Wenden is een verouderde benaming voor Slaven in het Duitse spraakgebied (Germania Slavica). De volksbenaming, die sinds de 12e eeuw in gebruik is, gaat terug op Oudhoogduitse voorlopers en werd gebruikt om zich te onderscheiden van ‘de anderen’. Naast de Slavische bewoners van gebieden langs en ten oosten van de Elbe ("Elbe-Slaven") werden ook de Slaven ten noorden van de Donau, in de Oberpfalz en in Oberfranken (Bavaria Slavica) en in de oostelijke Alpen met Wenden aangeduid. In Niederlausitz wordt de term vandaag de dag nog steeds gebruikt voor de Sorben. De inwoners van Stiermarken en Karinthië noemen hun Sloveense en Kroatische buren nog steeds Windische. Bovendien is de term in een groot aantal toponiemen bewaard gebleven, zoals Wendland.

Etymologie Eerste vermeldingen De term Wenden duikt in het Duitse taalgebied voor het eerst op in geschreven bronnen rond het jaar 660. In boek IV van De Kronieken van Fredegar wordt de Latijnse versie van Winedi/Winodi/Winidi gebruikt als alternatieve aanduiding voor Slaven. Fredegar meldt dat de Wenden de Frankische koopman Samo tot koning hadden gekozen en dat de Slavische Sorben, die eveneens als Wenden worden aangeduid, zich onder leiding van hun prins Derwan bij hem aansloten. Elders in het boek is er sprake van dat Wenden zich onder leiding van een vorst Walluch in een niet meer te localiseren marca vinedorum (Wendenmark) tussen Pannonië en Beieren vestigden. Naast de Sorben worden ook twee andere grote stamverbanden van Elbe-Slaven uit de vroege middeleeuwen als Wenden aangeduid: de vorsten van de Wilzen staan in het jaar 789 in het Fragmentum chesnii als 'reges Winidorum' vermeld en in 810 wordt in de Annales Sancti Amandi over de Abodriten gesproken als de Wenedi.

Begripsherkomst De oorsprong van de term is onduidelijk. Volgens de meest gangbare verklaring is het woord afgeleid van de Veneti, hoewel dit volk etnisch niet verbonden zou zijn met de Wenden. Deze Veneti woonden aan de Oostzeekust. Hun herkomst is onbekend. De Romeinse auteur Plinius vermeldt ze voor de eerste keer in zijn Naturalis historia als Venetae en woonachtig ten oosten van de Weichsel (ook wel Vistula, tegenwoordig Wisla). Daarna schrijft Tacitus in zijn Germania dat aan de oostelijke rand van Germanië de Venedi leefden, tussen de Germaanse stammen en de Sarmaten in. Hij zag ze eerder als Germanen omdat ze “stevige huizen bouwen, schilden dragen, graag en goed te voet gaan, in tegenstelling tot de Sarmaten die thuis zijn met paard en wagen.” Daarentegen gaat het naar de mening van Claudius Ptolemaeus bij de door hem in zijn Geographia beschreven Uenedai om Sarmaten.

Rond het jaar 550 maakt Jordanes in zijn De origine actibusque Getarum (Geschiedenis van de Goten) melding van Venethi, die zich vanaf de bronnen van de Wisla over enorme afstanden hadden verspreid.

Het is onduidelijk of een verband is tussen de gelijknamige Veneti die in de oudheid aan de Adriatische Zee woonachtig waren, en de term Veneti en dus met die van de Wenden. De overeenkomst met de naam van de Keltische Veneti uit Noordwest-Gallië wordt in ieder geval wel als toevallig beschouwd.

Wenden en Vandalen Sinds de middeleeuwen worden Wenden en de van hen te onderscheiden Germaanse Vandalen steeds weer met elkaar vereenzelvigd en dat gebeurde lang niet altijd per ongeluk. In de 20e eeuw moest de vereenzelviging vooral nationalistische en revanchistische belangen en territoriale aanspraken rechtvaardigen. In Latijnse teksten werd vaak dezelfde term ('Vandali') voor Vandalen en Wenden gebruikt, bijvoorbeeld op de Corona Danica van 1618.

De Poolse kroniekschrijver Vinzenz Kadlubek bedacht de sage over Wanda om het nieuw gevormde hertogdom der Polanen een voorgeschiedenis te geven. In Kadlubeks verhaal - dat veel weerklank vond en voor waar werd aangenomen - werden de Polen met de Vandalen vereenzelvigd en werd de rivier waaraan 'Wanda' en haar volk leefden, 'Wandalus' (Wisla) genoemd.

