De prehistorie van Siberië wordt vanwege de uiteenlopende klimatologische omstandigheden gevormd door archeologisch verschillende culturen. Vanaf de kopertijd werden de culturen in West- en Zuid-Siberië gedomineerd door veeteelt, terwijl de oostelijke taiga en toendra tot de vroege middeleeuwen werden gedomineerd door jagers. De opkomst van pastoraal nomadisme op de Euraziatische steppe in het 1e millennium v.Chr. veroorzaakte belangrijke veranderingen in de samenleving, economie en kunst.
Topografie De natuurlijke omstandigheden in Siberië lopen sterk uiteen. Dit geldt voor klimaat, vegetatie en landschap. In het westen wordt Siberië begrensd door het Oeralgebergte. Ten oosten daarvan ligt het West-Siberisch Laagland, dat zich uitstrekt tot aan de Jenisej. Het wordt gevolgd door het Midden-Siberisch Bergland, dat in het oosten grenst aan het Lena-bekken, waaraan het Oost-Siberisch Bergland grenst. In het zuiden wordt Siberië begrensd door bergketens van Sajan en Altaj, en in het zuidwesten door de heuvels van het Kazachse Hoogland. Het klimaat in Siberië loopt sterk uiteen. Jakoetië ten noordoosten van de Lena is een van de koudste plekken ter wereld. De temperatuur schommelt daar met meer dan vijftig graden per seizoen. De neerslag is ook erg laag. Dit geldt ook voor de zuidwestelijke rand van Siberië, waar steppen, woestijnen en semi-woestijnen grenzen.
Landbouw zonder kunstmatige irrigatie is in Siberië alleen mogelijk tussen de 50e en 60e breedtegraad. De klimatologische omstandigheden zijn een voorwaarde voor de vegetatiezones. In het hoge noorden bevindt zich de toendra met slechts minimale vegetatie. Voor zover niet ingenomen door bergen, wordt het grootste deel van Siberië bedekt door de taiga, het boreale naaldbos. In het zuidwesten sluit zich de bossteppe aan, welke verder naar het zuiden overgaat in de grassteppe en de Centraal-Aziatische woestijnen. Vóór het begin van het Holoceen, ongeveer 12.000 jaar geleden, waren de omstandigheden nog anders. Aan het einde van de Würm-ijstijd (115.000 tot 10.000 jaar geleden) strekte de toendra zich veel verder naar het zuiden uit, maar alleen de Oeral en het gebied ten oosten van de beneden-Jenisej waren bedekt met landijs.
Steentijd
Paleolithicum Al vanaf het latere vroegpaleolithicum zijn sporen van menselijke aanwezigheid gevonden. Vroege mensentypen als Homo erectus en Homo heidelbergensis bleken al de culturele vaardigheden te bezitten om in een koud klimaat te overleven.
Vroegpaleolithicum miniatuur|Venusbeeldje uit Malta In Zuid-Siberië (Altaj) werd de Karama-site ontdekt, die dateert van ongeveer 600-800.000 jaar geleden. Kiezelwerktuigen uit laag 12 van de site zijn vergelijkbaar met Oldowan-vondsten. Voor de Diring Joerjach-site in Jakoetië is een Oldowan-leeftijd geclaimd, maar de meeste onderzoekers betwijfelen deze vroege datering.
Acheuléen-materiaal werd gevonden bij het dorp Oelalinka, ter hoogte van de oever van de rivier met dezelfde naam in de republiek Altaj in het zuidelijke deel van Siberië. Sommige vondsten uit het Baikal-gebied (het gebied van de monding van de Belaja, de benedenloop van de Ida en Osa, mogelijk de regio midden-Angara) kunnen ook worden gedateerd in het Acheuléen.
De vraag van de tijd en wijze van de eerste vestiging van mensen in het Russische Verre Oosten is nog onvoldoende onderzocht. Vroege kiezelwerktuigen lijken door Okladnikov in de Amoer-regio te zijn gevonden op de locaties Filimosjki en Oest-Toeoe (beide aan de Zeja) en de Koemary-site (aan de Amoer), maar de datering en zelfs de menselijke oorsprong daarvan zijn omstreden. De vondsten zijn weinig uitgesproken, de meest representatieve (de Koemary-vondsten) bestaan uit choppers, amorfe kernen en andere ruwe producten. Opmerkelijk is de vondst van een vuistbijl nabij het dorp Bogorodskoje in de Amoer-regio: deze heeft een "klassiek" Abbevillien-uiterlijk, uniek voor de regio.
