Seksueel consent (ook wel instemming, toestemming of wederzijds goedvinden genoemd) speelt een belangrijke rol in wetgeving betreffende verkrachting, aanranding en andere vormen van seksueel geweld. In een rechtszaak kan de vraag of het vermeende slachtoffer al dan niet vrijwillig consent heeft gegeven en of hen al dan niet werd geacht om toestemming te kunnen geven bepalen of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan verkrachting, aanranding of enige andere vorm van seksueel grensoverschrijdend gedrag.

Hoewel veel jurisdicties niet definiëren wat toestemming is, hebben bijna alle jurisdicties in de wereld een seksuele meerderjarigheid (Engels: age of consent) bepaald. Mensen onder die leeftijd worden als kinderen beschouwd en niet in staat geacht om in te stemmen met seksuele handelingen; het aangaan van seks met hen is derhalve strafbaar (zie verder seksueel misbruik). Veel jurisdicties stellen ook voorwaarden waaronder volwassenen niet in staat worden geacht om in te stemmen, zoals slaap of bewusteloosheid, bedwelmd zijn door alcohol of een andere drug, een geestelijke of lichamelijke handicap, of oplichting over de aard van de handeling of de identiteit van de verdachter (verkrachting door oplichting). De meeste meningsverschillen gaan over de vraag of de verkrachtingwetgeving inzake anderszins gezonde volwassenen die in staat worden geacht tot consent geven gebaseerd moet zijn op de factor dat zij geen bevestigende toestemming hebben gegeven voor het hebben van seks of gebaseerd moet zijn op de factor dat zij werden gedwongen door geweld of intimidatie om seks te hebben. Sommige wetgeving bepaalt dat, zolang er geen dwang tegen hen wordt gebruikt, mensen altijd automatisch instemmen met seks (geïmpliceerd consent), terwijl andere wetten bepalen dat het geven of weigeren van consent iets is dat alleen capabele individuen uit eigen beweging kunnen doen (vrij gegeven of bevestigend consent). In de jaren 2000 en 2010 is een verschuiving opgetreden ten gunste van op instemming gebaseerde (consent-based) wetgeving, die steeds meer werd beschouwd als een betere garantie voor de rechtsbescherming van (potentiële) slachtoffers van seksueel geweld.

Coercion-based versus consent-based wetgeving In de rechtsfilosofie zijn er twee hoofdmodellen voor wetgeving tegen verkrachting en andere vormen van seksueel geweld: Het coercion-based model (gebaseerd op dwang) 'vereist dat de seksuele handeling moet zijn verricht door middel van dwang, geweld, fysieke kracht of het dreigement van geweld of fysieke kracht om als verkrachting te kunnen worden beschouwd'; Het consent-based model (gebaseerd op instemming) 'vereist dat, om een handeling als verkrachting te kunnen beschouwen, er een seksuele handeling moet hebben plaatsgevonden waarmee de ander niet heeft ingestemd'.

