families Thomas en Lynch is meer bekend. Etienne Lynch was op het einde van de zeventiende eeuw consul van de Engelse natie in Brugge geworden en huwde met zijn landgenote Anne Cary, ook als Kerwy in de parochieboeken ingeschreven. De kinderen Lynch burgerden uitstekend in. Dochter Johanna trouwde met een zoon uit een andere Engelse ingeweken familie, Frans Talbout († 1750) die schepen en burgemeester van het Brugse Vrije werd, en na het Brugse poorterschap te hebben aangenomen, in 1742 ook nog burgemeester van de raadsleden van de stad Brugge werd. De zoon Dominique Lynch werd schepen van de stad Brugge en in 1727 'commis van het nieuw gedelf van Plassendale naar Duinkerke'. Dit ambt was hem niet voordelig en hij eindigde in 1733 als onvermogende debiteur.

De dochter, Margareta Lynch, trouwde met de schepen van het Brugse Vrije Thomas-Maximiliaan Neyts, die vijftien jaar ouder was en voor haar een mooie partij betekende. Het ging om een eerder laattijdig huwelijk. Toen ze als 'praenobiles' op 13 augustus 1720 in de Onze-Lieve-Vrouwekerk in de echt verbonden werden, was Thomas 48 en de bruid 33. Een verstandshuwelijk wellicht en alvast een waar het verwekken van kinderen niet als een prioriteit gold of althans niet lukte.

De familie Neyts behoorde al verschillende generaties tot de rijke burgers van de stad Brugge en grootvader Jan Neyts had in Oostkamp, naast uitgestrekte bosgronden en zaailand, in 1662 de heerlijkheid Nieuwburg verworven en er een kasteel gebouwd, waar later veel zou over te doen zijn. De moeder van Thomas-Maximiliaan, Anna Spanoghe, behoorde tot een minstens even aanzienlijke familie en bracht onder meer de heerlijkheid Kleiem (Zuienkerke) in de familie Neyts. In 1678, naar aanleiding van haar overlijden, schonk haar broer Maximiliaan Spanoghe († 1680), laatste en ongehuwde mannelijke naamdrager, 'uut genegendheyd' de heerlijkheid aan zijn schoonbroer, haar weduwnaar Thomas Neyts senior.

Het gezin Neyts-Spanoghe telde vier kinderen en woonde in een notabel en schoon huis in de Mariastraat. De oudste zoon, Jan-Baptist, bestemd om zijn vader als feodaal erfgenaam op te volgen, werd licentiaat in de rechten. In de loop van het jaar 1700, nadat hij pas zijn overleden vader was opgevolgd, werd hij met enige plechtigheid lid van de keizerlijke hoofdgilde van kruisboogschutters van Sint-Joris, waar hij het register fier kon ondertekenen als heer van Cleyem en hoofdman van de gilde van Sint-Sebastiaan in Zuienkerke. Ook zijn jongere broer werd bij die gelegenheid lid van de Sint-Jorisgilde. Jan-Baptist kreeg niet lang de gelegenheid om van zijn status als familiehoofd te genieten want hij overleed, nog vrijgezel, op 15 november 1702. Een ongehuwde zuster Maria-Barbara overleed kort na hem. Een tweede zuster, Anna-Felicia († 1704), was gehuwd met Jacob-Bernardus Trappequiers († 1740). Thomas-Maximiliaan had voor het beroep gekozen dat voor de hand lag voor een jongere zoon van goeden huize: in 1700, nog vrijgezel, was hij legerkapitein. Kort nadien kwam grondige verandering in zijn leven.

Op enkele maanden tijd erfde hij eerst van zijn vader, kort daarop van zijn broer en zus. De heerlijkheid Nieuwburg, in de successie van zijn vader aan zijn zus Anna-Felicia toebedeeld, was niet meer voor hem bestemd, maar hij verhief onmiddellijk de andere lenen en was voortaan heer van Kleiem, Walcourt en Izenberge. Hij erfde vervolgens heel wat van zijn broer en zuster. Van Jan-Baptist waren dat hofsteden en gronden in Snaaskerke, Meetkerke, Klemskerke, Oostkamp en Beerst, naast een huis op de Sint-Gillisparochie in Brugge en een hele reeks renten en obligaties. Van zijn zus Maria-Barbara erfde hij hofsteden en gronden in Stene, Lapscheure, Zandvoorde en Oostkamp, benevens een dubbelhuis op het Walplein en weer een hele reeks renten en obligaties. Het lijkt er op dat Thomas-Maximiliaan voortaan een renteniersleven kon gaan leiden, aangevuld met activiteiten in overheidsdienst. Vanaf 1707 werd hij schepen van het Brugse Vrije en bleef dit tot aan zijn dood.

