thumb|Een veel vaker gebruikte afbeelding van Belon, gegraveerd door Ambroise Tardieu (1788–1841), met bovenstaande afbeelding als voorbeeld Pierre Belon (Soulletière of Soultière, Cérans-Foulletourte, 1517Van zijn geboortejaar wordt aangenomen dat het 1517 is omdat in zijn boek De aquatilibus libri duo, uitgegeven in 1553, voor het eerst een portret van hem staat waarop hij als 36-jarige wordt afgebeeld, zie (1922). I, Revue du seizième siècle 9(3–4): 253 – Parijs, april 1564 of 1565), gelatiniseerd als Petrus Bellonius, vaak aangevuld met Cenomanus, wat wil zeggen "van Le Mans", was een Frans apotheker, arts, natuuronderzoeker, reiziger en auteur. Zoals veel wetenschappelijke auteurs in de renaissance bestudeerde hij en schreef hij over een reeks van onderwerpen, waaronder ichtyologie, ornithologie, botanie, archeologie en volkenkunde. Hij schreef een van de eerste geïllustreerde verhandelingen over de vissen van Frankrijk.

Opmerkelijk is dat Belon in zijn werken over planten en dieren nogal wat binominale namen (avant la lettre) gebruikte, zoals "Sorbus torminalis", "Smilax aspera", "Smilax laevis" en "Papaver corniculatum". (1882): 352–353 & (1885): 11–12 Volgens Louis Crié was hij de eerste die dat deed.Volgens Crié (1882: 352) gebruikte Belon in Les remonstrances (1558) voor een zeker aantal planten "binaire namen"; Morren (1885: 11) maakte daarvan dat in het werk van Belon binaire namen de regel zijn. Onduidelijk is of dat gebaseerd is op extra onderzoek in de drie tussenliggende jaren. Een fors aantal van die namen is later door Linnaeus overgenomen. Voorbeelden zijn: Berberis vulgaris, Cyperus longus, Cyperus rotundus, Genista hispanica, Morus alba, Morus nigra, Papaver rhoeas, Sorbus aucuparia, Tribulus terrestris en Veratrum nigrum.

Leven Over Belons afkomst is vrijwel niets bekend. Hij bracht naar eigen zeggen een deel van zijn jeugd door in Bretagne, waarschijnlijk in de buurt van Pontivy, waar hij zich in 1532 nog bevond.Volgens Delaunay was zijn verblijf niet van korte duur omdat Belon er zelf over pochte dat hij er de taal had geleerd, en dat hij lang genoeg aan de kusten had rondgewaard om de flora en fauna en volksgebruiken ervan grondig te leren kennen, zie (1922) I: 253. Daarna kwam Belon waarschijnlijk als apothekersleerling in dienst bij René des Prez, net als hij geboren in Foulletourte, maar inmiddels apotheker van Guillaume Duprat, bisschop van Clermont (Auvergne). (1922) I: 254Volgens Léthenet kwam hij 'zonder twijfel' vanaf 1530 in dienst van Guillaume Duprat, maar hij licht het 'zonder twijfel' niet toe; zie (2021): 1 Ergens tussen 1535 en 1538 (1922) I: 255 trad hij in dienst van René du Bellay, bisschop van Le Mans, voor wie hij zich onder meer bezighield met de tuin van het landhuis van Touvoie, het bisschoppelijk paleis, vlak bij Savigné-l'Évêque, en "een enorme kwekerij van exotische bomen en struiken", een van de eerste botanische tuinen in Frankrijk. & (1885): 18 Onder het patronaat van Bellay kon hij van 1541 tot 1542Delaunay schrijft dat Belon in 1540 en 1541 twaalf maanden lang in Wittenberg was, zie (1922) I: 256–257. Hij verwijst daarbij echter naar Belons inschrijving, die terug te vinden is in (1841). Album Academice Vitebergensis ab A. Ch. MDII usque ad A. MDLX: 192, Leipzig, Carl Tauchnitz. Daar staat Belon als 'Petrus Bellon Turonensis Cenomaniae Gallus' aan het eind van de lijst 'gratis inscripti' onder «Sub Rectoratu Clariss. viri D. Chilianni Goldstein J. V. doctoris, Anno MDXLI, per semestre aestivum inscripti sunt in matriculam hi quorum nomina sequuntur.» Hij schreef zich dus pas in het zomersemester van 1541 in. Hetzelfde document wordt in 1862 aangehaald door Thilo Irmisch in zijn biografie van Valerius Cordus, zie (1862). Ueber einige Botaniker des 16. Jahrhunderts. 1. Valerius Cordus. Programm des Fürstlich Schwarzburgischen Gymnasiums zu Sondershausen: 17. in Wittenberg geneeskunde en botanie studeren bij Valerius Cordus, die hij bovendien vergezelde op een lange excursie door het Heilige Roomse Rijk, waarbij ze Saksen, Bohemen, Tirol en Pommeren aandeden. (1922) I: 257–258In zijn biografie van Valerius Cordus merkt Irmisch op dat Belon veel details van zijn excursie door Duitsland geeft die overeenkomen met details die Cordus over zijn excursie van 1542 vermeldt, zie (1862). Ueber einige Botaniker des 16. Jahrhunderts. 1. Valerius Cordus. Programm des Fürstlich Schwarzburgischen Gymnasiums zu Sondershausen: 17. Belon moet na zijn excursie met Cordus nog naar Engeland zijn gereisd. (1922) I: 258

