'Atonale' is een novelle van de Nederlandse auteur Willem Frederik Hermans, geschreven tussen 29 oktober 1941 en 3 januari 1942 en voor het eerst gepubliceerd in het september-oktobernummer 1951 van het tijdschrift Podium, met als ondertitel: 'een moderne sage'. Ingenieur Nikol Varenhijt heeft de leiding over een 'Astaroth' genaamde fabriek in briketten en strijdgassen. De door de fabriek geproduceerde briketten vormen een lint dat in zes jaar de wereld over is getrokken en bij terugkeer de fabrieksmuren vernietigt. Sinds het verhaal werd opgenomen in de tweede druk van de verhalenbundel Moedwil en misverstand uit 1961 is het vrij veel bestudeerd; biograaf Willem Otterspeer noemt het dan ook 'een van zijn beroemdste verhalen'.Otterspeer (2013), 379 Literatuurcritica Toef Jaeger riep 'Atonale' in NRC Handelsblad van 29 oktober 2020 uit tot 'een van de mooiste verhalen uit de Nederlandse literatuur'.Jaeger (2020)

Het verhaal kent een specifieke allegorische constructie die psychomachia wordt genoemd, waarbij de nevenfiguren afsplitsingen zijn van hoofdpersoon Varenhijt. Volgens de freudiaanse duiding is de fabriek een spijsverteringsstelsel waarbij de briketten en strijdgassen uit de anus komen. Het verhaal kent een drievoudige cyclische structuur: het volgt de cyclus der seizoenen omdat het zich afspeelt van herfst tot herfst, de dagcyclus omdat het begint op een ochtend en eindigt met het avondrood, en de cyclus van een mensenleven omdat Varenhijt eindigt als de oude man met wie hij in het begin kennismaakt en schaatst. De thematiek is de tot mislukking gedoemde almachtsfantasie van de hoofdpersoon.

De hoofdpersoon, die een stalen wil en tucht belichaamt, is verwant aan het titelpersonage van Bint van F. Bordewijk.Dupuis (1985), 137, 149 Ook is inde novelle veel terug te vinden van het officiële debuut van de auteur, het verhaal 'Uitvinder' uit 1940.Fontijn (1971), 285

Samenvatting

Nikol Varenhijt is ingenieur op het fabriekscomplex N.V. Verenigde Bedrijven 'Astaroth' dat zich bezighoudt met de productie van briketten bruinkool en strijdgassen. Het door prikkeldraad afgegrensde fabrieksterrein vormt 'een eigen heelal' waarvoor de vogels omkeren en anders dood neervallen. Er wil niks groeien en zelfs de wind wordt 'door het zwavelig aroom' van de fabriek aangetast en de regen verkleurt door roet. Alleen de zon kan op zomerdagen niet weerhouden worden. Toen de fabriek vijf jaar bestond, heeft een opzichter aan een bezoekende schoolklas uitgelegd dat de fabriek twee briketten per seconde produceert, een rij van 'bijna zes mijl briket per dag.' Deze vormen een lint dat over bijna zes jaar om de aarde zal zijn gegaan. De machines van de fabriek zijn 'de sterkste van het continent' en kunnen de stroom gaande houden. Dan zal het lint briketten de westzijde van de fabriek bereikt hebben en de muren verwoesten.

Directeur Slibvisser, voorzien van een 'goorwit' hoofd omspannen door blauwe aders, heeft een echtgenote, Maya, die in deze atmosfeer niet leven kan en weigert adem te halen. Varenhijt ontwikkeld een soort zuurstofapparaat dat haar longen van zuurstof voorziet ook al werken de longspieren niet mee; de zuurstof wordt zonder instemming van Maya toegediend. Adelphe, van wie Varenhijt vermoedt dat haar achternaam Erbarmen luidt, gaat naar de directeur om hem op te beuren. Slibvisser vertelt haar dat hij Maya op het industrieterrein heeft leren kennen toen ze eenentwintig was en dat ze nu zes jaar getrouwd zijn. Na een jaar vertelde zij haar man dat zij op het terrein niet kan ademen. Die avond dat zij dat vertelde, waren zij terug van een feest met andere industriëlen, waarbij zij, staande op het balkon, door een groep mijnwerkers werden toegezongen zonder de woorden te kunnen verstaan. Daarna hield een van de mijnwerkers een toespraak die door de anderen met applaus en gebalde vuisten wordt ondersteund. De politie moest de industriëlen ontzetten.

