De Onze-Lieve-Vrouwebasiliek, officieel: Basiliek van Onze-Lieve-Vrouw-Tenhemelopneming, ook wel Sterre-der-Zee of in het Maastrichts Slevrouwe genoemd, is een romaanse kerk in het centrum van de Nederlandse stad Maastricht, gelegen aan het Onze Lieve Vrouweplein. De basiliek is vooral bekend vanwege de imposante westbouw, de rijk gebeeldhouwde kapitelen in de kooromgang en de kapel met het beeld van de Sterre der Zee.

Het gebouw is een rijksmonument en behoort tot de in 1990 door Monumentenzorg opgestelde Top 100 van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg. De kerk, de kapel en de kruisgang met de pandhoftuin zijn dagelijks geopend en vrij toegankelijk; de schatkamer enkel na betaling aan de balie in de kruisgang.

Geschiedenis Oorsprong en bouw van de kerk Tot de 12e eeuw is de documentatie over de Onze-Lieve-Vrouwebasiliek zeer beperkt, aangezien het archief van de kerk in de Franse tijd verloren gegaan is. Algemeen wordt aangenomen dat de huidige kerk in elk geval één voorganger heeft gehad, waarschijnlijk meerdere.Bosman (1990), pp. 18, 87-89. De eerste daarvan zou de oudste kerk van Maastricht - en daarmee van Nederland - kunnen zijn geweest. Die eerste kerk zou mogelijk door een van de bisschoppen van Tongeren-Maastricht gebouwd zijn binnen de muren van het laatromeinse castellum, wellicht ter vervanging van een heidens heiligdom. Het is mogelijk dat die kerk dienst heeft gedaan als kathedraal van het Bisdom Maastricht (4e/5e/6e - 8e eeuw). Het patrocinium van Maria en de hechte banden tussen het Kapittel van Onze-Lieve-Vrouwe en dat van de Sint-Lambertuskathedraal van Luik zouden daarvoor aanwijzingen zijn.Bosman (1990), pp. 20-22. De vondst van een Merovingisch kapiteel op het terrein van de parochieschool aan de Stokstraat duidt op de aanwezigheid van een vroeg kerkgebouw in deze omgeving.Panhuysen (2011), pp. 20-21. Uit een schenking van bisschop Franco van Luik (856-903) blijkt dat er in elk geval eind 9e eeuw een Onze-Lieve-Vrouwekerk in Maastricht was.Van Nispen (1926/74), p. 469. Doordat nog geen archeologische opgravingen binnen de kerk plaatsgevonden hebben, kan echter niets met zekerheid gezegd worden over de voorganger(s) van de huidige kerk.

Het huidige kerkgebouw dateert deels uit de 11e eeuw, deels uit de 12e eeuw. In de kroniek van de bisschoppen van Kamerijk wordt melding gemaakt van de wijding van de crypte door Balderik van Loon, bisschop van Luik van 1008-1018. Kort nadien stortte deze crypte in. Uit voorzorg werden bij de herbouw extra steunpilaren toegevoegd om het gewicht van het priesterkoor erboven te kunnen dragen. De fundamenten van het westwerk moeten eveneens rond het jaar 1000 gelegd zijn. De grijze hoekstenen zijn spolia, waarschijnlijk afkomstig van de muren en poorten van het Romeinse fort dat vanaf 333 op deze plaats heeft gestaan en wellicht rond die tijd werd afgebroken.Panhuysen (1984), pp. 60-62. De koorpartij, het schip en het transept kwamen rond het midden van de 12e eeuw gereed.

Middeleeuwen Aan de kerk was, in elk geval vanaf omstreeks 1100, maar wellicht al vanaf de 9e of 10e eeuw, een seculier kapittel verbonden met aanvankelijk twintig, later achttien kanunniken.Bosman (1990), p. 22. De kanunniken leefden tot omstreeks 1200 samen als geestelijke gemeenschap, maar gingen na verloop van tijd zelfstandig wonen in kanunnikenhuizen in de nabijheid van de kerk, binnen de zogenaamde immuniteit of claustrale singel. De kapittelzaal bevond zich in de huidige sacristie, grenzend aan het noordertransept en de kloostergang. Achter de kapittelzaal lag de Sint-Annakapel, de privékapel van het kapittel. De kanunniken werden in principe door de bisschop van Luik benoemd; in de praktijk werden vrijgekomen prebenden verkocht aan de hoogste bieders, vaak jongere, niet-ervende zonen uit adellijke families. De kanunniken kozen uit hun midden zowel de proost, de hoogste gezagsdrager, en de deken, het geestelijk hoofd van het kapittel. De proost werd gekozen uit de leden van het Luikse kapittel van Sint-Lambertus, het "moederkapittel". Een belangrijk proost van Onze-Lieve-Vrouwe in de 12e eeuw was Hendrik van Leyen, die tevens proost van Sint-Lambertus was en later bisschop van Luik. Naast de kanunniken waren er diverse kapelaans ("kleine kanunniken") aan de kerk verbonden, die tegen een vergoeding het meeste werk van de kanunniken overnamen. In totaal waren ongeveer 100 personen, leken en geestelijken, aan het kapittel verbonden.Ubachs/Evers (2005), p. 386.