In dienst van François de Tournon In de nazomer van 1542 ging hij naar Parijs om de studie geneeskunde voort te zetten. Daar maakte hij, op aanbeveling van Duprat of van Du Bellay, kennis met kardinaal François de Tournon, de latere aartsbisschop van Lyon maar op dat moment nog aartsbisschop van Auch, en een vrijgevig mecenas van leergierige mannen. Hij kwam bij hem in dienst als apotheker. (1922) I: 259 De Tournon had echter meer behoefte aan diplomatieke informatie dan aan medische zorg. In juli 1542 was de oorlog tussen Frans I en Karel V opgelaaid. De koning probeerde via zijn bondgenoot, de hertog van Kleef, de Duitsers bij de strijd te betrekken, maar die waren aanvankelijk terughoudend. Belon, een polyglot die bovendien vrienden had aan de lutherse universiteiten, kon De Tournon waardevolle diensten bewijzen, en het was niet ongebruikelijk dat hooggeplaatsten hun bekenden inzetten in dienst van de koning.

Eerste reis Belon vertrok dus eind 1542 naar ZwitserlandFrans I deed regelmatig een beroep op Zwitserland om zijn troepen te versterken. en Duitsland. In Genève belandde hij daarbij zes maanden in de gevangenis, naar eigen zeggen vanwege een religieus conflict, volgens zijn biograaf Delaunay, op basis van Belons dagboekaantekeningen, omdat hij daar nogal koppig en weinig diplomatiek mee omging. (1922) I: 260–262 Na zijn vrijlating vervolgde hij zijn reis naar Luxemburg, dat toen net (1 september 1543) door Karel II van Orléans op Karel V veroverd was, en waar hij enkele belemnieten verzamelde.

In Luxemburg ontving hij eind 1543 of begin 1544 nieuws over zijn voormalige leermeester Valerius Cordus, die sinds 1543 een botanische reis door Zwitserland en Italië maakte, en Belon besloot zich bij hem te voegen. Onderweg naar Cordus doorkruiste hij daarbij voor het eerst de Provence en Orange, vanwaar hij verder trok naar Nice. Hij ontmoette Cordus waarschijnlijk in de buurt van Livorno, waar ze samen de jeneverbes Juniperus phoenicea verzamelden. Het weerzien was niet van lange duur. Cordus reisde via Siena naar Rome, waar hij op 25 september 1544, uitgeput, nog geen 30 jaar oud, overleed. Belon legde in zekere zin Cordus' reis in tegenovergestelde richting af. In Padua bezocht hij het park van kardinaal Pietro Bembo.Volgens Delaunay (1922, I: 264) bezocht Belon ook de botanische tuin van Padua, waar hij door de hortulanus 'Aloisio' (Aloysius Anguillara) met alle eer zou zijn ontvangen. Die tuin werd echter pas in 1545 gesticht. Delaunay baseert zich op een opmerking die Belon maakte in zijn Observations, waarvan hij pagina 62 uit de editie van 1588 aanhaalt, te vinden als pagina 27a in de editie van 1554. Mogelijk bezocht Belon de tuin van Padua al toen hij aan het eind van zijn reis naar de Levant (1546–1549) van Constantinopel naar Rome reisde, maar waarschijnlijker is dat hij dat in 1557 of 1558 deed, toen hij gedurende de zomer in Italië was, zie (1924) IV: 31–34. Aan de Adriatische kust bezocht hij een zekere Jehan de Rochefort, arts en filosoof, die hem een bijzondere kleine "vis" uit de Zee van Marmara liet zien. De kleine "vis" betrof in werkelijkheid een Argonauta argo, een inktvis, die door Belon naderhand als "Nautilus" werd beschreven. (1553): De aquatilibus libri duo: 378–380, ter onderscheiding van "Nautilus alter", de echte Nautilus, die hij op de twee volgende pagina's behandelde.