Het belangrijkste voordeel aan het coercion-based model is dat dit model het moeilijk maakt om iemand valselijk van verkrachting of aanranding te beschuldigen en daarom een degelijke bescherming biedt voor de juridische positie en sociale reputatie van verdachten die onschuldig zijn. Deze gedachtegang (die minstens teruggaat tot de 18e eeuw) stamt uit een tijd waarin seks werd gezien als een privézaak waarin de staat en de samenleving doorgaans zich niet mee moesten bemoeien en waarin zorgen over seksueel geweld hoofdzakelijk beperkt waren tot de verkrachting van vrouwen door mannen, dat in de eerste plaats werd gezien als een schending van de openbare zeden, vooral die van de familie van het vrouwelijke slachtoffer (haar vader, echtgenoot of meester). In de decennia van de late 20e en vroege 21e eeuw verschoof de focus van seksueel geweld richting individuele seksuele vrijheid, de reikwijdte verbreedde naar meer dan alleen geslachtsgemeenschap, de groep potentiële slachtoffers en daders werd uitgebreid naar alle genders, er werd erkend dat verdachten zowel vreemden als bekenden en zelfs mensen die heel dicht bij slachtoffers stonden konden zijn (zelfs partners en echtgenoten), terwijl de sociale en juridische opvattingen zijn verschoven richting actievere interventie vanuit de staat en de samenleving om seksueel geweld aan te pakken en gerechtigheid te verkrijgen. Individuen en mensenrechtenorganisaties hebben het coercion-based model steeds vaker bekritiseerd om een aantal redenen, zoals de vereiste dat het slachtoffer zich actief verzet tegen een poging tot verkrachting of aanranding (waarmee gevallen waarin slachtoffers bewusteloos, dronken, slapend of verlamd ('bevroren') zijn door angst of een andere staat van hulpeloosheid, en derhalve niet in staat om zich te verzetten tegen een poging tot verkrachting of aanranding) of de vereiste om bepaalde kleding niet te dragen om zo geen seksueel geweld 'uit te lokken' (waarmee de verantwoordelijkheid voor de misdaad van de dader wordt afgeschoven op het slachtoffer) of de focus op fysiek geweld (zodat gevallen buiten beschouwing worden gelaten waarbij een dader weinig of geen fysiek geweld hoeft te gebruiken om het seksuele geweld te plegen, bijvoorbeeld als het slachtoffer bewusteloos, dronken, slapend of 'bevroren' is; tevens wordt hierbij de mentale en psychologische schade die seksueel geweld aanricht vergeten). Het consent-based model wordt daarom bepleit als een beter alternatief voor een sterkere juridische bescherming van slachtoffers en om een grotere verantwoordelijkheid te leggen bij potentiële daders om, voorafgaand aan het hebben van seks, actief te verifiëren of falsifiëren of een potentieel slachtoffer daadwerkelijk instemt met het hebben van seks of niet, en zich ervan te onthouden zolang er geen instemming is gegeven.

Internationale normen, definities en jurisprudentie Anno 2018 was er een groeiende consensus in het internationaal recht dat het consent-based model de voorkeur verdient. Dit is onder meer bepleit door het CEDAW-Comité,Bijvoorbeeld in zijn General recommendation No. 35 van 2017, Part IV, recommendation no. #33: 'Ensure that the definition of sexual crimes, including marital and acquaintance/date rape is based on lack of freely given consent, and takes account of coercive circumstances.' het UN Handbook for Legislation on Violence against Women, het Internationaal Strafhof in Den Haag en de Istanbul-Conventie. Er was echter op internationaal vlak nog geen overeenstemming over een juridische definitie van wat seksuele instemming precies is; in mensenrechteninstrumenten ontbraken dergelijke definities nog. Artikel 36 van de Istanbul-Conventie bepaalt wel: 'De toestemming dient vrijwillig te zijn gegeven en voort te vloeien uit de vrije wil van de betrokken persoon hetgeen wordt vastgesteld in het licht van de omstandigheden'. Regel 70 van de Rules of Procedure and Evidence (gepubliceerd in 2002) van het Internationaal Strafhof (dat zich bezighoudt met militaire conflicten tussen staten) geeft ook een overzicht van ongeldige manieren die verdachten kunnen proberen te gebruiken om te beweren dat zij seksuele instemming hadden verkregen:

Regel 70: Principes van bewijs in zaken van seksueel geweld In zaken van seksueel geweld zal het Hof geleid worden door de volgende principes en deze, waar gepast, toepassen: (a) Instemming kan niet worden afgeleid aan de hand van woorden of gedrag van een slachtoffer als fysieke kracht, dreiging van fysieke kracht, dwang of het misbruiken van een gedwongen toestand het vermogen van het slachtoffer om vrijwillige en oprechte instemming te geven ondermijnt; (b) Instemming kan niet worden afgeleid aan de hand van woorden of gedrag van een slachtoffer wanneer het slachtoffer niet in staat is om oprechte instemming te geven; (c) Instemming kan niet worden afgeleid aan de hand van het zwijgen van, of het gebrek aan verzet door, een slachtoffer van het vermeende seksuele geweld; (d) De geloofwaardigheid, het karakter of de neiging tot seksuele beschikbaarheid van een slachtoffer of getuige kan niet worden afgeleid uit de seksuele aard of het voorafgaande of daaropvolgende gedrag van een slachtoffer of getuige.

