thumb|Dubbele geus van de Koninklijke Marine De Koninklijke Marine (KM) is de zeemachtZowel de begrippen marine als zeemacht duiden gewoonlijk op zeestrijdkrachten. Onder bredere betekenis van zowel vloot, marine als zeemacht wordt ook de koopvaardij verstaan van het Koninkrijk der Nederlanden en een van de vier krijgsmachtdelen naast de Koninklijke Landmacht (KL), de Koninklijke Luchtmacht (KLu) en de Koninklijke Marechaussee (KMar). Het is het oudste krijgsmachtdeel van Nederland en haar motto luidt: wereldwijd veiligheid op en vanuit zee.https://www.defensie.nl/organisatie/marine/inhoud/taken. Gearchiveerd op 16 april 2017. Het bestaan van een permanent georganiseerde zeemacht in Nederland dateert naar 8 januari 1488, toen de Habsburgse keizer Maximiliaan I de Ordonnantie op de Admiraliteit uitgaf. Ruim 3 eeuwen later, in 1813, ontving de marine onder Koning Willem het predicaat Koninklijk.

Gedurende de 17e eeuw behoorde de Staatse vloot van de Republiek tot de machtigste marines ter wereld en speelde de zeemacht een belangrijke rol in de Engels-Nederlandse oorlogen, de Hollandse Oorlog en de oorlogen tegen Spanje. Ook in de latere napoleontische oorlogen, respectievelijk onder de Bataafse Republiek en het Koninkrijk Holland, speelde de Nederlandse vloot een wezenlijke rol. Na het ontstaan van het moderne Koninkrijk der Nederlanden was de Koninklijke Marine voornamelijk actief ten dienste van de Nederlandse koloniën, hoofdzakelijk rondom Nederlands-Indië, alwaar de zeemacht bijdroeg aan de handhaving van het koloniale gezag. Tijdens de Tweede Wereldoorlog zetten eenheden van de marine de strijd tegen Duitsland en Japan voort in geallieerd verband. Er werden zware verliezen geleden, maar ook opmerkelijke successen geboekt, beiden voornamelijk in Aziatische wateren.

Met de onafhankelijkheid van Indonesië en het Nederlandse vertrek uit Nederlands-Nieuw-Guinea verlegde de marine haar aandacht naar maritieme samenwerking in NAVO-verband. NAVO-eskaders beveiligden scheepvaartroutes op de Atlantische Oceaan en in de Middellandse Zee. Gezamenlijk ging de vloot de strijd aan tegen de onderzeebootdreiging vanuit de landen van het Warschaupact. Na de val van de Berlijnse Muur verlegde de Koninklijke Marine de focus naar expeditionair optreden en het leveren van humanitaire ondersteuning. Met de dreiging van de Russische Federatie en de toenemende assertiviteit van China onderkent de marine echter het blijvende belang van voorbereiding op een grootschalig conventioneel conflict.

De Koninklijke Marine wordt geleid door de Commandant Zeestrijdkrachten, sinds 18 september 2025 viceadmiraal Harold Liebregs. Naast de vloot maakt ook het Korps Mariniers deel uit van de Koninklijke Marine. De Marine Luchtvaartdienst (MLD) werd in 2008 geïntegreerd in het Defensie Helikopter Commando en ondergebracht bij het Commando Luchtstrijdkrachten.

De personele sterkte van de marine bedroeg op 1 september 2024: 7.336 militairen, 2.989 burgers en 1.632 reservisten.Aantallen personeel, ministerie van Defensie

Geschiedenis Voorlopers

thumb|Slag bij de Doggersbank Onder andere door de kaapvaart, maar ook in tijden van oorlog, ontstond de behoefte aan een vloothoofd. Lodewijk van Male, de graaf van Vlaanderen, het gebied dat in die tijd het meest ontwikkeld was in de Nederlanden, stelde in 1356 voor het eerst een admiraal aan. Aanvankelijk een tijdelijke functie maar na verloop van tijd werd de functie van admiraal van Vlaanderen vast.