Toen Slibvisser eens drie dagen op zakenreis was, hebben Varenhijt en Maya elkaar goed leren kennen. Acht maanden later werd Maya's zoon Albert geboren, die meer op Varenhijt dan op Slibvisser leek. 'Maar ja, acht maanden!'

Als Adelphe Varenhijt vraagt waarom hij zich tegenover haar als laborant voordeed terwijl hij een hogere positie bekleedt, antwoordt hij dat hij sinds zijn promotie niet meer gewoon is ondervraagd te worden: "Wie tegen de zon zijn tong uitsteekt, moet blind zijn of vrezen het te worden." Adelphe die vindt 'dat de vesting rijp voor een bestorming was,' komt met Varenhijt spreken, maar omdat zij geen aanvang weet te maken zitten ze een poos zwijgend tegenover elkaar. Varenhijt vermoedt dat van Adelphe de fabriek in elkaar mag storten, als Maya maar weer ademen kan. Adelphe op haar beurt schrijft Varenhijt de gedachte toe: 'Hij zou willen dat er geen mensen meer waren, alleen machines.' Varenhijt ziet zichzelf als een machine en Adelphe voorziet dat Varenhijt eenmaal zal breken, door iets menselijks als een naar boven komende herinnering of een imperfectie aan de fabriek. Dan zal hij aangewezen zijn op 'mijn soort', die hem zal moeten voeden en wassen. 'En wat ben je daarna nog? Een kleine jongen die met voetzoekers heeft gespeeld.'

Vervolgens breekt een periode van gewenning aan. Varenhijt wordt een 'stalen figuur', 'een rad in zijn eigen machine'. Albert mag af en toe een uur bij zijn moeder Maya op bezoek. Telkens als Adelphe niet oplet, probeert hij de zuurstofkraan dicht te draaien. Als Adelphe een keer bij Kakus in diens appartement is, probeert hij haar te zoenen maar zij weert hem af: "Kussen zowel geven als nemen, gaat alleen onder de stolp der Liefde." Kakus zegt dat iedereen altijd goed voor hem is geweest uit vrees voor Varenhijt, maar nu niet meer. Hij bezweert Adelphe dat hij miemand anders dan haar kan bedenken van wie hij houden kan, waarna hij stopt met zijn 'gejammer als een zuigeling die moe is en slapen gaat.' Adelphe komt tot het inzicht dat 'de bom' die zij in hem had 'geplant' tegen haarzelf was losgebarsten in plaats van tegen Varenhijt.

Kakus gaat naar Varenhijt, die door het open raam voor het eerst sinds lang 'het gefluit van lijsters' hoort en daarin een dreigend gevaar voelt. Varenhijt bezoekt Maya die er in zijn ogen hetzelfde uitziet als een half jaar geleden. en raakt onder de indruk van door de hele kamer heen opgestelde 'zwarte rozen die verrukkelijk geurden'. Hij neemt haar hand, eerst ontroerd, dan zakelijk zoals een dokter de pols van een patiënt. Hij draait de zuurstofkraan een stukje dicht, waarop zij rood wordt en haar hartslag stijgt. Ook lijkt er een lach op haar gezicht te komen. Dan hoort hij een klok twaalf slaan en draait de kraan weer open. Als hij vertrekt, komt net Adelphe aan met het karretje waarin Albert zit. Varenhijt vraagt haar wat zij nu eigenlijk van hem wil. "Mensen als ik willen niets. Zij doen iets anders waarvan ik u niet kan zeggen wat het is. Ik kan er geen naam aan geven, maar willen is het niet." Dan verwijt zij hem te veel te willen: "U houdt er zo veel van te willen, dat u ook nog voor een ander willen wilt." Maar mensen zijn geen machines, waarop Varenhijt reageert: "De machine veracht ik niet, zijn menselijk evenbeeld wel. Was het alleen maar omdat ik hem slechts veranderen, niet scheppen kan."

Op een zomerdag gaat Varenhijt met Albert wandelen, 'zoals een oom, vóór de begrafenis wat met het zoontje van de overledene gaat wandelen om zijn zinnen te verzetten.' Ze dalen de kolengroeve af en er aan de overkant weer uit. Varenhijt overweegt dat het nu het zesde jaar is en dus het lint kolenbriketten zijn gang om de aarde moet hebben voltooid. Dan ziet hij de eerste briketten door het gras aankomen, met grijsgroene zwammen begroeid en nauwelijks zwart meer. Albert gaat op het lint briketten staan en valt er even verder af, waarbij hij zijn geplukte madeliefjes laat vallen. Varenhijt zoekt ze weer bij elkaar. Hij wordt voor het eerst in jaren 'treurig en sentimenteel' als hij ziet Albert naar het boeket kijkt of hij de bloemen nooit meer zal loslaten. Terwijl de briketten hun vernietigingswerk aanvangen, betreedt Varenhijt de 'halfduistere machinehal, die koel en rein was als een ziekenzaal.' Hij schakelt de machines uit zodat het lint tot stilstand komt, maar als de stilte invalt, schakelt hij ze in een impuls toch weer in.