Middenpaleolithicum Vondsten uit het middenpaleolithicum zijn zeldzaam. Het lijkt zich over Oost-Kazachstan tot aan de Altaj te hebben verspreid. Tijdens de koude periodes van het Pleistoceen, met name het Saalien en Weichselien, was over een groot deel van het noorden van Eurazië de mammoetsteppe verspreid, een bijzondere vorm van steppe met een kruidrijke vegetatie. De neanderthaler jaagde al op mammoeten, zoals de (late) vindplaats Byzovaja in het noorden van Rusland aantoont. De situatie ten oosten van de Oeral is minder duidelijk. Zowel de neanderthaler als de denisovamens bereikten in ieder geval het Altajgebied in het zuiden van Siberië.
Gereedschappen met een Levallois-Mousteriaans uiterlijk werden gevonden in de Altai-grotten Oest-Kan, Strasjnaja, Denisova, Tsjagyrka, en Okladnikov. In de Minoesinskdepressie in Chakassië werd de Dvoeglazka-grot onderzocht. Enkele zeldzame vondsten zijn bekend uit andere streken van zuidelijk Siberië. In de Angara-regio werden Moustérien-artefacten geregistreerd op sites van voorafgaande periodes, waar ze werden geïdentificeerd aan de hand van de Levallois-techniek. Van bijzonder belang is het materiaal uit de grotten van Tsjagyrka en Okladnikov, welke de lokale Siberische variant van het Altai-Middenpaleolithicum vertegenwoordigen. De Altai werd bewoond door de meest oostelijke groep neanderthalers (waarschijnlijk afkomstig uit het grondgebied van het moderne Oezbekistan), waar ze de oorspronkelijke denisovamensen van het gebied aantroffen, wiens cultuur kan worden getraceerd in de oudste lagen van de grot.
Laatpaleolithicum In ieder geval vanaf het laatpaleolithicum was de anatomisch moderne mens in Siberië aanwezig. De oudste vondsten van de moderne mens in Siberië zijn gefragmenteerde botten van de Toejana-site (Toenkinskaja-depressie, rechteroever van de Irkoet), bij verschillende testen op ca. 31.000 dan wel ca. 50.000 jaar geleden gedateerd, het dijbeen van Oest-Isjim (ongeveer 45.000 jaar geleden) en het sprongbeen van Baigara (43.000 jaar geleden).
Andere bekende sites in het Aziatische deel van Rusland zijn Afontova Gora, Listvenka, Jana (31,6 duizend jaar geleden), Ajdasjinskaja-grot en Boeor-Chaja/Orto-Stan.
Van het laatpaleolithicum zijn de meeste sporen te vinden in de Oeral, waar onder andere rotstekeningen met mammoeten werden gevonden, het Altaj-voorland, aan de boven-Jenisej, ten westen van het Baikalmeer en al rond 25.000 v.Chr. aan de Laptevzee ten noorden van de poolcirkel. Nabij de nederzetting Malta bij Irkoetsk zijn restanten gevonden van hutten met een rijke inventaris. Dierlijke sculpturen en beeldjes van vrouwen (Venusbeeldjes) doen denken aan het Europese laatpaleolithicum.
Deze eerste bewoners waren afkomstig uit Centraal-Azië en zouden zich uiteindelijk via de Beringlandbrug uitbreiden tot het huidige Alaska. Ook de oudste bewoners van Amerika stamden ten dele van deze Oud Noord-Euraziatisch genaamde bevolking af.
De mens werd geconfronteerd met de noodzaak zich aan te passen. De wintertemperatuur lag gemiddeld bij -20 tot -30 °C terwijl brandstof en schuilplaatsen schaars waren. Men reisde te voet en was afhankelijk van de jacht op zeer mobiele kuddes van diersoorten zoals de mammoet, de wolharige neushoorn en het rendier. Deze uitdagingen werden overwonnen door technologische innovaties zoals op maat gemaakte kleding uit de huid van pelsdieren, de bouw van schuilplaatsen met haarden, waarbij botten als brandstof werden gebruikt, en het graven van "ijskelders" voor de opslag van vlees en botten in de permafrost.
Het Siberische paleolithicum strekte zich in tijd uit tot ver in het Europese mesolithicum. Postglaciaal werd nu pas de taiga gevormd. De elders typische microlieten werden niet gevonden.
