thumb|Carel Bel, ca. 1944/1945 Carel Bel (Ambt Doetinchem, 29 mei 1903 - Enschede, 19 mei 1981) was een klompenmaker in Boekelo en verzetsman in de Tweede Wereldoorlog.
Eerste jaren in Boekelo Carel Bel werd in 1903 geboren te Ambt Doetinchem (later Doetinchem) als zoon van Herman Bel (1874-1956), kleermaker, en Willemina Grada (Mina) Dierssen (1878-1955) z.b.https://www.genealogieonline.nl/kwartierstaat-bel-dierssen/I244.php. Gearchiveerd op 11 juni 2023.
Carel leerde het klompenmakersvak "met de hand" bij Hendrik Ebbers van de "Bosboom" te Doetinchem. Op tweede Pinksterdag in het jaar 1927 fietste Carel vanuit Doetinchem via Borculo en Haaksbergen naar Boekelo, waar nog geen klompenmaker gevestigd was. Hij bouwde daarna met zijn broer Evert een werkplaats aan de Windmolenweg 51, tegenover de Landbouwbank en de Coöperatieve Melkinrichting. Carel vestigde zich officieel op 2 oktober 1928 te Boekelo, Gem. Lonneker (op 1 mei 1934 werd dit Gem. Enschede), aan de Windmolenweg 51 met een eigen Klompenmakerij. Hier maakte hij gemiddeld vijf paar klompen per dag, zonder hulp van machines. Hij was in die tijd in de kost bij de familie Harwich, op nr. 50, schuin tegenover de werkplaats. Hij trouwde op 4 maart 1932 te Doetinchem met Grada Ebbers; zij was dienstbode in Doetinchem-Stad bij de familie Sachtleven (Groothandel in graan en zaden). Ze hadden elkaar leren kennen op de zangvereniging. Grada Wilhelmina (Grada) Ebbers (1902-1953) was een dochter van Bernard Ebbers (1868-1946), kleermaker/boer, en Grada Willemina (Gerritjen) Bulten (1876-1953), zonder betrekking. Na het huwelijk op 4 maart 1932 te Doetinchem gingen zij aan de overzijde van de werkplaats wonen aan de Windmolenweg 34. Hier werden hun vier kinderen Harry, Willemien, Ben en Carel geboren en groeiden er op.
Oorlogsjaren miniatuur|Klompenmakerij Bel Tijdens de Tweede Wereldoorlog zat Carel in het verzet: hij had al vroeg in de oorlog nauwe contacten met Geerhard Hannink (aannemer te Usselo), die op zijn beurt weer in verbinding stond met de groep rond Leendert Overduin.[https://web.archive.org/web/20230426170023/https://www.youtube.com/watch?v=5MONRR5aaAs Gearchiveerd op 26 april 2023.A. Bekkenkamp, Leendert Overduin. Het levensverhaal van een pastor Pimpernel 1900-1976] (Enschede 2001, )https://www.wieiswieinoverijssel.nl/zoekresultaten/p2/124-leendert-overduin. Gearchiveerd op 27 november 2022. in Enschede. Overigens heeft Carel nooit deelgenomen aan gewapende verzetsacties: hij was lid van de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten (NBS, groepscommandant, niet strijdend gedeelte) en de Landelijke Organisatie voor hulp aan onderduikers (LO)Zie ook: Coen Hilbrink, De Illegalen, illegaliteit in Twente & het aangrenzende Salland 1940-1945 (Oldenzaal 1989, ).
In het begin van de oorlog kreeg Carel contact met Duits-Joodse vluchtelingen, die bij Enschede over de grens waren gekomen sinds 1934 en vooral eind 1938, na de Kristallnacht. Zij werden na hun vlucht naar Nederland oorspronkelijk gehuisvest in de buurt van de Gasfabriek in Enschede, waarna later een Joodse textielfabrikant (Sigmund - Sig - Menko, de latere voorzitter van de Joodse Raad voor Enschedehttps://npo.nl/luister/podcasts/1379-de-joodse-raad-van-twente/139403https://www.oorlogsbronnen.nl/tijdlijn/b9ceed25-8492-407c-ad2d-56d463dcb30c), een villa in Twekkelo ter beschikking stelde (Haimers's Esch aan de toenmalige Strootsweg, waar van 1938 tot 1942 het opleidingsinstituut Hachsjara Enschede was gevestigd. Het ging toen om een groep van 40 tot 60 jonge mensen.
