Feministische opvattingen over pornografie variëren van een algehele veroordeling van pornografie als een vorm van geweld tegen vrouwen tot het omarmen van sommige vormen van pornografie als middel tot feministische expressie. Deze discussie valt binnen breder debat over feministische opvattingen over seksualiteit in het algemeen en is nauw verwant aan die over prostitutie, BDSM en andere zaken. Pornografie is een van de meest polariserende kwesties in het feminisme. Deze diepe verdeeldheid kwam voor het eerst tot uiting in de feminist sex wars van de jaren 1980, waarin anti-porno-activisten tegenover seks-positieve feministen kwamen te staan.

Anti-pornografisch feminisme

Feministische tegenstanders van pornografie — zoals Andrea Dworkin, Catharine MacKinnon, Robin Morgan, Diana E. H. Russell, Alice Schwarzer, Gail Dines en Robert Jensen — stellen dat pornografie schadelijk is voor vrouwen en dat er een sterk causaal verband is tussen porno en geweld tegen vrouwen of dat dit door porno mede mogelijk wordt gemaakt. Sommigen beweren dat pornografie door mannen wordt gebruikt als een soort 'gids' om vrouwen te leren haten, mishandelen en beheersen.

Catharine McKinnon en Andrea Dworkin namen allebei los van elkaar in de jaren 1980 het standpunt in dat pornografie inherent uitbuitend is jegens vrouwen en dat er burgerlijk recht ontwikkeld diende te worden om pornografen verantwoordelijk te houden voor de schade die ze aantoonbaar veroorzaakten door de productie, de verspreiding en het gebruik van hun publicaties. Toen Dworkin in 1986 bij de Meese Commission getuigde, zei ze dat 65 tot 75 procent van vrouwen in de prostitutie en hardcore pornografie slachtoffer van incest of seksueel kindermisbruik zouden zijn geweest. Andrea Dworkins activisme tegen pornografie in de jaren tachtig maakte haar een nationale bekendheid in de Verenigde Staten.

Schade aan vrouwen tijdens productie Anti-pornografische feministen, met name Catharine MacKinnon, beweren dat de productie van pornografie fysieke, psychologische en/of economische dwang vereisen tegen vrouwen die erin optreden en modelleren. Dit zou zelfs het geval zijn wanneer de vrouwen worden getoond op een manier alsof ze er zelf van genieten.Shrage, Laurie (Fall 2015), "Feminist perspectives on sex markets: pornography", Tevens wordt er beargumenteerd dat veel van wat er wordt vertoond in wezen mishandelend is. Gail Dines is van mening dat pornografie, bijvoorbeeld gonzopornografie, steeds gewelddadiger aan het worden is en dat vrouwen die in pornografie optreden worden mishandeld in het productieproces. Presentation at: Pornography & Pop Culture - Rethinking Theory, Reframing Activism. Archived at Google Video. See also News: Anti-pornography conference, March 2007.

Anti-pornografische feministen wijzen verder op de getuigenissen van bekende pornoactrices zoals Traci Lords en Linda Boreman en stellen dat de meeste vrouwelijke acteurs worden gedwongen om de porno-industrie in te gaan, ofwel door iemand anders, ofwel door een ongelukkige samenloop van omstandigheden. De feministische anti-pornografiebeweging werd aangewakkeld door de publicatie van de autobiografie Ordeal (1980), waarin Linda Boreman (die met de artiestennaam "Linda Lovelace" de hoofdrol speelde in de film Deep Throat uit 1972) beweerde dat ze door haar echtgenoot Chuck Traynor was geslagen en verkracht, dat hij zich als een pooier naar haar gedroeg, haar onder bedreiging van een pistool had gedwongen om de scènes in Deep Throat te spelen en met zowel fysiek als emotioneel geweld en dreigementen dwong om nog meer pornofilms te maken. Dworkin, MacKinnon en de organisatie Women Against Pornography hebben Boreman publiekelijke steunbetuigingen gegeven en met haar samengewerkt.

Sociale effecten

Seksuele objectificatie thumb|Catherine MacKinnon in 2006 MacKinnon en Dworkin defineerden pornografie als "de grafische expliciet seksuel onderschikking van vrouwen door beelden of woorden".