Aan het einde van het laatpaleolithicum was er een toenemende invloed uit Oost-Azië, vertegenwoordigd door de paleosiberische Djoektajcultuur. De ontstane mengbevolking vormde ook de basis van de eerste aangetoonde bewoners van Amerika.
Mesolithicum Het einde van de laatste ijstijd betekende een verandering van de klimatologische omstandigheden en veranderingen in de jachtpatronen. In Oost-Siberië ontwikkelde zich de Soemnagincultuur uit de voorafgaande Djoektajcultuur.
De basis van de economie was de jacht. Men leefde in lichte, ronde woningen, vergelijkbaar met de tsjoem. In de nederzettingen werden beenderen pijlpuntjes en priemen gevonden, welke duiden op de vervaardiging van warme pelskleding.
Op verschillende plaatsen in West-Siberië, het Baikalgebied en Jakoetië zijn kampen uit de laatpaleolitisch-mesolitische tijd ontdekt, die vaak eeuwenlang werden bezocht. Naast tentachtige constructies die puur bovengronds waren en geen sporen in de grond nalieten, waren er ook hutten (vaak licht verzonken) met muren en daken van dierenbotten en rendiergeweien. Gereedschappen en wapens werden voornamelijk gemaakt van vuursteen en kiezels, alsook van been, waarbij er ondanks de grote tijdelijke en ruimtelijke spreiding slechts kleine verschillen in vorm en gebruik waren. In sommige nederzettingen werden vroege artefacten in de vorm van mensen en dieren gevonden, en soms abstracte sculpturen en houtsnijwerk.
Neolithicum
De laatste ijstijd bereikte zijn koudste periode tussen 26.000 en 20.000 jaar geleden. De bewoners van grote delen van Siberië werden gedwongen zich terug te trekken. In deze periode zijn mogelijk ook de eerste bewoners van Amerika de Beringstraat overgestoken en daar langs de kust naar het zuiden getrokken.
Vanaf ongeveer 19.000 jaar geleden begonnen de temperaturen langzaam weer te stijgen, waardoor mensen werden aangemoedigd om weer naar de uitgestrekte lege landschappen van het noorden te gaan. Dit was een precaire tijd voor mensen, die nog steeds in kleine mobiele groepen leefden. De meeste grote prooidieren zoals de mammoet namen in aantal af, en het klimaat bleef onvoorspelbaar en veranderlijk.
Het begrip neolithicum is in Noord-Azië overwegend chronologisch van belang. In Noordoost-Siberië zijn er geen bewijzen van landbouw of veeteelt, en de meeste culturen kunnen eerder als subneolithisch worden beschouwd. De neolithische culturen van Noord-Azië verschillen echter heel duidelijk van het voorafgaande mesolithicum door de introductie van aardewerk, welke zich in het 6e millennium v.Chr. over Siberië verspreidde. In tegenstelling tot Europa en het Midden-Oosten bleven de manier van leven, economie en cultuur echter grotendeels ongewijzigd.
Tijdens de kopertijd, die hier tegen het einde van het 4e millennium v.Chr. begon, bereikte Zuidwest-Siberië een volledig neolithisch cultureel niveau. In de Minoesinskdepressie verbreidde zich de Afanasjevocultuur. In de noordelijke en oostelijke gebieden waren er nog geen ingrijpende veranderingen.
Ontstaan van aardewerk in het Amoergebied In de Amoer-regio in het Russische Verre Oosten ontstond het eerste aardewerk tussen ongeveer 14.000 en 10.000 jaar v.Chr.
De Rijksuniversiteit Groningen deed onderzoek aan vroeg aardewerk van de Osipovkacultuur aan de beneden-Amoer en de Gromatoechacultuur aan de Boven-Amoer. Analyse van lipiden of vetzuur-residuen op 28 potscherven van verschillende sites toonde aan dat de mensen van de Osipovkacultuur hun vaatwerk gebruikten om vis, waarschijnlijk trekzalm, te verwerken en visolie te verkrijgen. Bij de Gromatoechacultuur aan de Boven-Amoer daarentegen werden de potten gebruikt om vlees van landdieren, zoals herten, reeën en wilde geiten, te koken en botvetten en merg te extraheren. In beide culturen betekende dit dat voedselvoorraden konden worden aangelegd, waardoor men voor langere periodes op eenzelfde plaats kon blijven wonen, en een meer sedentaire levenswijze mogelijk werd.
Neolithische jager-verzamelaars in Jakoetië en Transbaikal