In deze tijd woonden en werkten zij in de omgeving bij onder anderen landbouwers. Van één Joodse vluchteling (Manfred Strauss) is bekend dat hij bij de smid in Boekelo (Sachse) in opleiding was en later ondergedoken zat bij de familie Jan van der Veen.https://www.historische-kring-boekelo.nl/wp-content/uploads/2020/12/Afink1.pdf. Gearchiveerd op 8 februari 2021. Ook volgden zij een opleiding tot "Palestinapioniers".Zie: L.F. van Zuilen, PALESTINAPIONIERS IN TWENTE, 1933-1945; EEN VERGETEN HOOFDSTUK (Enschede 1995; ) Na de Razzia van Twente van 13 en 14 september 1941 werd het steeds duidelijker wat de ware beweegredenen van de Duitse bezetter waren. De 105 opgepakte mannen (merendeels Joden) werden naar Mauthausen gedeporteerd, vanwaar al vrij snel de eerste overlijdensberichten werden ontvangenMarjolein J. Schenkel, De Twentse Paradox. De lotgevallen van de Joodse bevolking van Hengelo en Enschede tijdens de Tweede Wereldoorlog (Uitgeverij Walburg Pers, Zutphen 2003, .
In de tweede helft van 1942 werd de vervolging van de Joden door de Duitsers steeds heviger. Veertien Joodse jongens, die eerder in Haimer's Esch zaten, doken onder in een gat in de grond in de omgeving van Hof te Boekelo (omgeving Molenveld). Deze jongelieden kochten regelmatig klompen bij Carel Bel - ze werkten bij landbouwers in de buurt. Carel was op de hoogte van het feit dat ze ondergedoken zaten: als klompenmaker fietste hij regelmatig in de omgeving op zoek naar geschikte bomen (wilgen en populieren) en hij kende daardoor de omgeving op zijn duimpje. Ook was er in huize Bel sinds december 1942 een jong Joods meisje van drie jaar (Carry - Carolientje - de Vries uit Neede) ondergedoken. Haar vader was slager in Neede en kende daardoor veel mensen. Voor haar komst naar Boekelo had ze al in Wierden en Enter ondergedoken gezeten. Ze was zogenaamd een dochter van familie van Bel uit Rotterdam, van wie het huis zou zijn gebombardeerd.
Toen de Duitsers lucht kregen van de schuilplaatsen van de Joodse mannen en meer gingen patrouilleren, werd het te gevaarlijk voor ze om daar te blijven. Een groot aantal dook onder in een kippenhok bij een boerderij in de omgeving van de Boekelerhof. Vier van deze Duits-Joodse Palestinapioniers (Max Flaksbaum, Alfred Heijmann, Siegfried Lehmann en Abraham Bernhard Winzelberg) vonden eind 1942, begin 1943 een onderduikadres op de zolder van de werkplaats van Carel. Door verraad werd Carel samen met de vier jongens van begin twintig jaar oud op woensdag 10 november 1943 om iets voor acht uur 's morgens opgepakt. Op die ochtend kwam de beruchte Jodenjager Jan van Limburg - alias Jan met de Kappen - het huis van Carel binnen. Deze man behoorde, samen met Pieter Kaay, Antonie Berends en Keimpke de Groot, tot de meest gevreesde Jodenjagers van Enschede en omstreken. De kinderen Bel en Carry waren boven op de slaapkamer aan het spelen, toen de oudste van de kinderen Bel Jan van Limburg hoorde vragen aan zijn moeder of er Joden in huis waren. Carry werd snel onder de dekens verstopt. Toen Jan met de Kappen achter de slaapkamerdeur keek en vroeg of ze met zijn vieren waren, riepen de kinderen Bel in koor: "Ja".
miniatuur|Kamp Amersfoort Helaas werden de vier jonge mannen die boven de klompenmakerij ondergedoken zaten, wel gevonden. Zij werden door een zestal agenten gearresteerd en samen met Carel gedwongen in te stappen in een politiebus. Carry werd intussen door Grada via de achtertuin ondergebracht bij de buren, te weten de familie Sanderman, waarna ze dezelfde dag nog achter op de fiets door Dinie Hannink, toen 15 jaar oud, naar Lida Kempkes in Haaksbergen werd gebracht. Kort daarna is ze naar de familie Weldink in de Esstraat in Enschede gebracht. Hier heeft ze het restant van de oorlog doorgebracht, waarbij ze later op dat adres, kortstondig en zonder het te weten, herenigd werd met haar tweelingzusje Mary.T. Wiegman, Enschede 1940-1945 (Enschede 1985,
Carel werd naar kamp Amersfoort (onder kampnummer P.D.A. 3226)G. von Frijtag Drabbe Künzel, Kamp Amersfoort (Amsterdam 2003, ) gestuurd en overleefde de gruwelen in het kamp die werden gepleegd door onder anderen Joseph Kotalla en Karl Peter Berg. Op 22 april 1944 werd Carel voor een aantal dagen opgenomen in de ziekenbarak. Vermoedelijk vanwege de uitputting en de ontberingen. Kort daarna, op 15 mei 1944, kwam hij na zes maanden detentie weer vrij, ernstig verzwakt, kaalgeschoren en ziek als gevolg van Hongeroedeem. Dat Carel vrij kwam, leek slechts van willekeur. Wellicht vond men dat zijn straf erop zat of had men andere overwegingen: vele gevangenen werden namelijk gedeporteerd. Zelf zei hij hierover dat hij altijd had geprobeerd om zo min mogelijk op te vallen.