De effecten die pornografie heeft op degenen die het bekijken zijn gemengd en nog steeds fel omstreden. Over het algemeen heeft onderzoek zich gericht op de effecten van het vrijwillig bekijken van porno. Er zijn ook studies die zich hebben gericht op het analyseren van ongewilde confrontatie met pornografie, waaronder: het zien van naaktfoto's, mensen die seksuele handelingen verrichten, per ongeluk verkregen online zoekresultaten of het openen van online links naar pornografisch materiaal. Uit een studie van Shim & Paul (2014) bleek dat de meeste confrontatie met online pornografie onbedoeld en per ongeluk gebeurt. 42% van de mensen die online pornografie bekijken zijn tussen de 10 en 17 jaar; 66% van hen zijn wel eens onbedoeld geconfronteerd met pornografie. Dezelfde studie concludeerde uit een experiment onder 84 mannelijke studenten van 18 jaar en ouder dat degenen die ongevraagd blootgesteld werden aan hardcore seksistische pornografie, terwijl ze dachten anoniem te zijn, een grotere waarschijnlijkheid hadden om vrouwonvriendelijke opvattingen te ontwikkelen.

In haar artikel "Shades of Gay: Performance of Girl-on-Girl Pornography and mobile authenticities" maakte Valerie Webber onderscheid tussen de seks die in porno wordt vertoond en persoonlijke seksuele ervaringen in de privésfeer. Ze betoogde dat geacteerde seks normatieve ideeën oplevert over wat 'echte' seks is. Deze normatieve opvattingen worden dan overgedragen op persoonlijke ervaringen, waarbij mensen zich verplicht voelen om seks te hebben op manieren zoals ze die in porno hebben gezien. Webber concludeerde dat er geen echte authenticiteit bestaat in seksualiteit. Seks bezien door de lens van de pornografie is nog steeds legitiem, maar de meeste actrices (en acteurs) overdrijven de daad om het meer opwindend en intiem te maken voor het publiek. Ze legde uit dat "acteerwerk... authenticiteit niet per se uitsluit. Acteerwerk is het middel waarmee 'authenticiteit' als categorie wordt ontwikkeld". Daarentegen hadden de vrouwen die ze interviewde erg verschillende meningen over wat seks authentiek maakt, waarbij de meesten onder andere een gevoel van intimiteit noemden. Een van de geïnterviewden wees erop dat pornografie wordt gestigmatiseerd als nep, maar dat geldt niet voor alle actrices. Sommigen zijn volkomen bevredigd met de seks die zij voor porno uitvoeren, terwijl anderen melden dat ze zich weinig bevredigd voelen. Vrouwen die in de pornografie werken hebben daar verschillende redenen voor, net zoals bij andere beroepen. Sommige actrices doen het omdat ze graag hun publiek plezieren, sommigen doen het voor hun persoonlijke plezier en sommigen menen dat ze iets met artistieke waarde maken. Webber omschreef het als volgt: "Als nep gelijk staat aan 'slecht', dan moet goed gelijkstaan aan 'echt'. De motieven kunnen 'zuiver' zijn, maar wat die motieven zijn kan enorm verschillen".

Aanmoediging tot seksueel geweld tegen vrouwen Anti-pornografische feministen beweren dat pornoconsumptie een oorzaak is van verkrachting en andere vormen van (seksueel) geweld tegen vrouwen. Robin Morgan vat dit idee samen in haar vaak geciteerde uitspraak "Pornografie is de theorie en verkrachting is de praktijk."

Anti-pornografische feministen stellen dat pornografie de overheersing, vernedering en het dwingen van vrouwen erotiseert en seksuele en culturele houdingen die medeverantwoordelijk zijn voor verkrachting en seksuele intimidatie versterkt. MacKinnon beargumenteerde dat pornografie leidt tot een toename aan seksueel geweld tegen vrouwen door het voeden van verkrachtingsmythes. Dergelijke mythes zijn bijvoorbeeld het geloof dat vrouwen stiekem eigenlijk verkracht zouden willen worden en dat ze eigenlijk 'ja' bedoelen als ze 'nee' zeggen. Bovendien zou volgens MacKinnon porno de kijkers ongevoelig maken voor geweld tegen vrouwen. Er zou namelijk een toenemende behoefte zijn aan het zien van meer geweld om nog steeds seksueel opgewonden te raken; ze beweert dat dit effect goed gedocumenteerd is.