In de kerk hadden de kanunniken hun eigen zitplaats in het koorgestoelte dat stond opgesteld aan de noord- en zuidzijde van de viering (deel uitmakend van de hoog gelegen koorruimte). Hier zongen of baden de kanunniken enkele keren per dag de koorgebeden. De deken zat rechts; de cantor (voorzanger) links. De koorruimte was door middel van een koorhek of doksaal afgesloten voor leken. Hoe de koorafsluiting eruitzag, is niet bekend. Wel worden in het 14e-eeuwse Liber Ordinarius, een liturgisch handboek, veelvuldig de twee deuren in de koorafsluiting genoemd. Aan de westzijde van de koorruimte stond een lezenaar, meestal aangeduid als aquila (adelaar). Daarboven hing een kruis. In de Paastijd stond er een Heilig Graf in het middenschip opgesteld, waar de priester op Goede Vrijdag een crucifix neerlegde onder een doek. In de 14e eeuw telde de kerk 33 altaren, de meeste geplaatst bij pijlers in het schip, waaraan dagelijks (meerdere) missen werden opgedragen. Van enkele altaren is het patrocinium bekend: Sint-Nicolaas (in het westwerkkoor), Sint-Blasius (in de oostcrypte), het Heilig Kruis (in het middenschip in medio ecclesiae), Sint-Catharina (bij de zuidoostelijke pijler in het schip, waar nog steeds een pijlerschildering van de heilige te zien is), Sint-Cornelius (waarschijnlijk in het noordertransept) en Johannes de Evangelist (in de kruisgang). Sommige heiligenbeelden die thans nog in de kerk aanwezig zijn, stonden mogelijk op deze altaren. In de kerk stonden geen kerkbanken.Bosman (1990), pp. 161-171.

thumb|left|190px|Toningsformulier reliekenschat In de schatkamer van de Onze-Lieve-Vrouwebasiliek bevindt zich een zogenaamd "toningsformulier" uit het begin van de 17e eeuw, waarop de belangrijkste relieken en reliekhouders van de kerk zijn afgebeeld. Een groot deel daarvan is in de Franse tijd verloren gegaan . Het grote Byzantijnse patriarchaalkruis uit Constantinopel, afgebeeld in het midden van het formulier, werd in 1837 door een oud-kanunnik aan paus Gregorius XVI geschonken. Het formulier en de overgebleven relieken in de kerk en schatkamer tonen aan dat de Onze-Lieve-Vrouwekerk een belangrijke bedevaartskerk was, hoewel ze altijd in de schaduw stond van de Sint-Servaaskerk. Gedurende de middeleeuwen waren er regelmatig conflicten met het Sint-Servaaskapittel over het tonen van de relieken in het openbaar, vooral tijdens de Heiligdomsvaart.De Kreek (1990), pp. 122-135.

In oude documenten worden de parochianen van Onze-Lieve-Vrouwe aangeduid als behorende bij de Familia Sancti Lambertii.Bosman (1990), p. 21. Vanaf 1343 was de kerk, in navolging van de Sint-Servaaskerk, nog uitsluitend kapittelkerk en bedevaartskerk. De parochieactiviteiten werden verplaatst naar de nieuwgebouwde Sint-Nicolaaskerk, direct naast de Onze-Lieve-Vrouwekerk gelegen.Ubachs/Evers (2005), p. 370, Daarnaast telde de parochie nog enkele - niet meer bestaande - kerspelkapellen: de Sint-Hilariuskapel (op de plek van de huidige Waalse kerk), de Sint-Evergisluskapel (hoek Kesselskade/Maastrichter Brugstraat) en de Maria-Minorkapel (ook wel Maria-ten-Oever; op de plek van de Augustijnenkerk in de Mariastraat).Bosman (1990), pp. 165-166.

Ancien régime en Franse tijd

In de Onze-Lieve-Vrouwekerk werden vanaf de middeleeuwen tot aan het einde van het ancien régime de maten van de stad Maastricht bewaard. In de Barbaratoren, de zuidelijke koortoren, lagen de stedelijke archieven opgeslagen. Ook werd in de kerk recht gesproken, in de bovenzaal van het westwerk en mogelijk ook aan de buitenzijde van het oostkoor.

