Het Vleeshuis, ook wel de Vleeshal, was een openbare markthal in de Nederlandse stad Maastricht, waar vlees verwerkt en verkocht werd. Het uit de middeleeuwen daterende gebouw tussen de Grote Staat en Achter het Vleeshuis werd in de zeventiende eeuw vernieuwd en in de loop van de negentiende en twintigste eeuw gesloopt.
Geschiedenis Slagersambacht In Maastricht waren de slagers, vroeger meestal aangeduid als vleeshouwers, beenhakkers of vleyschere, verenigd in het vleeshouwersambacht (Latijn: officium carnificum), een van de 23 ambachten die de stad telde. Hun patroonheilige was mogelijk de heilige apostel Bartolomeüs, met als feestdag 24 augustus. Bij de grote stadsprocessie op hemelvaartsdag liepen de ambachten – verplicht – mee, elk ambacht achter zijn eigen ambachtsschild, in een vaste rangorde. Dezelfde volgorde werd gehanteerd bij het uitbrengen van de stemmen tijdens vergaderingen op de Houtmarkt, vóór de Lakenhal. Aanvankelijk namen de vleeshouwers de zesde positie in, tussen de brouwers en de schippers. Na 1428 waren ze nummer vijftien, tussen de metselaars en de leerlooiers.Thewissen (2007), pp. 23-25.
thumb|left|160px|Kijnder Boecke van het vleeshouwersambacht, begonnen in 1496 Alle ambachten waren erfelijk, dus voor een zoon van een slager, was het bijna onvermijdelijk dat hij ook slager werd. Pasgeboren kinderen moesten binnen acht dagen worden ingeschreven in het Kijnder Boecke van het ambacht.Thewissen (2007), p. 51. Buitenstaanders konden zich in het ambacht inkopen, maar dit was prijzig. Ook kon men een 'ambachtsdochter' huwen, waarmee men het 'halve ambacht' verwierf. De andere helft moest dan gekocht worden.Thewissen (2007), pp. 87-88, 97. De oudste, bewaard gebleven statuten van het vleeshouwersambacht dateren uit 1418 en zijn tot 1586 aangevuld.Thewissen (2007), pp. 121-123, 130-131, 531-536. De ambachtsmeesters hielden toezicht op het navolgen van de reglementen en het correct uitvoeren van de meesterproef: het slachten en uitbenen van een os, een runderkalf, een schaap en een lam.Ubachs/Evers (2005), p. 557: 'vleeshouwers'. De verkoop van geroosterd vlees was streng verboden en die van gepekeld vlees aan strenge regels gebonden, omdat dit beproefde manieren waren om bedorven vlees toch nog te kunnen verkopen. Vier beëdigde keurmeesters zagen erop toe dat de kwaliteit van het vlees aan alle voorwaarden voldeed. Ook keurden zij de levende, te slachten dieren.Thewissen (2007), pp. 531-536. Een aparte categorie binnen het ambacht waren de 'hikslagers', die het echte slachten deden, wat beschouwd werd als vuil ('infaam') werk. In principe mocht elke burger vee kopen en slachten, maar alleen voor eigen gebruik.Thewissen (2007), pp. 535-536.Ubachs/Evers (2005), pp. 227-228: 'hikslagers'.
Zoals in alle middeleeuwse steden, woonden ook in Maastricht de verschillende beroepsgroepen bij elkaar. Bij de vleeshouwers was dat waarschijnlijk in de buurt van de vleeshal. Op de kadasterkaart van 1843 is te zien dat dit een halve eeuw na de opheffing van de ambachten nog steeds zo was: in de straat Achter het Vleeshuis woonden toen nog verschillende vleeshouwers en spekslagers.Zie interactieve kaart Maastricht op hisgis.nl. Selecteer bij kaartlagen: 'Kadaster 1842 percelen (rood, open)', 'Kadaster 1842 gebouwen (naar soort)' en 'Luchtfoto'.
