Jean François van Royen, ook bekend onder de naam Jean François van Roijen (Arnhem, 27 juni 1878 – Kamp Amersfoort, Leusden, 10 juni 1942) was een Nederlandse drukker, typograaf en algemeen secretaris van het hoofdbestuur van de PTT.

Familie Van Royen, lid van de familie Van Royen, was een zoon van majoor Jan Barend Hendrik van Royen (1830-1906) en Louisa Aletta Bijleveld (1833-1915), kleindochter van de Nijmeegse burgemeester mr. François Pierre Bijleveld (1797-1878). Hij werd vernoemd naar zijn ongetrouwde (peet)oom en rijksarchivaris mr. Jean François Bijleveld (1837-1905), met wie hij in zijn latere jeugd ook reizen maakte door Europa. Hij was een broer van minister van Oorlog en Marine Louis Anne van Royen (1865-1946). Hij trouwde in 1905 met Augusta Frederica Albrechtina Saltet (1879-1965), telg uit het geslacht Saltet, met wie hij drie kinderen kreeg. De oudste dochter Augusta Louisa Wilhelmina van Royen (1906-2006) trouwde met prof. dr. Iohan Quirijn van Regteren Altena (1899-1980).

Studies Na het behalen van zijn gymnasiumdiploma in Den Haag begon hij zijn studie rechten aan de universiteit van Leiden in 1903. Na zijn kandidaatsexamen vervolgde hij die studie in Leipzig om uiteindelijk in 1903 weer te Leiden te promoveren op stellingen.

Loopbaan bij de PTT Op 16 mei 1904 trad Van Royen in dienst van de PTT bij het hoofdbestuur. In 1920 werd hij met terugwerkende kracht tot 1 januari 1918 benoemd tot algemeen secretaris van dat bestuur en zorgde er van dan af voor dat bij alle afdelingen de vormgeving een belangrijke plaats ging innemen. Hij trok ontwerpers aan voor de inrichting van het gebouw, maar ook voor brievenbussen en postauto's. Maar, in lijn met zijn privédrukkersactiviteiten, had het laten ontwerpen van postzegels en het PTT-drukwerk toch vooral zijn interesse.

Oorlogsjaren Van Royen bleef gewoon doorwerken tijdens de oorlogsjaren bij de PTT. Maar hij zette zich daarnaast ook maatschappelijk in. Om te voorkomen dat er een Duitsgezinde kunstenaarsorganisatie zou komen, werd de Nederlandse Organisatie van Kunstenaars (NOK) opgericht waarvan hij de voorzitter werd. Na de invoering van de Kultuurkamer werd het NOK echter door de bezetter in 1942 weer opgeheven. Juist nadat hij zijn drukkerswerk aan Boutens' In den keerkring had voltooid, werd hij op 1 maart 1942 door de bezetter opgepakt; hij werd ervan verdacht oppositie te hebben geïnitieerd tegen de Kultuurkamer, hetgeen niet het geval was. Niettemin belandde hij in het Kamp Amersfoort. Hij verbleef daar tegelijkertijd met musicoloog Karel Philippus Bernet Kempers. Deze laatste heeft over Van Royens tijd in het kamp geschreven. Hij gold er, ook onder de bewakers en Duitsers, als een man voor wie men respect had en hij werd dan ook nooit mishandeld. Wel zag Kempers hoe Van Royen verzwakte; zij lagen op een gegeven moment in de ziekenboeg naast elkaar. Van Royen vertelde Kempers over zijn werk als drukker, maar ook over de dichters die hij bewonderde, zoals Boutens, en uit wiens werk hij reciteerde, net als over de muziek die hem boeide, zoals Bruckner. Toen Kempers op de zaal met dysenteriepatiënten kwam te liggen, kwam Van Royen iedere dag even langs om te informeren hoe het de patiënt ging. Toen Kempers weer hersteld was, hoorde hij dat Van Royen enkele dagen ervoor was overleden. Uiteindelijk was (voor beiden) besloten tot vrijlating, maar dat bleek voor Van Royen te laat: op 10 juni 1942 was hij van uitputting gestorven, precies de dag dat hij zou worden vrijgelaten.

