Marie Laurencin (Parijs, 31 oktober 1883 – aldaar, 8 juni 1956) was een Franse figuratieve kunstschilderes, graveerster en illustratrice, die nauw verbonden was met het ontstaan van de moderne kunst. Als decorontwerpster voor neoklassieke balletvoorstellingen streefde zij ernaar om, net als haar bewonderaar Max Jacob, de verschillende disciplines in de kunsten te overstijgen. Zo schreef zij ook brieven en vrij vers-gedichten, die in haar creatieve proces onlosmakelijk verbonden waren met de manier waarop zij in haar schilderkunst uiting gaf aan haar grenzeloze fantasie.
De stijl van Marie Laurencin werd ook wel het nimfisme genoemd en overstijgt zowel het fauvisme als het kubisme. Samen met andere kunstenaars uit die tijd, zoals Georges Braque, Pablo Picasso, André Derain en Henri Matisse, was zij een van de pioniers van zowel het kubisme als het dadaïsme. In haar zeer eigen stijl, die bekritiseerd werd omdat hij te zoetelijk zou zijn, gebruikte zij pastelkleuren om terugkerende onderwerpen zoals sprookjesachtige dieren, bloemen en androgyne en onwerkelijk bleke jonge vrouwen te schilderen.
Hoewel zij zes jaar lang de partner was geweest van de dichter Guillaume Apollinaire, trouwde Flap, zoals haar eerste minnaar Henri-Pierre Roché haar noemde, uiteindelijk in 1914 met de Duitse schilder Otto de Waetjen. Omdat hij als pacifist weigerde om de wapens op te pakken tegen de Fransen, verloor zij haar nationaliteit toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak, werden al haar bezittingen haar ontnomen en moest zij als balling naar Spanje vertrekken. Na haar scheiding vond zij tijdens het interbellum haar positie terug en zette zij haar liefdesrelatie met Nicole Groult voort, een onopvallende maar geen geheime verhouding die ongeveer veertig jaar zou duren. Als internationale persoonlijkheid portretteerde zij in die tijd beroemdheden uit heel Parijs. Tijdens de bezetting behield zij haar mondaine levensstijl en verzoende zij zich met haar Duitse vrienden, terwijl zij ondertussen ook Max Jacob hielp, haar metgezel in de esoterische leer. Het is haar echter niet gelukt om hem op tijd vrij te krijgen uit het interneringskamp Drancy; hij overleed daar op 5 maart 1944. Na de bevrijding werd zij in het kader van grootschalige zuiveringsacties op haar beurt in dit kamp geïnterneerd – zij ontsnapte ternauwernood aan het lot van de vrouwen die werden kaalgeschoren – totdat zij werd vrijgesproken en negen dagen later werd opgevangen door haar vriendin Marguerite Donnadieu.
Zowel haar leven als haar schilderwerk stonden weer even in de schijnwerpers toen de zanger Joe Dassin haar in 1975 noemde in zijn grootste succesnummer L’été indien. Terwijl zij op handen gedragen werd in Japan, werden haar werken in Frankrijk nauwelijks geëxposeerd, en pas in 2011 publiceerde Bertrand Meyer-Stabley een biografie over haar waarin hij de onbekende kanten van haar persoon verkent. In 2013 maakte het grote publiek eindelijk kennis met haar werk dankzij een tentoonstelling in Parijs.
Biografie Jeugdjaren in Montmartre (1883-1904) Onwettig kind (1883-1900) Marie Mélanie Laurencin, geboren in 1883 in het 10e arrondissement van Parijs, was de dochter van Alfred Toulet (1830-1905), volksvertegenwoordiger namens de Union républicaine, en Pauline Mélanie Laurencin, een borduurster uit Normandië (Cotentin) die zich in 1879 in Parijs gevestigd had. Haar ouders waren niet gehuwd. Andere bronnen vermelden dat haar moeder een Creoolse afkomst had. Ze groeide op in het 10e arrondissement, eerst op nummer 63 van de rue de Chabrol, en daarna, vanaf haar negende, op nummer 51 van de boulevard de la Chapelle. Haar vader kwam regelmatig op bezoek bij Pauline (die 22 jaar jonger was dan hij) en zijn dochter en hij betaalde voor de kosten van het huishouden, maar wist niet dat hij haar vader was.
Marie Laurencin ging met onderbrekingen naar school bij de nonnen en vervolgens naar de middelbare school Lycée Lamartine, waar zij het Louvre en gymnastiek ontdekte. In 1901 deed zij daar haar eindexamen.