Vleeshuizen thumb|Detail van een prent van de Grote Staat (J. de Beijer, ca. 1750). Centraal: het Dinghuis. Rechts, vrijwel niet te onderscheiden: de Vleeshal, De Lanscroon en De Liebaert, als 3e, 4e en 5e pand vanaf de hoek De stad had mogelijk al in de dertiende eeuw een vleeshuis, dat gelegen zou zijn aan de Plankstraat. Huizen van vleeshouwers in deze omgeving werden aangeduid als retro macellum (Latijn voor "achter het vleeshuis"). De naam Plankstraat zou verwijzen naar de aanwezigheid van een vleeshuis in deze straat, dat 'dye plancke' werd genoemd, maar die theorie is omstreden.Ubachs/Evers (2005), p. 415: 'Plankstraat'.Panhuysen e.a. (2013), p. 30: 'Plankstraat'. Mogelijk moest deze oude vleeshal (Latijn: vetus macellum) omstreeks 1330 wijken voor de bouw van de Sint-Nicolaaskerk, gebouwd in 1340-1342. Ook zou de verhuizing verband kunnen houden met de bouw van een nieuwe Maasbrug aan het einde van de dertiende eeuw. Deze verving de oude brug, die in het verlengde van de Plankstraat lag. De nieuwe brug lag ongeveer 130 meter noordelijker, waardoor het zwaartepunt van de stad ook naar het noorden verschoof.
In 1333 lag de vleeshal op de plek waar deze tot in de vroege negentiende eeuw gevestigd zou blijven, namelijk op een smal perceel tussen de Grote Staat, destijds Sint-Jorisstraat geheten, en Achter het Vleeshuis. In de directe omgeving lagen de vismarkt (bij de Vissersmaas; later op de hoek Brugstraat-Bokstraat), de fruitmarkt (huidige Kersenmarkt) en – pas vanaf de zeventiende eeuw – de groentemarkt (Sint Amorsplein).Panhuysen e.a. (2013), p. 28: 'Kersenmarkt'; p. 30: 'Sint Amorsplein'; p. 31: 'Vissersmaas'. Aan de Sint-Jorisstraat, tussen Nieuwstraat en Muntstraat, stond een marktkruis.Ubachs/Evers (2005), pp. 208: 'Grote Staat'; p. 342: 'marktkruis'. Omstreeks 1377 verhuisde ook het stadsbestuur en de stedelijke (lage) rechtspraak naar deze omgeving. Tot 1664 waren deze gevestigd in twee huizen aan de Sint Jorisstraat/Grote Staat, grenzend aan het Vleeshuis, "De Lanscroon" en "De Liebaert". Het nog bestaande Dinghuis, waar het hooggerecht van de tweeherige stad Maastricht zetelde, lag er schuin tegenover.
De vleeshal was primair bedoeld voor de verkoop van voor consumptie bestemd vlees, maar mogelijk werd hier ook geslacht. De hal was voor het publiek bereikbaar via een grote poort in het pand aan de Grote Staat. In dit pand was tevens de 'leube' (vergaderzaal, vergelijkbaar met een gildehuis) van het vleeshouwersambacht gevestigd.Ubachs/Evers (2005), p. 307: 'leube'. De gevel van dit pand was versierd met afbeeldingen van vee en een gebeeldhouwde ossenkop boven de toegangspoort. In het langgerekte marktgebouw achter de poort waren zeventig 'banken' ingericht, waar meesterslagers maximaal twee vaste verkoopplaatsen konden kopen of huren. Daarvan waren er 45 bestemd voor 'uytgesetenen' (burgers); de overige 25 voor 'ingesetenen' (stadbewoners die geen burgereed hadden afgelegd). In 1765 brachten de verhuurde banken 2100 gulden op.Ubachs/Evers (2005), p. 208: 'Grote Staat'; pp. 557-558: 'vleeshuis'. Waarschijnlijk was de ingang aan Achter het Vleeshuis bedoeld voor de vleeshouwers zelf, die via de hier aanwezige poort en binnenplaats hun vlees konden aanvoeren. Een aparte open plek was ingeruimd voor de 'pansers', die orgaanvlees en ander slachtafval als rolpens verkochten. Een standplaats in de panshof kostte per jaar 4 groten.Ubachs/Evers (2005), p. 397: 'panser'.
Bouw gemeentelijk slachthuis en herbestemming Vleeshuis
thumb|left|160px|Plattegrond uit ca. 1830. Middenboven (168) de vleeshal. Rechtsonder (155) het slachthuis De komst van de Fransen in 1794 en de inlijving van Maastricht bij Frankrijk maakte een einde aan het monopolie van de ambachten. De periode daarna kan gekenmerkt worden als zeer ongereglementeerd, hoewel het vleeshuis nog enkele tientallen jaren als zodanig bleef functioneren (zie plattegrond hiernaast). De nieuwe Napoleontische wetgeving hield onder andere in dat de vroegere methode van controle van het vlees bij de verkoop werd vervangen door controle bij de bron, namelijk direct nadat het slachten had plaatsgevonden. Met de invoering van dit systeem won tevens de gedachte aan centraal slachten in daartoe aangewezen slachtplaatsen steeds meer veld. In 1820 vond de aanbesteding plaats van het eerste gemeentelijk slachthuis,Martin (2000), p. 126. dat in 1824 werd geopend aan de zuidzijde van de stad nabij de Helpoort.