In de overige gebieden was het echter nog steeds een tijdelijk vloothoofd. Onder de Bourgondiërs werd gepoogd dit te centraliseren. Onder de Habsburgers werd in 1485 Filips van Kleef de eerste admiraal die voor de gehele Nederlanden werd aangesteld. Op 8 januari 1488 werd de Ordonnantie op de Admiraliteit uitgegeven. De gewestelijke belangen kwamen echter vaak niet overeen met die van elkaar of de Habsburgers. Na het uitbreken van De Opstand kwam het in de Republiek tot een decentralisatie in de verschillende Admiraliteiten. In de Spaanse Nederlanden werd de centralisatie wel doorgezet.

In de achttiende eeuw kon de Staatse vloot niet meer op tegen Groot-Brittannië en Frankrijk. Een ambitieus bouwprogramma in de jaren 1780 kon het rampzalige verloop van de Vierde Engels-Nederlandse Oorlog (1780-1784) tegen Engeland niet keren. Bij de Vrede van Parijs kreeg Engeland het recht op de vrije vaart in de Oost-Indische wateren en had de totale heerschappij op zee.

Franse tijd De Franse tijd (1795-1813) kenmerkte zich door een verdere achteruitgang van de marine ondanks toepassing van enkele hervormingsvoorstellen. De vijf admiraliteiten werden vervangen door een centrale organisatie, het Comité tot de Zaken van de Marine, daarna de Agent van Marine, en later het ministerie in Den Haag. Ondanks de centralisatie liet men vele werven en werkplaatsen - omwille van werkgelegenheid - nog lang bestaan. Uiteindelijk resteerde een bescheiden en neutrale rol, voor de marine in de negentiende en het begin van de twintigste eeuw beperkt tot patrouilletaken in de Indische wateren.

De oorlogsschepen bleven noodgedwongen binnengaats. Een aantal schepen wist Willem V naar Groot-Brittannië te volgen en andere werden op weg naar of in Indische wateren door de Britten buitgemaakt. Na overgave van een eskader Oost-Indiëvaarders in de Saldanhabaai in 1796 (zie Capitulatie in de Saldanhabaai) en de verloren Zeeslag bij Kamperduin in 1797, was het Vlieter-incident - waarbij schout-bij-nacht Samuel Story zijn eskader overgaf aan de Britten bij De Vlieter in 1799 - de genadeslag voor de Bataafse vloot. Na inlijving bij het Franse Keizerrijk in 1810 kon de marine niet meer zelfstandig opereren.

Koninkrijk der Nederlanden thumb|De Koninklijke Nederlandse Marine oefent op de Noordzee, 1936

In 1813 eindigde de Franse tijd en ontstond het Koninkrijk der Nederlanden onder koning Willem I. Op 7 december 1813 werd Joan Cornelis van der Hoop tot commissaris-generaal benoemd en later tot minister van Marine en was er weer sprake van een zelfstandige organisatie: eerst de Koninklijke Nederlandse Zeemacht en vanaf 1905 de Koninklijke Marine. Dit koninkrijk was door de grote mogendheden uit de Coalitie tegen Napoleon op het Congres van Wenen bedoeld als een sterke bufferstaat tegenover Frankrijk en moest daarom van een sterke vloot worden voorzien. Bij het Verdrag van Parijs van 30 mei 1814 ontving de nieuwe Zeemacht tientallen schepen uit de inventaris van Frankrijk, deze vormden de eerste twintig jaar de kern van de vloot. Gaandeweg werden ook nieuwe schepen gebouwd en vanaf 1826 deed stoomvoortstuwing zijn intrede, in zijn eerste vorm als raderstoomboten.

Na het verdwijnen van het linieschip in het midden van de negentiende eeuw wisselden vele scheepstypen elkaar af. De uitvinding van de scheepsschroef eind jaren 1830 bespoedigde de toepassing van stoomvoortstuwing. Vanaf 1875 bouwde men stoomschepen waarmee de zeilperiode werd afgesloten. Ook werd hout vervangen door ijzer; ontwikkelingen op artilleriegebied verbeterden het geschutsbereik, het kaliber en de trefzekerheid waardoor bepantsering noodzakelijk werd.

Na de Amerikaanse en Oostenrijkse successen kwam het rammen in de tweede helft van de negentiende eeuw korte tijd in de belangstelling. Zodoende werd voor de Koninklijke Marine in 1868 de Schorpioen in dienst gesteld. In datzelfde jaar werden drie zusterschepen door de marine in gebruik genomen: de Stier, de Buffel en de Guina. Dit waren ramtorenschepen en ze vormden een belangrijke modernisering van de vloot. Ze waren bedoeld ter vervanging van de houten schepen met stoom- en zeilkracht en gladloopkanonnen van de Nederlandse marine. De kanonnen waren nog voorlaadkanonnen.