De vier jongens werden allen door de Duitsers vermoord, onder andere in Flossenbürg en Auschwitz. Het Joodse meisje Carryhttps://www.verhalenoverdeoorlog.nl/nl/interviews/carry-joseph-de-vries overleefde de oorlog, evenals haar familie: een jongere broer, tweelingzus, oudere zus en oudershttps://www.historische-kring-boekelo.nl/media/tweelingzusjesonderduikcarelbel/. Gearchiveerd op 9 augustus 2022.. De kinderen Bel hadden geen weet van de Joodse jongens die ondergedoken zaten, tot de arrestatie van hun vader. Na de oorlog hoorden ze dat 's avonds wanneer het donker was, de ondergedoken jongens een luik konden openen en een ladder naar beneden konden schuiven om zo wat in het bos achter de werkplaats te kunnen lopen. Grada bracht de jongens het eten in een mand, waarbij het eten verstopt was onder aanmaakhoutjes die op een stapel naast de werkplaats opgestapeld lagen.H.B. (Harry) Bel - Hoogeveen
Carel was (naar later bleek) verraden door een jachtopziener (Klaas Albertus Johannes Buring, geboren te Stad-Hardenberg, 25 sept. 1902) uit Driene, die eerder ook was opgepakt door de Duitsers. Uit de verklaringen van Jan van Limburg over de arrestatie van Carel Bel komt de naam van de tipgever over het onderduikadres naar voren. Deze had, als tegenprestatie voor het terugontvangen van een in beslag genomen jachtgeweer en een radio, de tip gegeven om maar eens bij de klompenmaker Bel in Boekelo te gaan zoeken naar ondergedoken Joden. Hij was ook op 9 september 1943 door Jan van Limburg gearresteerd vanwege het laten onderduiken van de Joodse student Mozes Rabbie bij hem thuis met een vals persoonsbewijs.Digitaal dossier: ‘Dossier H.B. Bel‘, website Historische Kring Boekelo, geraadpleegd op 5 november 2022. Gearchiveerd op 7 december 2022.Zie: Proces-Verbaal KAJ Buring, verbalisant Jan van Limburg, d.d. 9 september 1943 en Proces-Verbaal Jan van Limburg, alias 'Jan met de Kappen', verbalisant Ter Braack, d.d. 20 september 1946 Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging te Den Haag Carel heeft altijd geweten wie hem verraden had, maar bij leven nooit zijn naam prijsgegeven. De naam van de verrader werd pas veel later duidelijk uit de geraadpleegde processen verbaal.
Carel en Grada hadden hier niets van geleerd. Tijdens het verblijf van Carel in het kamp waren er ook onderduikers (Henk ? uit Velp en Gerrit Meerdink uit Rotterdam), die de tewerkstelling in Duitsland ontvluchtten. Ze hielpen bij de verkoop van klompen van Bel en repareerden versleten klompen door ze te verzolen, zodat er toch nog wat inkomen was. Gerrit was ± 30 jaar en kwam uit Rotterdam, was gehuwd, zoon van de tuinman van het kasteel te Ruurlo en vriend van Bertus Ebbers, een jongere broer van Grada. Hij was werkzaam geweest als butler op dit kasteel. Ook was er in de zomer van 1944 een koerierster in huis, Bep Snabel, uit Arnhem. Zij onderhield contacten tussen de verschillende onderduikgroepen rondom Enschede. Na de oorlog vertrok Bep naar Australië. De laatste oorlogswinter 1944/45 vond een Joods echtpaar, Simon van der Horst, en korte tijd later ook zijn vrouw Helena Themans uit Steenwijk, een onderdak thuis bij de familie Bel op de zolder. Simon bewoog zich betrekkelijk vrij in de omgeving van Boekelo, vanwege een vals persoonsbewijs onder de naam van Johannes Hessels. De familie Van der Horst had voorheen een textielwinkel gedreven en had een zoon, Menno. De winkel werd door de Duitsers geliquideerd in juli 1942 en Simon werd naar kamp Rouveen gestuurd, vaanwaar hij vluchtte in augustus 1942 en vervolgens met zijn gezin onderdook, onder andere bij de familie Bel.