De kerk heeft sinds de 12e eeuw relatief weinig veranderingen ondergaan. Waarschijnlijk werden in de 15e eeuw de vlakke, houten zolderingen vervangen door stenen, gotische gewelven, die in de 18e eeuw aan vervanging toe waren. Ook werden enkele ramen vergroot ten behoeve van verbeterde lichttoetreding. In de 16e eeuw moest de romaanse kloostergang plaatsmaken voor een laatgotische. Het interieur werd witgepleisterd en enigszins aangepast aan de smaak van de baroktijd. Aan de zuidzijde verscheen een neoclassicistisch portaal. Sommige van deze aanpassingen zijn door Cuypers eind 19e eeuw ongedaan gemaakt.

Het kerkgebouw lijkt de Beeldenstorm van 1566 redelijk doorstaan te hebben. Dat was anders bij de komst van de Fransen in 1794. Het kapittel kreeg aanvankelijk zware oorlogsschattingen opgelegd, waarvoor een deel van het liturgisch vaatwerk en ander kerkzilver moest worden omgesmolten. Eind 1797 werd het kapittel alsnog opgeheven. De kanunniken kregen een klein pensioen, maar de bezittingen van het kapittel, inclusief de kerk, werden geconfisqueerd. Doordat het gebouw een profane functie kreeg (militair magazijn, kanonnensmederij en paardenstal), bleef het wel bewaard. Een deel van het kerkmeubilair vond een onderkomen in de Sint-Nicolaaskerk, die als parochiekerk open mocht blijven. Een groot deel van de in vele eeuwen opgebouwde kerkschat, waaronder zeer zeldzame kunstschatten, ging in deze periode verloren.De Kreek (1994), pp. 44-45. Na het vertrek van de Fransen in 1814 nam de Nederlandse overheid het gebouw over en gebruikte het eveneens voor militaire doeleinden.

19e eeuw: heringebruikname en restauratie De voormalige kapittelkerk kreeg pas 40 jaar later weer een religieuze bestemming. Na eerdere, mislukte pogingen wist de parochie in 1837 de ontwijde kerk van de overheid terug te kopen. Een deel van het kerkmeubilair en enkele schilderijen en beelden waren in de Sint-Nicolaaskerk bewaard gebleven en kwamen in 1837 met de verhuizing van de Sint-Nicolaasparochie naar de Onze-Lieve-Vrouwekerk weer terug (de Sint-Nicolaas werd daarna gesloopt). Daarbij hoorden onder andere het doopvont van Aert van Tricht, het barokke (voormalige) hoofdaltaar, de preekstoel, een vijftal biechtstoelen en een aantal schilderijen en beelden. Ook het middeleeuwse genadebeeld van de Sterre der Zee bleef op die manier bewaard, waaraan de kerk tegenwoordig een belangrijk deel van haar aantrekkingskracht te danken heeft. In 1865 schonk de industrieel Petrus Laurentius Regout aan de kerk een koperen kroonluchter, afkomstig uit de Sint-Laurenskerk in Rotterdam.

Na de heringebruikname van de kerk had er weliswaar provisorisch herstel plaatsgevonden, maar aan het einde van de 19e eeuw verkeerde het gebouw in zeer slechte bouwkundige staat. Van 1886 tot 1916 vonden ingrijpende restauraties plaats onder leiding van de Roermondse architect Pierre Cuypers. Daarbij werden een aantal niet-romaanse toevoegingen uit de eeuwen na 1200 ongedaan gemaakt. Aan de zuidzijde werden de gotische ramen verkleind en enkele aanbouwen verwijderd. Het dak van het westwerk werd verlaagd, waardoor de westwerktorens beter tot hun recht kwamen. Sommige delen van de kerk, zoals de apsis en de koortorens, moesten vanwege hun bouwvalligheid vrijwel vanaf de fundering opnieuw worden opgebouwd. Het interieur van de kerk werd ontdaan van zijn neoclassicistische uitmonstering en teruggebracht in 'originele' (= romaanse) staat. De neoromaanse koorgewelfschildering dateert uit deze tijd. Het 18e-eeuwse doksaal en het koorgestoelte overleefden de Cuypers-restauratie niet. Het doksaal werd afgebroken en het koorgestoelte en een serie bijbehorende schilderijen van Jean-Baptiste Coclers verdween naar de basiliek van Meerssen.

De Cuypers-restauratie voltrok zich in dertig jaar tijd in fasen: 1882: opmetingstekeningen door rijksarchitect Adolph Mulder ten behoeve van de aanvraag van rijkssubsidie