De economie van nazi-Duitsland behelst de economie van Duitsland, vanaf het interbellum en de machtsovername door Adolf Hitler, tot aan de munthervorming en het wirtschaftswunder na de capitulatie.

Vanaf 1933 probeerde het naziregime de Duitse economie nieuw leven in te blazen, en de voorwaarden van het Verdrag van Versailles te omzeilen. Halverwege de jaren 1930 werd door de nazileiding de economische autarkie in het Duitse Rijk uitgeroepen, maar op de achtergrond werd een oorlogseconomie voorbereid, waarbij het leger en vertegenwoordigers van het Duitse bedrijfsleven betrokken waren. Het aanvankelijk ondeugdelijke en later misdadige monetaire beleid leidde voor het uitbreken van de oorlog tot een enorm begrotingstekort, dat nazi-Duitsland probeerde tegen te gaan met dwingende regelgevende maatregelen en geldschepping door de Reichsbank. In de loop van de oorlog werden de middelen van de veroverde Europese gebieden systematisch uitgebuit via roof, dwangarbeid, bezettingheffingen en verbeurdverklaringen. miniatuur|De ontwikkeling van het Bruto Nationaal Product tussen 1930 en 1950. miniatuur|Werk aan de Autobahnbrücke over de Saale bij Hof (ca. 1940). De Autobahn was een prestigeobject en propagandastunt voor de nazi's, en hielp de werkloosheid, met name onder ongeschoolde arbeiders, sterk dalen. Economisch en militair was het effect echter beperkt.

Voorgeschiedenis tot aan de machtsgreep De gevolgen van de Eerste Wereldoorlog voor de Duitse economie De Eerste Wereldoorlog verschilde van eerdere Europese oorlogen doordat het de eerste oorlog was die plaatsvond tussen grotendeels geïndustrialiseerde landen. Het economisch potentieel van de deelnemende staten werd daardoor ook doorslaggevend voor de uitkomst van de oorlog.Friedrich-Wilhelm Henning: Das industrialisierte Deutschland 1914 bis 1976. Tweede druk. Paderborn 1974, p. 32. Het Duitse oorlogseconomische beleid tijdens de Eerste Wereldoorlog had vier fundamentele doelen:

De productie van voldoende oorlogsmaterieel (munitie, wapens, andere uitrusting) voor de nieuwe vorm van oorlogvoering, plus strategisch gekozen veldslagen met als doel om de aanvoer van grondstoffen veilig te stellen. De verdeling van mankracht tussen het leger en de (oorlogs)economie, in het bijzonder wapenfabrieken, om beide functioneel te houden. Het handhaven van sociale vrede door de belangen van ondernemers, arbeiders en de krijgsmacht in evenwicht te brengen. De voedselzekerheid veilig stellen, ondanks de economische blokkade die door de geallieerden van de Eerste Wereldoorlog was opgelegd.

De verschillende overheidsinterventies hebben geen van deze problemen opgelost. Aan het einde van de Eerste Wereldoorlog vormden alle individuele problemen samen een allesomvattende crisis waarin sociale kwesties voorop stonden.

Daarnaast waren er de problemen die ontstonden door het financiële beleid: in 1918 bedroegen de oorlogsuitgaven van het Reich 50 miljard Reichsmark. Dat was meer dan elf keer de rijksuitgaven in het laatste vredesjaar. Omdat om verschillende redenen, waaronder de wens tot handhaving van de sociale vrede, de financiering van de oorlog niet via belastingen, maar door middel van leningen plaatsvond, vonden vanaf het begin massale interventies in de financiële sector plaats. Bovendien had deze aanpak alle negatieve gevolgen die we kennen van een op schulden gebaseerde economie.Friedrich-Wilhelm Henning: Das industrialisierte Deutschland 1914 bis 1976. Tweede druk. Paderborn 1974, p. 42-43.

Duitsland in het interbellum miniatuur|Duitse gebiedsverliezen als gevolg van de nederlaag in de Eerste Wereldoorlog.

Na de Eerste Wereldoorlog werden aan Duitsland herstelbetalingen opgelegd, op basis van het Oorlogsschuldartikel 231 van het Verdrag van Versailles. De duur en de hoogte van de betalingen werden niet in het verdrag vastgelegd, maar zouden worden vastgesteld door een commissie met een verreikende controlefunctie, zonder Duitse deelname. Deze commissie moest het economische vermogen van Duitsland bepalen.