De slavist Aleksander Brückner constateerde over Kadlubeks verdichtsel:

'Wendisch' en 'Windisch' Het woord 'Windisch’ is de door umlautvorming afgeleide bijvoeglijke bepaling van het zelfstandig naamwoord Wenden. Het wordt vaak gebruikt als spraakvariant en synoniem voor ‘Wendisch’, zoals blijkt uit plaatsnamen in het stroomgebied van de Elbe. Zo woonden er vroeger Wenden in zowel Windischenbernsdorf als in Wendisch Evern.

De Sloveense taal wordt in het Duits van oudsher nooit ‘Wendisch’ genoemd, maar uitsluitend ‘Windisch’. Sinds de ineenstorting van de Habsburgse monarchie werd deze term om politieke redenen uitsluitend gebruikt voor de Sloveens-sprekenden in de republiek Oostenrijk, om ze te onderscheiden van de Sloveens-sprekenden in Joegoslavië, respectievelijk in de republiek Slovenië. In het huidige Oostenrijk is 'Windische' een gangbare naam voor de Karinthiërs die in het grensgebied wonen. Ook diegenen die deze taal (dialect) spreken, maar niet als Sloveens willen worden beschouwd, noemen zichzelf zo.

In de Oberpfalz komt het woord 'Windisch' niet alleen in familienamen terug, maar ook in plaatsnamen als Windischeschenbach en Windischbergerdorf. In de Oberpfalz troffen de Slaven dunbevolkte gebieden aan en vestigden zich daar in hun eigen dorpen, die van de Duitstalige bewoners van de omliggende dorpen of van de toenmalige autoriteiten Duitse namen kregen.

'Wendisch' en 'Sorbisch' De Duitse benaming voor Slaven die vanouds in de Brandenburgse Neder-Lausitz woonden, is onderwerp van controverse. Vooral in de DDR werden de Slaven in de Neder- en Opper-Lausitz met de uniforme benaming Sorben aangeduid, maar veel inwoners van Neder-Lausitz beschouwen zichzelf als Wenden om zich te onderscheiden van de Sorben in de Saksische Opper-Lausitz. In deze context wordt de Slavische taal in de Neder-Lausitz ook wel Wendisch of Neder-Sorbisch genoemd, waarvan het (Opper)-Sorbisch in de Opper-Lausitz verschilt. Tegenwoordig wordt alleen de term Sorbisch gebruikt om de culturele eenheid en erkende minderheid in de gehele Lausitz mee aan te duiden.

Geschiedenis Vroege Slavische bewoning Vanaf de 7e eeuw trokken Slaven de gebieden binnen die de Germaanse stammen tijdens de late Romeinse keizertijd en de Grote Volksverhuizing hadden verlaten. Archeologisch onderzoek van nederzettingen en grafvelden toont aan dat het bij de immigranten om kleine groepen in familieverband ging. Uit materiële overblijfselen en dendrochronologisch onderzoek van bouwhout komen migratieroutes vanuit Silezië langs de Oder naar voren, evenals vanuit Bohemen langs de Elbe noordwaarts. Oudere hypotheses over een migratie uit oostelijke richting zijn daarentegen niet bewezen.

In de eerste helft van de 7e eeuw vestigden de immigranten zich aanvankelijk in de gebieden aan weerszijden van de Elbe en de benedenloop van de Saale, alvorens vanaf het jaar 650 de noordelijker gelegen gebieden tot aan de Oostzee werden bereikt. Los van de verschillende onderzoeksbevindingen staat vast dat de afzonderlijke gebieden in duidelijk te onderscheiden tijden in verschillende mate werden bevolkt. Aan de hand van grafvondsten valt af te lezen dat de voor akkerbouw geschikte gronden in de Uckermark, het Havelland, de Bocht van Wismar of aan de Peene in Voor-Pommeren al in de 7e eeuw relatief dichtbevolkt waren. Andere gebieden volgden ondanks hun natuurlijke geschiktheid relatief laat, zoals Ostholstein vanaf het jaar 700 en Rügen zelfs pas in de loop van de 8e eeuw. Andere regio’s, zoals Neder-Lausitz, bleven vooralsnog dun- of zelfs onbevolkt.

Volgens een andere zienswijze zou het bij de kolonisatie van de gebieden langs de Elbe en de Oder niet om een deel van het vroegmiddeleeuwse Slavische expansieproces in Midden-Europa gehandeld hebben, maar om een 'Slavisering' van de overgebleven bevolking. Deze zouden het superieure culturele model van de Slaven hebben overgenomen, een gemeenschappelijke taal met hen hebben gesproken of een identiteitsvormend gemeenschapsbewustzijn hebben ontwikkeld op basis van een Frankische of Saksische benaming, bijvoorbeeld als Wenden. Uiteindelijk zou dit tot een Elbe-Slavische stam geleid hebben. Tegen deze zienswijze pleit dat er volgens de huidige inzichten tussen de Elbe en de Oder te weinig mensen woonden. Deze theorie moet onderscheiden worden van de nationalistisch gemotiveerde 'Slawenlegende', die stelt dat de Wenden in feite Germanen waren die ten onrechte voor Slaven zijn aangezien.