Belon verkende zeker eens het Comomeer, het Gardameer, het Lago Maggiore en het Meer van Lugano, en bestudeerde de naaldflora van de passen van Montgenèvre en de Mont Cenis. Hij deed er nadien uitgebreid verslag van. Omdat zijn werk echter niet chronologisch van aard is, weten we niet of dat in 1544–1545 was, of tijdens de twee reizen die nog volgden. (1922) I: 266 Bij terugkomst van zijn reis keerde Belon terug in dienst van De Tournon. Het waren tijden waarin veel nieuwe dingen uit het buitenland kwamen. Pierre de Piton had uit Fez kamelen, struisvogels, een luipaard en een leeuw mee naar Frankrijk gebracht. Na de Vrede van Cambrai was Jacques Cartier uitgezonden naar de nieuwe wereld, en had van Labrador twee indianen meegebracht. Van zijn volgende reis daarheen bracht hij zaden van de levensboom mee terug, die daarna in Fontainebleau werd geteeld. Uit Brazilië werd kostbaar hout ingevoerd. En bisschop Guillaume Pellicier II bracht in het geheim zeldzame oude manuscripten uit Venetië naar Frankrijk.

Reis naar de Levant Belon had het plan opgevat om een vertaling te maken van De materia medica van Dioscorides, en daarnaast ook een van De historia plantarum van Theophrastus. Als gevolg van de summiere beschrijvingen die beide auteurs van de planten gaven, was het vaak niet eenvoudig te achterhalen welke soort ze precies met welke naam bedoelden.Belon was bij lange na niet de enige die zich aan een vertaling van Dioscorides zette. In 1516 was er al een Latijnse vertaling van zijn landgenoot Jean Ruel verschenen, en het werk stond sinds de herontdekking van de klassieke werken overal sterk in de belangstelling. Zoals blijkt was het Belon echter niet alleen te doen om een vertaling van de tekst, maar ook om een betrouwbare determinatie van de erin genoemde soorten. Dat was niet onbelangrijk omdat veel soorten als artsenijplanten gebruikt werden. Een bezoek aan de regio waar de planten beschreven waren, en waar de lokale namen misschien nog in omloop waren, zou uitkomst kunnen bieden. Die mogelijkheid diende zich aan na de Vrede van Crépy in 1544. Bij die overeenkomst had Frans I verraad gepleegd aan het adres van zijn bondgenoot, sultan Süleyman I van het Ottomaanse Rijk. Er was veel diplomatie nodig om de relatie te herstellen. François de Tournon bedacht daarop iets nieuws. Om de afvaardiging meer cachet te geven, maakte hij er niet alleen een politieke, maar ook een cultureelwetenschappelijke missie van. Met ambassadeur D'Aramont werden daarom twee wetenschappelijk attachés meegezonden. De ene was Pierre Gilles, de andere Belon. (1923) II: 3–4

Via Venetië en Kreta naar Constantinopel thumb|De berg Ida op Kreta Eind december 1546 vertrokken D'Aramont, Gilles en Belon voor een reis naar Constantinopel. Uit voorzichtigheid reisden ze via Zwitserland, en via Genève, Luzern, Chur, Lonato en Padua bereikten ze op 9 februari 1547 Venetië. D'Aramont charterde daar drie schepen, en op 20 of 24 februari voeren ze via de Kroatische kust naar Ragusa, waar ze vijf dagen bleven. Belon maakte van de gelegenheid gebruik voor een bezoek aan de kust en de eilanden. Hij verzamelde op het strand Ephedra. Op 13 maart zette D'Aramont de reis voort over land. Belon ging zonder hem verder om de kust te verkennen. In maart 1547 was hij op Korfoe. Via Zakynthos en Kythira reisde hij naar Kreta. Daar beklom hij de berg Ida. En hij was er bij de oogst van de laudanum. Hij zag er vissen die al op het menu van de romeinse keizers stonden, en die door de vissers 'Scarus' werden genoemd.Cuvier gelooft, op basis van Belons tekening, zie Les observations de plusieurs singularitez etc.: 9 vo, niet dat de door Belon waargenomen soort de echte Scarus uit de oudheid is, zie paragraaf 27 in Cuvier's History of the Natural Sciences, 3. Les premiers zoologistes: Belon, Salviani et Rondelet. Als gevolg van een overval door piraten bleef hij langer dan gepland op het eiland, maar uiteindelijk vertrok hij naar Constantinopel, waar hij, na een tussenstop in Euboea, eind april aankwam. (1923) II: 5–9