Verkrachting van kinderen Op grond van interviews die ze voerde met mannen die in de gevangenis zaten voor verkrachting van een prepuberaal kind, beweert Gail Dines dat alle geïnterviewden aanvankelijk "het idee afschuwelijk vonden" om een kind te verkrachten, maar dat ze een "gewoonte" ontwikkelden om kinderpornografie te consumeren nadat reguliere porno hen begon te vervelen. Het seksuele kindermisbruik (waarvoor ze uiteindelijk veroordeeld werden) gebeurde vervolgens binnen een halfjaar.

Verwrongen beeld van menselijke lichamen en seksualiteit Harry Brod, een marxistische feminist, formuleerde het volgende standpunt: "Ik zou stellen dat seks overschat wordt [door mannen] omdat mannen seks zoeken voor de vervulling van niet-seksuele emotionele behoeften, een zoektocht die gedoemd is om te falen. Voor een deel komt dit falen door de prioriteit van kwantiteit boven kwaliteit van seks, hetgeen een resultaat is van de commodificatie."

Haat tegen vrouwen Gail Dines zei dat 'pornografie het perfecte propagandastuk is voor het patriarchaat. Er niets anders waaruit hun haat voor ons zo duidelijk blijkt.'

Anti-pornografische feministische organisaties en campagnes Vanaf midden jaren 1970 tot begin jaren 1980 kregen demonstraties en marsen tegen pornografie en prostitutie brede steun van vrouwen en mannen over het gehele politieke spectrum. Vanaf eind jaren 1970 vormden anti-pornografische radicale feministen organisaties zoals Women Against Pornography, Women Against Violence in Pornography and Media, Women Against Violence Against Women, Feminists Fighting Pornography en soortgelijke groepen die educatieve evenementen aanboden zoals diapresentaties, gidswandelingen langs de seksshops in gebieden zoals Times Square in New York en Tenderloin in San Francisco, petities opstelden en nieuwsbrieven publiceerden om mensen bewust te maken van de inhoud van pornografie en de seksuele subcultuur in pornografiewinkels en live seksshows.

Vergelijkbare groepen kwamen ook op in het Verenigd Koninkrijk, waaronder groepen gericht op wetgeving zoals de Campaign Against Pornography en Campaign Against Pornography and Censorship en ook radicaal-feministische organisaties zoals Women Against Violence Against Women en het daarvan afgeleide directe actiegroep Angry Women.

Wetgevende en juridische inspanningen

Anti-pornografische Civil Rights Ordinance thumb|Andrea Dworkin in mei 1988 op televisie Veel anti-pornografische feministen — met name Dworkin en MacKinnon — pleitten voor wetten die pornografie definieerden als een schending van de burgerrechten en het vrouwen mogelijk zouden maken om pornografen voor een burgerlijke rechtbank te dagen. De Antipornography Civil Rights Ordinance die ze opstelden werd door de gemeenteraad van Minneapolis in 1983 twee keer aangenomen, maar tegengehouden door een veto van burgemeester Donald Fraser omdat de stad zich het niet zou kunnen veroorloven om rechtszaken te voeren over de vraag of de wet wel verenigbaar was met het Eerste amendement van de Amerikaanse Grondwet.

De Ordinance werd met succes aangenomen door de gemeenteraad van Indianapolis in 1984 en getekend door burgemeester William Hudnut en eveneens aangenomen door een burgerinitiatief Bellingham (Washington) in 1988, maar in beide gevallen ongrondwettig verklaard door staatsrechtbanken en federale rechtbanken. In 1986 bevestigde het Hooggerechtshof van de Verenigde Staten de uitspraken van de lagere rechtbanken in de zaak van Indianapolis zonder verder commentaar.

Veel anti-pornografische feministen steunden de wetgevende inspanningen, maar anderen maakten er bezwaar tegen, omdat dergelijke wetgevende campagnes vroeg of laat wel weer buiten werking zouden worden gesteld door de rechtbanken, de principes van vrijheid van expressie zouden schenden of de anti-pornografiebeweging zouden schaden door tijd en energie te verspillen aan politieke verwikkelingen in plaats van deze te investeren in onderwijs en directe actie.