Na een treinreis loop Varenhijt op een zonnige dag over een boulevard en laat een foto van zichzelf nemen door een straatfotograaf. Hij ziet eruit als 'een oud man, haren en snor wat verwilderd en wit.' In dezelfde stad staat Huize Avondrood, waar Varenhijt zich vervoegt. In de nissen staan twee door duiven ondergescheten Afrodite's. In de serre krijgt Varenhijt een vaste plaats bij het raam, omdat zijn ogen het slechtst zijn. Beelden komen uitsluitend nog uit zijn herinnering. In het geluid van de regen herkent hij 'een nocturne atonale, met snelle loopjes, langademige stoottrillersen akkoorden in de gootpijp na. Kakus bespeelt de regenfluit, dacht Varenhijt.' Hij krijgt eenmaal bezoek van Annie Slibvisser, die "verjaagd zoals u" is en komt kijken of hij haar nog kent. Haar bezoek montert hem zodanig op dat hij haar verzoekt hem met Nikol aan te spreken, na het afscheid probeert hij te merken of zij zich nog omdraait maar kan dat niet zien.

Personages Nikol Varenhijt, ingenieur Kakus, assistent van Varenhijt Slibvisser, directeur van Astaroth Abersson, procuratiehouder Annie Slibvisser, nicht van Slibvisser Maya, vrouw van Slibvisser Adelphe, verpleegster Albert, zoontje van Maya

Titel en ondertitel 'Atonale' is niet alleen de titel van de novelle, maar ook van het dertiende en laatste hoofdstukje daarvan. Varenhijt meent in het geluid van de regen een 'nocturne atonale' te horen, 'met snelle loopjes, langademige stoottrillers en akkoorden in de gootpijp na.' Atonaal, aldus onderzoeker Koen Vermeiren, is een muzikale term die aanduidt 'dat een compositie niet in één bepaalde, doorgaande toonaard is geschreven'.Vermeiren (1986), 55

In 1951 verscheen de novelle in Podium met een uit de latere boekversie weggelaten ondertitel: 'een moderne sage'. Karakteristiek voor een sage, aldus Vermeiren, 'is het spanningsveld tussen een menselijke en een bovennatuurlijke wereld, en in de strijd tussen beide zal de mens het onderspit moeten delven.'Vermeiren (1986), 54 Varenhijt neemt het op tegen de chaos en de natuurkrachten en grijpt hiermee boven zijn macht.

Volgens Dupuis duidt de titel ook op het genre, of de constructie, van het verhaal als psychomachia. 'Atonale' verwijst immers naar het geluid van de regen en als zodanig naar 'een bepaald bestanddeel uit de resonantieruimte van het verhaal'.Dupuis (1985), 148

Structuur Het verhaal, aldus Ed Popelier in zijn monografie, geeft de thematiek van Hermans 'in verhulde vorm' en stelt de lezer daarom voor problemen.Popelier (1979), 24 In 1971 publiceerde Jan Fontijn een interpretatie die erop neerkomt dat de bijfiguren afsplitsingen zijn van mentale aspecten van Varenhijt. Deze uitleg van de structuur is sindsdien door andere onderzoekers geaccepteerd; Michel Dupuis vulde deze aan door ook ruimtelijke elementen als een projectie van Varenhijts persoonlijkheid te beschouwen.

Psychomachia Interpretator Jan Fontijn omschrijft de literaire constructie van 'Atonale' als een voorbeeld van 'een psychomachia, een allegorisch, droomachtig verslag van een psychische strijd waarin werkelijkheid en verbeelding in elkaar overlopen.'Fontijn (1971), 291 Alle onderzoekers sluiten daar, expliciet of impliciet, bij aan. Dupuis omschrijft psychomachia als een verhaal waarin de romanwereld buiten de held ondergeschikt is gemaakt aan diens innerlijke conflicten, waarbij personages en ruimtelijke elementen aspecten van de psychologie van de hoofdpersoon voorstellen.

Cyclische bouw