École de Sèvres en Académie Humbert (1901-1904) Marie Laurencin ging in tegen de wens van haar moeder, die graag wilde dat zij onderwijzeres zou worden, en schreef zich voor drie jaar in bij de Ecole de Manufacture de Sèvres waar zij onder begeleiding van Pauline Lambert opgeleid zou worden tot porseleinschilder. In dat kader volgde ze tegelijkertijd tekenlessen bij Eugène Quignolot (1858-1918) die ’s avonds georganiseerd werden in het gemeentehuis van het 17e arrondissement (Batignolles) en waar zij dankzij Louis Jouas-Poutrel ook gravures leerde maken. Ze volgde bovendien lessen bij Madeleine Lemaire, een mondaine schilder en onafhankelijke vrouw die haar, in haar herenhuis op nummer 31 in de rue de Monceau, een kwasttechniek leerde die gebruikt werd voor het schilderen van bloemmotieven. Daarmee tekende ze motieven en figuren die haar moeder op zijde kopieerde en borduurde.
Na de zomervakantie van 1902 schreef zij zich ook nog in voor de middagsessies aan de Académie Humbert, op nummer 34 aan de boulevard de Clichy in Parijs. Deze lessen waren gratis toegankelijk voor vrouwen en stonden onder de supervisie, zij het op enige afstand, van Eugène Carrière. Daar zat zij in de klas met Francis Picabia, maar ook met Georges Lepape en Georges Braque. Deze twee vrienden werden haar eerste bewonderaars en zij stimuleerden haar om de kunstnijverheid links te laten liggen en zich te concentreren op de kunsten, ondanks de afkeuring van haar moeder. Als schilder van zelfportretten was zijzelf al haar eigen favoriete onderwerp.
Gedurende haar tijd aan de Académie Humbert flirtte ze met Georges Braque, maar hun relatie zou nooit serieuze vormen aannemen. Ze ging wel een amoureuze verhouding aan met een andere leerling, Yvonne Chastel, en deze relatie zou voortduren tijdens de eerste zeven jaar van Yvonne’s huwelijk met Jean-Joseph Crotti en haar buitenechtelijke verhouding met Marcel Duchamp. Marie Laurencin sloot haar laatste jaar aan l’École de Sèvres af in juni 1904 met een vierde ontwerp van een bord, dat weinig overtuigend was voor de kwaliteit die verwacht werd van een eenvoudige arbeidster, maar waar wel veel verbeelding uit sprak. Het lezen, in het geheim weliswaar, van Les Fleurs du Mal, en in het bijzonder van het gedicht Lesbos, inspireerde haar tot het schrijven van haar eerste gedichten. Na een eerste samenwerking met Pierre Louÿs tekende ze haar eerste aquatint. Twee jaar later zou zij in opdracht van deze illustere pleitbezorger van het saffisme gravures maken voor een heruitgave van zijn dichtbundel Chansons de Bilitis.
Kennismaking met de avant-garde (1905-1913) Zelfstandigheid dankzij Roché-Picasso (1905-1907) Pas toen Marie Laurencin meerderjarig was, hoorde zij van haar moeder wie haar vader was, die op dat moment op sterven lag.
Zeven maanden na het overlijden van haar vader, in maart 1906, stelde Georges Braque Pierre Roché aan haar voor, die in het najaar van 1905 de eerste belangrijke verkoop van een doek van Pablo Picasso had beklonken. Deze agent, gespecialiseerd in ‘vrouwelijke kunst’, werd niet alleen de eerste verzamelaar van haar werk (hij kocht 140 doeken van haar), maar ook haar minnaar, hoewel hij haar al snel bedroog met Pansy Lamp, de echtgenote van de Engelse schilder Henry Lamb. Hij zou een trouwe zakenrelatie blijven van Marie Laurencin, die hij ‘Flap’ noemde. Gesteund door zijn opdrachtgever Jacques Doucet legde hij zich toe op de promotie van haar oeuvre. Hij stelde haar voor aan het gezelschap van het symbolistische tijdschrift Vers et prose, opgericht door Paul Fort, dat Jean Moréas, de opvolger van André Salmon, iedere dinsdag bijeen bracht in La Closerie des Lilas ter viering van het ‘mallarméaanse’ vrije vers. Daar ontmoette zij Pierre Mac Orlan en Roland Dorgelès.