Typograaf-uitgever-drukker Al voordat Van Royen zelf drukker werd, had hij typografische adviezen gegeven over verschillende uitgaven. Het was bekend dat hij zich had beziggehouden met de vormgeving van het proefschrift van Henri Marcella in 1913: Algemeene bepalingen van wetgeving voor Nederlandsch-Indië. Daarnaast verzorgde hij onder andere de vormgeving van twee boeken van de Vereeniging Joan Blaeu.Zie voor door hem vormgegeven boeken, of die waaraan hij heeft meegewerkt: Jean François van Royen (1964), p. 27-28. In 2020 werd bekend, dankzij de Groningse antiquaar Nick ter Wal en boekhistoricus Paul van Capelleveen, dat het niet bij de bemoeienis met de al bekende werken was gebleven. Toen werd duidelijk dat hij de vormgeving had verzorgd van Plutarchus' Leven van Philopoimen, een editie bezorgd door Louise Henriette Greve (1877-1916), die als eerbetoon aan zijn echtgenote in 1918 door haar weduwnaar Wilm Johan Marius Benschop (1873-1963) werd uitgegeven in een kleine oplage van vijftig exemplaren, bestemd voor vrienden en familie van de overledene en hem. Benschop was al voor 1904 tot 1924 werkzaam bij de PTT waar Van Royen zijn superieur was.Benschop was per 1 september 1904 als eerste klerk benoemd bij de PTT waar hij toen al tijdelijk werkzaam was; hij doorliep verschillende rangen en kreeg per 30 september 1924, als hoofdcommies, op zijn verzoek eervol ontslag verleend. In diezelfde periode deed hij, na eerst in 1910 toelatingsexamen te hebben gedaan voor de universiteit, een studie rechten waarin hij in 1914 op stellingen promoveerde. Hij publiceerde, ook nog na zijn ontslag, over het postwezen. Zij had bij haar overlijden de vertaling nog niet voltooid en hij maakte die af, mede op basis van nog door haar gemaakte aantekeningen. De overeenkomsten tussen de vormgeving door Van Royen van het proefschrift, en nog meer deze uitgave van Plutarchus en zijn edities vanaf 1913 voor De Zilverdistel zijn frappant.

De Zilverdistel (1913-1919)

thumb|Eerste pagina van Cheops (1916)In 1913 werd Van Royen betrokken bij de eerste Nederlandse private press: De Zilverdistel. Deze uitgeverij liet uitgaven drukken bij commerciële drukkerijen, maar naar aanwijzingen van de uitgevers. De eerste uitgave waar Van Royen bij betrokken was, was het in 1913 bij de firma Enschedé gedrukte Een abel spel van Lanseloet van Denemerken. In 1915 beschikte Van Royen echter over zijn eigen handpers en in dat jaar verscheen ook de eerste echte handdrukuitgave: een catalogus van de uitgaven van De Zilverdistel, acht pagina's ingenaaid in een omslag; deze catalogus wordt beschouwd als de eerste bibliofiele Nederlandse handpersdruk. Een jaar later pas verscheen de eerste echte handpersuitgave: Over boekkunst en de Zilverdistel die mede door Van Royen was geschreven. Daarna zou Van Royen tot 1919 nog vijf uitgaven voor De Zilverdistel op zijn handpers drukken. Zonder zijn compagnon in te lichten, begon hij vervolgens zijn eigen Kunera Pers en hield De Zilverdistel op te bestaan.

In De Amsterdammer ontstond in juni-juli 1914 na de eerste uitgaven waaraan Van Royen meewerkte een felle polemiek tussen de typografen Jan van Krimpen en S.H. de Roos of die nu wel al dan niet typografisch goed en mooi konden worden geacht. Dit gebeurde naar aanleiding van een anoniem, lovend artikel in de Nieuwe Rotterdamsche Courant van 30 december 1913. Cees van Dijk (1925-2019) weet deze onenigheid tussen beide typografen aan de niet aflatende rivaliteit tussen hen tweeën en hun beider werkgevers, de twee concurrenten van de Amsterdamse Lettergieterij en de drukkerij van Joh. Enschedé.<ref>Zie hiervoor de uitgave Een 'Haagse Uitgeverij''' (1990).</ref>

Uitgaven door Van Royen voor de Zilverdistel Zilverdistelboeken uitgegeven en in bewerking, MCMX-MCMXIV. 1915. J.F. van Royen en P.N. van Eyck, Over boekkunst en de Zilverdistel, juni 1916.Over boekkunst en De Zilverdistel, website KB, geraadpleegd 18-11-2020. Gearchiveerd op 29 oktober 2020.Die Gedichte von Friedrich von Hardenberg genannt Novalis. 1915. J.H. Leopold, Cheops. 1916. Percy Bysshe Shelley, Prometheus unbound: a lyrical drama in four acts. 1917.Een boecxken gemaket van Suster Bertken die LVII jaren besloten heeft gheseten tot Utrecht in dye Buerkercke. 1918. Willem Kloos, Verzen uit de jaren 1880-1890. 1919.