Een versmelting van stammen en stamverbanden (etnogenese) vond alleen plaats binnen de nieuw ontsloten nederzettingsgebieden. Een hoogtepunt in de West-Slavische ontwikkelingsgeschiedenis is de vroege 'staatsvorming' van de Abodriten in het gebied van het huidige Mecklenburg-Voor-Pommeren in de 11e eeuw. De Slaven vochten tegen de Denen en de Duitsers voor de hegemonie in het zuidelijke Oostzeegebied (bijvoorbeeld in de Wendische Kruistocht), maar verloren uiteindelijk. Er waren ook Slavische nederzettingen op de Deense eilanden Lolland en Falster.

Stammen en stamverbanden In bronnen uit het Oost-Frankisch Rijk wordt een groot aantal stammen en stamverbanden genoemd, vooral vanaf de 8e eeuw. De grootste verbanden waren die van de Abodriten in het noordwesten, de Wilzen en later de Lutizen in het noordoosten en de Sorben in het zuiden. Vaak is onduidelijk, wie achter deze namen schuilgaan. In tegenstelling tot wat in de 19e en 20e eeuw meestal werd aangenomen, zou het niet om vaste, homogene en scherp omlijnde groeperingen gaan. Veelmeer moet worden uitgegaan van vrij dynamische groeperingen waarvan de samenstelling steeds weer veranderde.

De zogeheten Geographus Bavarus uit het midden van de 9e eeuw geeft een opsomming van de destijds bekende stammen en het aantal hen toebehorende civitates – een nederzettingenkern met centrale burcht en bijbehorende nederzettingen en kleinere fortificaties – weer:

Abodriten/Obodriten met meerdere deelstammen, tussen Kieler Fjord en Midden-Warnow: Obodriten in engere zin van de Bocht van Wismar tot zuidelijk van de Schweriner See. Hoofdburchten: Dobin, Mecklenburg, Schwerin. Wagrier in Ostholstein. Hoofdburcht: Starigard/Oldenburg in Holstein. Polaben tussen de Trave en de Elbe, Lübeck. Warnower aan de Boven-Warnow en Mildenitz. Linonen aan de Elbe rond Lenzen (Lunzini). Kessiner aan de Beneden-Warnow. Zirzipanen tussen de rivieren Recknitz, Trebel en Peene. Wilzen Lutizen vanaf eind 10e eeuw met deelstammen: Kessiner Zirzipanen (na hun afscheiding van de Abodriten) Tollenser, oostelijk en zuidelijk van de Peene aan de Tollensesee Redarier, zuidelijk en oostelijk van de Tollensesee en aan de Overhavel Zamzizi (Zamcici) in het Ruppiner Land Retschanen in de regio Templin-Lychen en noordelijke Oberhavel Rujanen/Ranen op Rügen Ukranen aan de Uecker Mürizer aan de Müritz Dossanen aan de Dosse Drevanen in het Hannoverschen Wendland Bethenzer (ook Bethelici of Belczem) in de regio Goldberg (Mecklenburg)/Plau Smeldinger aan de Elde Morizani (ten noorden van de monding van de Saale aan de Elbe) met 11 civitates Brizanen bij Havelberg Heveller/Stodoranen in het midden van het Havelgebied en Havelland met 8 civitates Sprewanen aan de beneden Dahme en Spree Sorben in het Elbe-Saale-gebied met meerdere deelstammen zoals Colodic en Siusili, kleine gebieden (pagi) zoals Chutici en Plisni (rond Altenburg), Neletici (rond Wurzen en rond Torgau), Quesici/Quezizi (rond Eilenburg), die echter pas in de bronnen uit de 10e eeuw voorkomen. Volgens de Geographus Bavarus bestond het grondgebied van de Sorben uit ongeveer 50 civitates.

In de middeleeuwse bronnen zijn na het verval van de Sorbische hoofdstam van de Sorben duidelijk te onderscheiden: Daleminzier/Glomaci aan de Elbe en in de Lommatzscher Pflege Nisanen rond Dresden Milzener in de Opper-Lausitz rond Bautzen Besunzanen rond Görlitz Lusitzi in de Neder-Lausitz

Oostkolonisatie