De geschiedenis van het Vleeshuis na 1824 is grotendeels in het duister gehuld. Mogelijk functioneerde het Vleeshuis nog enige tijd als markthal voor vlees, dat vanaf het slachthuis werd aangevoerd. In 1852 waren er plannen om hier een graanmarkt te vestigen, maar dat ging om onbekende redenen niet door.'Conseil communal de Maestricht. Séance du 9 Décembre', in: Le Courrier de la Meuse, 11 december 1852, p. 1 (geraadpleegd op Delpher op 14 augustus 2022). In 1854 deelde de gemeente het terrein op in vier percelen om deze openbaar te verkopen. De veiling was een mislukking: geen van de vier percelen vond een koper.'Conseil communal de Maestricht', in: Journal du Limbourg, 19 maart 1854, p. 3 (geraadpleegd op Delpher op 14 augustus 2022). Op 27 oktober 1856 stortte de voorgevel in tijdens herstelwerkzaamheden. Niet lang daarna werd het huidige pand Grote Staat 3 gebouwd, maar niet bekend is of daarbij het hele gebouw werd vervangen, of slechts de gevel.GM 1360, op kaartviewer.maastricht.nl, geraadpleegd op 10 augustus 2022.
Het terrein werd op zeker moment in gebruik genomen als onderkomen voor de brandweer en brandspuitenhuis. De Stedelijke Brandwacht, een semiprofessionele brandweer, werd in 1853 opgericht en bestond vanaf 1856 uit 24 beëdigde brandwachten, plus acht vervangers. Daarnaast waren er onbezoldigde brandmeesters en andere helpers betrokken bij het bestrijden van branden. Het ligt voor de hand dat de brandweer vanaf de oprichting was gevestigd in de voormalige vleeshal, wellicht alleen in de gebouwen op het achterterrein. Een echte brandweerkazerne, waar ook geslapen werd, was dit niet. Omstreeks 1916 werd de locatie aan Achter het Vleeshuis verlaten voor de nieuwe huisvesting aan het Lindenkruis.Put (2001), pp. 228-230.Ubachs/Evers (2005), pp. 92-93: 'brandweer'. De gebouwen op het achterterrein van de vleeshal werden waarschijnlijk gesloopt (in ieder geval het poortje) of hergebruikt als telefooncentrale, tot 1936, toen de telefooncentrale in de Sint Bernardusstraat in gebruik werd genomen. In de jaren 1960 was er een winkel gevestigd. Omstreeks 1970 werden bijna alle panden aan deze zijde van de straat gesloopt voor de uitbreiding van Vroom & Dreesmann, later De Bijenkorf.Zie foto en bijschrift GAM 15719 op beeldbank.rhcl.nl, geraadpleegd op 21 februari 2023.
Beschrijving thumb|Plattegrond van de begane grond van het Vleeshuiscomplex, ca. 1825? Links de Grote Staat, rechts Achter het Vleeshuis. De uitstulping is mogelijk de voormalige panshof De plattegrond hiernaast is een detail van het eerder afgebeelde "Plan der Voormalige VleeschHal te Maastricht". De tekening is ongesigneerd en ongedateerd, maar de nauwkeurige manier van tekenen en het gebruik van drie zeer gedetailleerde schalen voor de diverse onderdelen van de tekening, verraadt de hand van een architect. Mogelijk is de tekening kort na 1824 gemaakt, toen het gebouw een nieuwe functie moest krijgen. In dat geval zou de tekenaar Mathieu Hermans (1789-1842) kunnen zijn, die van 1818/19 tot aan zijn dood stadsarchitect van Maastricht was, en vanaf 1826 tevens directeur van de Stadsteekenschool.
Voorgevel thumb|Montage van twee tekeningen van de voorgevel aan de Grote Staat. De anonieme tekening links is waarschijnlijk iets ouder Van de vermoedelijk zeventiende-eeuwse gevel van de Vleeshal aan de Grote Staat bestaan drie tekeningen, waarvan er een niet meer is dan een schets. De twee andere zijn hiernaast afgebeeld. Ze geven een vrij goed beeld van de gevelindeling en de diverse decoraties; de linker nauwkeuriger dan de rechter. De linker tekening is een detail van het eerder vermelde "Plan der Voormalige VleeschHal te Maastricht" en wordt in de navolgende beschrijving aangeduid als zijnde van 'de architect'. De andere, ingekleurde tekening is van de hand van Philippe van Gulpen (1792–1862) en eveneens ongedateerd.