Volgens de inzichten van de 21e eeuw zijn de Duitse herstelbetalingen zelfs in de zwaarste jaren van de Weimarrepubliek geen serieuze hindernis voor de economische wederopbouw na de verloren oorlog geweest, maar zij waren verbonden met het Duitse Oorlogsschuldendebat en maakten de Duitse economie afhankelijk van kredieten van de Verenigde Staten. In 2010 betaalde Duitsland zijn laatste schulden af uit de Eerste Wereldoorlog. Germany ends World War One reparations after 92 years with £59m final payment, Daily Mail, 29 september 2010. Gearchiveerd op 26 januari 2023.

Wereldwijde economische crisis en inflatie in de Weimarrepubliek

Het Verdrag van Versailles voorzag in territoriaal verlies aan de kant van Duitsland, wat de mogelijkheden van zelfvoorziening binnen de grenzen en met een gelijktijdige bevolkingsgroei verminderde. Het gebiedsverlies kwam overeen met 75% van de Duitse ijzerertsproductie, 26% van de loodproductie en 7% van de industriële bedrijven. Verder vielen de landbouwoverschotten in West-Pruisen en Posen en alle koloniale gebieden weg. Zolang de wereldhandel intact was, kon de vraag naar landbouw- en productiegoederen worden gecompenseerd door import. De "Grote Depressie" die in oktober 1929 uitbrak, veroorzaakte echter een ineenstorting van de internationale handel, evenals de terugtrekking van buitenlandse obligaties en kredieten.

Het is waar dat de invoer sneller daalde dan de uitvoer en dus op korte termijn tot een positieve buitenlandse handelsbalans leidde, wat ook bijdroeg aan deflatie. Maar het totale volume van de wereldhandel liep sterk terug. Het dalen van wereldhandelsvolume en daarmee het krimpen van export resulteerde in een toename van werkloosheid. De resulterende daling van de koopkracht leidde tot een daling van de binnenlandse vraag, die samen met een daling van binnenlandse handel leidde tot meer werkloosheid. Deze cyclus werd versneld door deflatie, aangezien het in feite een reële loonsverhoging, en dus hogere loonkosten, betekende en extra werkloosheid veroorzaakte. Die steeg tussen 1928 en 1932 van zeven naar dertig procent.

thumb|De Duitse rijkskanselier Franz von Papen en zijn minister van Oorlog en latere opvolger generaal Kurt von Schleicher bij een paardenrace in Berlijn-Karlshorst in 1932.

Vanaf augustus 1932 probeerde de regering onder Franz von Papen de werkloosheid terug te dringen door bedrijven te motiveren om te investeren en extra werkgelegenheid te scheppen. Daartoe werden de ondernemers via zogenaamde Steuergutscheinen beloond met bonussen bij het betalen van hun belastingen, en als ze hun personeelsbestand uitbreidden (deze tweede pijler van het motiveren van ondernemers door middel van belastingvoordelen werd door ondernemers echter nauwelijks gebruikt). De stimulans voor de economie was aanvankelijk zwak en het gehoopte economisch herstel werd nog niet bereikt. Pas in december 1932 publiceerde de opvolgende regering-Schleicher openbare werkgelegenheidsprogramma's.Detlev Humann: Arbeitsschlacht. Arbeitsbeschaffung und Propaganda in der NS-Zeit 1933-1939. Göttingen 2011, p. 51: "Papen nam echter nog steeds niet de noodzakelijke stap om de crisis rechtstreeks te bestrijden, maar hield in plaats daarvan vast aan de klassieke benadering, volgens welke overheidsinterventie beperkt zou moeten blijven tot het helpen van de particuliere sector om zichzelf te helpen. von Schleicher brak uiteindelijk met deze houding [...] " De werkloosheid steeg vanaf augustus 1932 niet verder (zes miljoen geregistreerde werklozen), met een lichte daling na de aankondiging van het 'Papenplan' (verordening inzake de revitalisering van de economie van 4 september 1932) en een halvering tegen het einde van 1934 (nog exclusief de invloed van uitgaven voor bewapening). Het Reinhardt-plan, dat vanaf 1932 door de regering werd gelanceerd, leverde ook een bijdrage. Dit was een tewerkstellings- en belastingsverlagingsprogramma, dat de nazi's na de machtsovername enorm uitbreidden, maar in feite een voortzetting was van het belastingbeleid van de Weimarrepubliek.