Adellijke kwaliteit van de gebroeders Neyts Thomas-Maximiliaan Neyts, vrijlaat onder het Ambacht Snellegem en schepen van het Brugse Vrije, werd in de adelstand verheven op 28 april 1722. Dit betekende maar een bevestiging van een bestaande toestand. Hij leefde immers al lang als edelman en werd ook meestal als edele heer of 'praenobilis' betiteld. Op 30 september 1733 was het de beurt aan Frans en Jacob Cary, van wie de adoptie door het echtpaar Neyts gehomologeerd werd. Het gevolg van deze adoptie en adelverheffing was, steeds volgens Ledoulx, dat Frans Neyts-Cary, die toen amper 14 was, uit Cadiz werd teruggeroepen waar hij was heen gestuurd om er op eenen koopmanscomptoir den koophandel te leeren. Zijn broer Jacob, toen 6 jaar, liep in Brugge school bij de paters augustijnen om te leeren lezen en schrijven en dan de latinsche taele te leeren. Beiden zouden voortaan een voordere opvoedinge krijgen in al het gone eygen is aen eenen edelman.

Wat in de daaropvolgende jaren die opvoeding inhield, is niet bekend. Dat de jonge heren in een statig herenhuis in Brugge woonden is waarschijnlijk. Dat de zomermaanden op het kasteelgoed Kleiem in Zuienkerke werden doorgebracht, praktisch zeker. Daar vonden ze naast het omwald kasteeltje met ophaalbrug, een grote hoeve, en een vogelrie, zwanerie en visscherie, terwijl ze hun vader konden vergezellen naar de bijeenkomsten aan de vlakbij gelegen schietpers van de schutters van Sint-Sebastiaan, waarvan de heer van Kleiem de verplichting had de hoofdman te zijn. Misschien had Neyts ook nog in Izenberge en in Walcourt een optrekje. Normaal zullen de jongens verder school gelopen hebben, wellicht bij de augustijnen en bijzondere lessen gekregen hebben (muziek, schermen, paardrijden, houding en goede manieren, enzovoort) aangepast aan hun stand. Niet voor lang echter.

Einde van de mooie droom Er kwam immers een dubbele kink in de kabel. Op 9 september 1737 overleed Thomas-Maximiliaan Neyts en werd zijn stoffelijk overschot bijgezet bij zijn ouders, in het familiegraf van de Spanoghes in de Onze-Lieve-Vrouwkerk. De weduwe ging met haar twee zoons (toen 18 en 10 jaar oud) en haar dienstmeid, iets soberder wonen in een burgerhuis in de Hoornstraat.

Ze waagde zich toen aan een jarenlang proces, dat ze verloor en dat haar het grootste deel kostte van wat haar echtgenoot haar had nagelaten, zo niet zelfs alles. Het proces had betrekking op de eigendomsrechten over het leengoed en kasteel Nieuwburg in Oostkamp. Jan Neyts, de grootvader van Thomas, die er in 1662 eigenaar was van geworden, had het vroegere "speelhof", dat gedurende tweehonderd jaar een van de buitenverblijven was geweest van de familie Adornes, tot kasteel uitgebouwd. Bij de verdeling na het overlijden van Thomas Neyts senior (21 januari 1700) was de heerlijkheid Nieuwburg ten deel gevallen aan zijn dochter Anna-Isabella Trappequiers-Neyts. Bij de snel op elkaar volgende verdelingen zowel van de vader, als van Jan-Baptist en Maria-Barbara Neyts, koos Anna Neyts zoveel mogelijk voor de allodiale eigendommen in Oostkamp, die samen met de feodale heerlijkheid een economische eenheid vormden. Na haar vroegtijdige dood, en bij de verdeling tussen haar twee dochters, ging de feodale erfenis over op haar dochter Isabelle Claesman-Trappequiers. Zo was de burgemeester van het Brugse Vrije Albert Claesman († 1750), heer van Vyve en sedert 1735 baron van Male, namens zijn vrouw de leenhouder en eigenaar van Nieuwburg geworden. De man tegen wie Margareta Neyts-Lynch het opnam, was een van de invloedrijkste gezagdragers van het ogenblik en was net aan het bouwen begonnen van een weelderige stadsresidentie in de Sint-Jakobsstraat. Lag de oorzaak van het geschil eventueel bij hem, of was het als een tegenzet dat Claesman, in naam van zijn vrouw, zich als apparenten hoir universeel had opgeworpen na het overlijden van Thomas Neyts? Hij had daaraan later wel verzaakt, maar zijn vordering zal ook wel een rol in het geschil gespeeld hebben.

Dit geschil liep dus over Nieuwburg. De weduwe Neyts verdedigde de stelling dat een heerlijkheid niet aan een vrouwelijke erfgename had mogen toegewezen worden en eerst aan Jan-Baptist en vervolgens aan haar man als hoir feodaal had moeten ten deel vallen. Of misschien bepleitte ze dat na het vroegtijdig overlijden in 1704 van Anna Neyts, dit leen naar de familie Neyts had moeten terugkeren, in de persoon van de enige overlevende broer, Thomas-Maximiliaan. Maar Margareta Lynch had blijkbaar onvoldoende goede argumenten. Volgens Ledoulx liep dit uit op haar ruïne en werden al haar eigendommen (volgens hem voor een waarde van veertien duizend ponden groot, hetzij circa 85.000 gulden) in beslag genomen en verkocht, in betaling van de hoge gerechtskosten.