In 1907 organiseerde Clovis Sagot, die Marie Laurencin drie jaar eerder had ontdekt aan de Académie Humbert, haar eerste tentoonstelling in zijn galerie op nummer 46 van de rue Laffitte in Parijs. In die galerie ontdekte Pablo Picasso haar. Hij liet haar zijn werken uit zijn blauwe en roze periode zien en zijn invloed was daarna duidelijk terug te zien zijn in haar studies uit die tijd. In het ateliercomplex le Bateau-Lavoir en de galerie van Berthe Weill - de eerste vrouwelijke galeriehouder in Parijs die Picasso in de collectie opnam - stelde hij Laurencin, die hij ‘Coco’ noemde, voor aan een groot aantal avant-gardisten: zijn buurman André Salmon, André Derain, Robert Delaunay, Kees van Dongen, Henri ‘Le Douanier’ Rousseau, die hij al 6 jaar geregeld zag, Max Jacob, gekrenkt in zijn affectie door de losbandigheid van de ambitieuze Laurencin, Maurice de Vlaminck, een fervent bewonderaar, Charles Dullin en Harry Baur. Dit gezelschap vertoonde zich regelmatig in de cafés van Montmartre. In het voorjaar nam zij voor het eerst deel aan de Salon des Indépendants, de kunstbeurs van onafhankelijke kunstenaars. Onder aanmoediging van Paul Fort presenteerde zij daar haar schilderij Fleurs dans un vase, naast haar mannelijke collega’s, al had zij het gevoel dat zij er niet bij hoorde.
Zij kreeg erkenning van haar collega’s voor de ‘fauvistische’ manier waarop zij zwarte lijnen zette en voor haar ‘orfische’ kleurenpalet van grijs-, blauw- en okertinten. Haar vroege stijl, die men kubistisch noemt al was het kubisme nog naar zichzelf op zoek, wordt terecht gezien als haar meest ambitieuze werk. Ondanks de neerbuigende houding tegenover vrouwelijke kunstenaars in die tijd, zelfs in de meest ruimdenkende kringen, was Laurencin volledig onderdeel van een zeer vruchtbare periode van het modernisme.
Leven als een ‘bohémien’ met Apollinaire miniatuur|La Muse inspirant le Poète, 1909. Het koppel Laurencin-Apollinaire geschilderd door ‘Le Douanier’, Henri Rousseau (tweede versie met anjers), Kunstmuseum Basel. De schilder verdedigde zijn karikaturale tekening: een grootse dichter verdient een ‘stevige muze’. In het begin van het voorjaar van 1907 verliet Marie Laurencin Pierre Roché voor Franz Hessel (‘Jules’). In haar relatie met ‘Jules’, net zoals met al haar toekomstige minnaars, bleef ze buitengewoon frigide, wat ze bovendien openlijk liet merken. In mei stelde Pablo Picasso Guillaume Apollinaire aan haar voor. Met hem, evenals zijzelf een kind van ongehuwde partners, kreeg Marie Laurencin in juli 1907 een relatie, terwijl ze allebei bij hun moeder bleven wonen. Tussen Fernande Olivier, op dat moment de partner van Picasso, en Marie Laurencin ontstond een blijvende vijandigheid. Op het moment dat het stel elkaar ontmoette, was Apollinaire de failliete directeur van het tijdschrift Soirées de Paris, dat gefinancierd werd door de barones Oettingen. Hij was toen nog een volstrekt onbekende aspirant schrijver die op 27-jarige leeftijd op de zak van zijn moeder leefde en met tijdelijke baantjes nauwelijks iets verdiende. Dankzij Marie Laurencin kon hij zijn interesse voor transgressie in de kunst voeden. Bovendien kon hij zijn relaties onderhouden, met Picasso, en met anderen uit het milieu waarin hij financiering vond voor zijn werk L’enchanteur pourrissant, en daarna ook voor zijn dichtbundel Le Bestiaire, waarin hij deels het wereldje van zijn partner beschreef. Uiteindelijk durfde hij ook een pornografisch literair werk te publiceren, alsmede L’Hérésiarque et cie., dat geselecteerd werd voor de Prix Goncourt in 1910. Marie Laurencin was een inspiratiebron voor veel van zijn gedichten, waaronder Marie, waarin hij haar haardos overdreven gevoelig vergelijkt met een schaap, en Le Pont Mirabeau, waarin hij refereert aan de ontrouw van het verlangen en de onvermijdelijke breuk.