thumb|Staatsdeelnames in het Verdrag van Belém do Pará, het Maputo-Protocol en de Istanbul-Conventie samen. In 2003 bepaalde het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) dat alle 47 lidstaten van de Raad van Europa een consent-based aanpak dienden te hanteren in gevallen van seksueel geweld op grond van Artikel 3 en 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Dit was het resultaat van zijn uitspraak in de rechtszaak van M.C. tegen Bulgarije, namelijk: 'In overeenstemming met hedendaagse normen en ontwikkelingen op dit vlak, moeten de actieve plichten van de Lidstaten per Artikel 3 en 8 van het Verdrag worden gezien als een vereiste dat iedere niet-ingestemde seksuele handeling wordt bestraft en effectief veroordeeld, inclusief gevallen waarbij het slachtoffer geen fysiek verzet biedt.'

Het Protocol bij het Afrikaans Handvest over mensen- en volkenrechten over de rechten van de vrouw in Afrika (Maputo-Protocol) werd in 2003 aangenomen door de Afrikaanse Unie (AU). Dit protocol, dat in 2005 in werking trad, bepaalt dat 'deelnemende Staten de nodige en effectieve maatregelen zullen nemen om wetten aan te nemen en te handhaven die alle vormen van geweld tegen vrouwen verbieden, inclusief ongewilde of gedwongen seks, ongeacht of dit geweld privé of publiek plaatsvindt.' Daarmee werd 'ongewilde seks' apart van 'gedwongen seks' erkend als een vorm van geweld tegen vrouwen die effectief verboden dient te worden door alle 55 lidstaten van de Afrikaanse Unie.

In de rechtszaak van de Miguel Castro-Castrogevangenis tegen Peru (2006), die van toepassing was op alle 35 lidstaten van de Organisatie van Amerikaanse Staten, verklaarde het Inter-Amerikaans Hof voor de Rechten van de Mens het volgende: 'In lijn met de internationale jurisprudentie en inachtnemend wat er is bepaald in het Verdrag [van Belém do Pará] Inzake de Preventie, Bestraffing en Uitbanning van Geweld tegen Vrouwen, oordeelt het Hof dat seksueel geweld bestaat uit handelingen van seksuele aard die worden gepleegd tegen een persoon zonder diens instemming (...)'.

De Istanbul-Conventie uit 2011 (volledige naam: 'Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld') bevat een consent-based definitie van seksueel geweld in Artikel 36. Dit bepaalt dat alle deelnemende staten die de Conventie hebben geratificeerd hun wetgeving dienen aan te passen van een coercion-based naar een consent-based model als ze dat nog niet hebben. Sinds de Istanbul-Conventie op 1 augustus 2014 in werking trad, hebben sommige deelnemende staten hun taak vervuld om hun wetgeving tegen seksueel geweld aan te passen; in april 2020 waren er nog 26 staten die dat nog niet gedaan hadden terwijl twaalf ondertekenende staten de Conventie nog dienden te ratificeren. België heeft al sinds 1989 een consent-based definitie, de Republiek Ierland al sinds 1981, met een extra amendement in februari 2017. De vier constituente landen van het Verenigd Koninkrijk, namelijk Engeland en Wales (een jurisdictie), Noord-Ierland en Schotland, hebben afzonderlijk van elkaar in de jaren 2000 wetgeving op basis van instemming ingevoerd, hoewel het VK de Conventie anno 2018 nog niet had geratificeerd. In 2013 respectievelijk 2016 hebben Kroatië en Oostenrijk aparte wetten ingevoerd voor seksueel geweld dat is gepleegd middels dwang en seksueel geweld dat is gepleegd middels gebrek aan instemming; het laatste wordt behandeld als een minder zware misdaad en er staat een lagere maximumstraf op.

Landen die van coercion-based naar consent-based wetten zijn overgegaan Istanbul-Conventie-landen thumb|400px|Europees overzicht van wetten inzake seksueel consent. 1981: Republiek Ierland (amendement in februari 2017) 4 juli 1989: België. Artikel 375 van het Strafwetboek, in 2022 vervangen door artikel 417/5. Zie :#Wetgeving in België. 2000–2010: Constituente landen van het Verenigd Koninkrijk: 2003: Engeland en Wales