Rond de eeuwwisseling werden torpedo’s en mijnen een geducht aanvals- en verdedigingswapen. Op technisch gebied liep de Koninklijke Marine steeds meer achter bij de Europese mogendheden. Ontwikkelingen als de stoommachine, bepantsering, torpedo's en onderzeeboten werden veel later geïntroduceerd. Zo bouwde de Koninklijke Marine nog pantserschepen toen dat concept door de komst van de slagschepen van het type Dreadnought elders al was achterhaald. Slagschepen, opgenomen in een vlootplan van 1912-1913, kwamen er niet. Nog in 1925 werden kruisers met kanonnen achter schilden in gebruik genomen, terwijl andere marines al gesloten geschutskoepels hanteerden. Bij de bouw van moderne oorlogsschepen gebruikte de marine buitenlandse ontwerpen. Zowel de torpedobootjagers van de Wolf- als van de Admiralenklasse waren op Britse ontwerpen gebaseerd. De eerste onderzeeboot voor Nederland was naar een Amerikaans ontwerp gebouwd.

De onderzeedienst werd opgericht op 21 december 1906. De marine was nu meer bij de tijd: in de jaren 1930 werd een belangrijke technische verbetering gedaan. Luitenant-ter-zee Wichers en schout-bij-nacht Van Pappelendam introduceerden de snuiver-installatie, waardoor onderzeeboten onder water varend op de dieselmotor hun accu's konden bijladen. In 1938 werd dit systeem voor het eerst toegepast. Merkwaardig genoeg liet de Royal Navy dit apparaat in de Tweede Wereldoorlog verwijderen. De Duitsers, die met de snuiver kennismaakten na de inval in Nederland, ontwikkelden het echter verder en rustten er al hun onderzeeboten ermee uit. De Amerikanen ontdekten het systeem aan het eind van de oorlog, toen een Duitse onderzeeboot in hun handen viel en zij beschouwden het als een Duitse uitvinding.

Een andere innovatie was het op drie assen gestabiliseerde 40 mm luchtdoelgeschut. Door de Hr. Ms. Van Kinsbergen werd dit op 20 augustus 1940 getoond aan de bemanning van de Amerikaanse kruiser Tuscaloosa. Het systeem viel bij de Amerikanen zo in de smaak, dat zij de technische gegevens overnamen en het in de Tweede Wereldoorlog op grote schaal produceerden en toepasten.

Voor de Nederlandse kustverdediging deden kleine scheepstypen als monitors en kanonneerboten dienst. In Nederlands-Indië was lange tijd het schroefstoomschip de kern van de vloot, gevolgd door pantserschepen, torpedoboten, kruisers en onderzeeboten. Tijdens de Eerste Wereldoorlog was de marine hoofdzakelijk in Indische wateren aanwezig. Na de oorlog kreeg de marine een nieuw wapen, het vliegtuig en werd in 1917 de Marine Luchtvaartdienst opgericht. Per 1 september 1928 werd het zelfstandige ministerie van Marine in een nieuw ministerie van Defensie opgenomen. In de jaren 1920 en 1930 kwamen de bezuinigingen op gang wat in 1933 tot een staking en muiterij op Hr. Ms. De Zeven Provinciën leidde. De regering liet er een bom op gooien, dat kostte 23 doden en veertien gewonden.

Opleiding Hoewel het merendeel van de aspirant-officieren hun opleiding in de praktijk aan boord kreeg, kwam er voor het eerst een adelborstenopleiding aan de wal. Op 10 januari 1816 werd het Marine-Instituut voor de opleiding tot officier opgericht. Op 28 augustus 1829 werd het Koninklijk Instituut voor de Marine opgericht.

Nederlands-Indië thumb|Onderzeeboot K XIII in de haven van Ambon Tussen 1783 en 1789 werden voor het eerst marine-eskaders naar Nederlands-Indië gezonden ter ondersteuning van de VOC. In de negentiende eeuw, na de opheffing van de VOC, verschoof de hoofdtaak van de Nederlandse zeemacht naar Nederlands-Indië. Dit was mogelijk door beperking van de taak in Europa tot kustverdediging.