Ideologische benaderingen Economische concepten van de ‘hervormers' en de NSDAP Een breed scala van mensen uit het bedrijfsleven, de financiële wereld, de wetenschap en de pers reageerden op de negatieve effecten van de wereldwijde economische crisis met de ontwikkeling en presentatie van nationale concepten.

Bepaalde hervormers (ze noemden zichzelf ook "Reformer") beschouwden het zelfregulerende, liberale op vraag en aanbod gebaseerde concept van de wereldeconomie als mislukt. De vraag naar autarkie om zich los te maken van toekomstige knelpunten werd steeds belangrijker. Daarbij moest de actieradius echter worden uitgebreid tot buiten de bestaande grenzen van het rijk. Wereldwijd vormden zich afgebakende handelsblokken, waarbij Engeland en Frankrijk hun eigen blokken vormden met hun koloniën. In de plannen van de zogeheten hervormers diende zich een verbinding aan met de Baltische staten, Oostenrijk, Oost-Europa en de Balkanlanden. Dit gebied wordt met verschillende variaties ‘Zwischeneuropa (tussen-Europa) genoemd. Sinds de Poolse opstanden van de 19e eeuw (1831 en 1863), maar vooral in het interbellum, werden de staten in Oost-Europa (en Zuidoost-Europa) tussen Duitsland (evenals Oostenrijk) en Rusland of de Sovjet-Unie met Zwischeneuropa-Staten aangeduid. Binnen dit gebied zouden landbouwproducten, grondstoffen en industriële goederen belastingvrij moeten worden uitgewisseld en moest de productie worden gecontroleerd door de overheid. Duitsland moest de suprematie krijgen. De wereldeconomie moest worden vervangen door een supranationale regionale economie (in het Duits: Großraumwirtschaft of Großwirtschaftsraum).

De term autarkie werd vaak in één adem gebruikt met de termen Großwirtschaftsraum en Lebensraum. Midden-Europa, Großwirtschaftsraum, autarkie en Lebensraum vormden volgens de historicus Bernd-Jürgen Wendt het "gemeenschappelijke programmatische kader" waarbinnen de nazi's en de traditionele elites in de economie, bureaucratie en leger elkaar vonden en dat de overgang van de Weimarrepubliek naar het Derde Rijk relatief rimpelloos deed verlopen. Deze begrippen waren vaag en multi-interpretabel en verhulden zo diepgaande verschillen. De traditionele elites hoopten op het juiste moment toch nog de buitenlandse politiek in de goede richting te kunnen ombuigen en radicale 'rassenideologische' vergissingen te kunnen vermijden.

In enquêtes die eind 1931, begin 1932 door de en de Deutsche Bergwerkszeitung werden gehouden over "autarkie of niet" en "nationale economie of wereldeconomie" was horlogemaker Junghans als enige voorstander van vrijhandel. Carl Bosch en de liberale politicus Georg Gothein waren dan nog wel tegen inperking van de buitenlandse handel, maar de vertegenwoordigers van de kolen-, ijzer- en staalindustrie spraken zich uit voor een economie in een groot-Europese economische ruimte, zonder Groot-Brittannië en de Sovjet-Unie. Voor de historicus Hans-Erich Volkmann was vooral vanwege de nationaalsocialistische denkrichting op het gebied van autarkie "het grootste deel" van de Duitse financiële en economische wereld "in meerdere of mindere mate zonder bezwaren bereid" met de nationaalsocialisten "gemene zaak" te maken. Het feit dat autarkie territoriale uitbreidingen met zich meebracht gaf de ondernemers, met behoud van eigendom van productiemiddelen en winstmaximalisatie, uitzicht op de oplossing van hun economische problemen. Ze hoopten in hun afkeer van de wereldmarkt op een autarkische "Großwirtschaftsraum", die één grote markt en een grotere productie-, organisatie- en verkeersruimte bood, waarmee een rationelere en daarom goedkopere productie haalbaar was.