Lettertypen Zilvertype (1915) In 1915 liet hij de letter Zilvertype ontwerpen. De ontwerper ervan was S.H. de Roos.

Disteltype (1916) In 1916 liet hij de letter Disteltype ontwerpen. De ontwerper ervan was Lucien Pissarro.

Kunera Pers (1922-1942) miniatuur|Boutens, P.C., In den Keerkring, Kunera Pers, 1942 De laatste uitgave van De Zilverdistel drukte Van Royen in 1919. Daarna begon hij zijn eigen handdrukpers die hij de Kunera Pers doopte, naar de heilige Cunera van Rhenen. Een soort van beginselverklaring en historie van het ontstaan van de pers legde Van Royen uit in de aankondiging van verschijnen van diens eerste uitgave (gedateerd september 1923), Oostersch. Hij verklaarde daarbij dat de tijd van De Zilverdistel voorbij was, een pers waarvan hij overigens slechts een van de medewerkers was en dus niet alles alleen kon bepalen, en dat "De tijd bracht een nieuwen drang en andere gedachten", die uitmondden in de Kunera Pers. Hij ging daarbij in op de legende van Kunera en merkte over haar (en de pers) op: "Een veelvoudige harmonie, zeldzaam in de dingen buiten ons, maar levenseisch voor alles wat ons blijvend boeien zal. Een harmonie, gelijk die in de boekkunst ook, opgroeiende uit inhoud, vormgeving & geesteshouding de eenige rechtvaardiging voor hare werken is & 't offerrijke drukken tot een doorgang naar bevrijding en verheffing maakt. Zoo werd mij de naam van Kunera symbool voor het werk van mijn pers en neem ik haar lieflijke gestalte in mijn boeken op". Hij refereert tevens aan een "oud boekje" waarin die legende wordt verhaald en "dat ook een houtsnede bevat, voorstellende Kunera voor een venster: zij is een lieflijk princesje tusschen de twee die haar vermoordden, een kleine kroon op het hoofd tegen den achtergrond van haar heiligenschijn, die blank en groot is als de maan". Een afbeelding van Kunera aan het water met op de achtergrond de kerk van Rhenen, ontworpen door Lucien Pissarro op aanwijzingen van Van Royen, is in het colofon van de uitgaven opgenomen.

De eerste uitgave betrof dus Leopolds Oostersch die in 1924 gereed kwam (hoewel de uitgave het jaartal 1922 draagt; ook latere uitgaven zouden geantedateerd blijken). De laatste uitgave betrof er een van Boutens die juist voor zijn aanhouding en overlijden gereed kwam. miniatuur|Œuvres de François Villon. Le lais, le testament et ses ballades. 's-Gravenhage, Kunera Pers, 1926 Boutens' uitgave kwam eigenlijk tussendoor, want Van Royen was in 1941 begonnen met de plannen voor een uitgave van Karel ende Elegast waarvoor hij Dirk van Gelder (1907-1990) als illustrator aanzocht. Dat volgde op de oorspronkelijke plannen die P.N. van Eyck al in 1912 in De witte mier inzake De Zilverdistel had ontvouwd: de uitgave van een reeks middeleeuwse teksten waarbij Karel ende Elegast expliciet genoemd wordt. In 1915 had Van Royen al plannen voor die uitgave op zijn eigen pers toen hij daarover in contact trad met de neerlandicus dr. Pieter Leendertz (1860-1936), gebaseerd op een incunabel in de Koninklijke Bibliotheek.Leendertz had eerder meegewerkt aan de Zilverdisteluitgave Lanseloet van Denemerken in 1913, naar het Hulthemse handschrift uitgegeven. Die plannen werden toen niet doorgezet, maar in oktober 1941 werden die plannen opnieuw concreet toen Van Royen Van Gelder aanschreef voor de illustratie bij de uitgave. Het Van Royen-archief bevat al aanzetten tot deze uitgave, maar door het overlijden van Van Royen is deze uitgave er nooit gekomen.Zie over deze niet tot stand gekomen uitgave, inclusief de briefwisseling Van Royen-Van Gelder: Tax (2005).

Uitgaven door Van Royen voor de Kunera Pers J.H. Leopold, Oostersch. Verzen naar Perzische en Arabische dichters. 1922 [=1924]. François Villon, Œuvres. Le lais, le testament et ses ballades. 1926. Arthur van Schendel, Maneschyn. 1927 [=1928]. Charles Péguy, La tapisserie de Notre Dame. 1913 [=1929]. P.C. Boutens, In den keerkring. Zeven gedichten. 1941 [=1942; uitgave van de Nederlandsche Vereeniging voor Druk- en Boekkunst, gedrukt door de Kunera Pers].

Naleven