De Refaïeten (Hebreeuws: רְפָאִים֙, rəfā’îm, Ugaritisch: 𐎗𐎔𐎜𐎎, rpʾum, Fenicisch: 𐤓𐤐𐤀𐤌, rpʾm) of (verouderd) Refaïm zijn een mytisch volk in de Hebreeuwse Bijbel. Naar hen is het Refaïmdal genoemd.

Hebreeuwse Bijbel In de Hebreeuwse Bijbel worden de Refaïeten genoemd in een opsomming van Kanaänitische volken (Genesis 14:5; 15:20). In Jozua 12:4 wordt het gebied van de mythische koning Og van Basan "het land van de Refaïeten" genoemd. Het lag in de buurt van de huidige Golanhoogvlakte. Og zelf zou nog van hen afstammen (Jozua 13:12). Zijn bed was ongeveer 1,8 x 4 meter (Deuteronomium 3:11).

Volgens de Hebreeuwse Bijbel noemden de Moabieten de Refaïeten 'Emieten', zo lang als de Enakieten (Deuteronomium 2:10-11), "reuzen" (Numeri 13:33), en de Ammonieten noemden de Refaïeten 'Zamzummieten' (Deuteronomium 2:20).

In 2 Samuel 21:15-22 en 1 Kronieken 20:4-8 worden diverse Refaïeten in relatie tot grote krijgers en vijanden van de Israëlieten genoemd. De bekendste daarvan is reus Goliat, die in deze versie van het verhaal niet door David werd verslagen maar door "Elchanan, zoon van Jari uit Bethlehem". Volgens 1 Kronieken doodde "Elchanan, de zoon van Jaïr", Goliats broer Lachmi.

Schimmen in het dodenrijk In Jesaja 26:14, Psalm 88:11 en Spreuken 9:18 wordt het metonym מֵתִים, metim voor de Refaïeten gebruikt als aanduiding van bewoners van sjeol (het dodenrijk in het jodendom). Dit wordt in de Nieuwe Bijbelvertaling vertaald met 'schimmen'. Uit Jesaja 14:9 blijkt het koninklijke karakter dan aan deze schimmen werd toegeschreven:

Uit het erop volgende vers 14:10 blijkt ook hoe zwak ze zijn. Om die reden wordt aangenomen dat het Hebreeuwse רְפָאִים֙, rəfā’îm is afgeleid van de wortel rph, zwak zijn" en dat Refaïet misschien "mat", "slaap" betekent.

Mogelijke relatie met Ugaritische bronnen Over het algemeen wordt aangenomen dat de Ugaritische rāpi’ūma, "helers" (afgeleid van de wortel rp’, "genezen") gelijk zijn of op zijn minst verwant aan de Hebreeuwse rəfā’îm. Ze komen in meerdere teksten voor.Zoals in KTU 1.6 VI,45-46; KTU 1.15 III,3-4.14-15; KTU 1.20-22; KTU 1.108; KTU 1.124 In de zogeheten rāpi’ūma-teksten KTU 1.20-22 gaan de rāpi’ūma in op een uitnodiging voor een koninklijk banket, waarvoor zij drie dagen onderweg zijn uit de onderwereld. In KTU 1.108 zegent de leider van de rāpi’ūma de dienstdoende koning voorafgaande aan het banket. Mogelijk was dit banket ter ere van de voorouders; hier zou een verband kunnen zijn met de traditie waarnaar Ezechiël 43:7 verwijst. In KTU 1.15 en KTU 1.124 wordt duidelijk dat de rāpi’ūma verantwoordelijk zijn voor het voortbestaan van de dynastie.Th.J. Lewis (1996): Toward a literary Translation of the Rephaim Texts, in: N. Wyatt / W.G.E. Watson / J.B. Lloyd (uitg.): Ugarit, Religion and Culture. Proceedings of the International Colloquium on Ugarit, Religion and Culture Edinburgh, juli 1994 (FS J.C.L. Gibson; UBL 12), Münster, pag. 115-149

Koning Tabnit I van Sidon vervloekte iedere toekomstige schender van zijn graf: "Moge er geen rustplaats voor u zijn bij de rāpi’ūma".H. Donner, W. Roellig (1962): Kanaanäische und aramäische Inschriften (KAI), 13, regel 7–8; COS II, 182 Zijn zoon koning Eshmunazar II gebruikte dezelfde formule en voegde hieraan toe " ... en moge zij niet in een graf worden begraven".H. Donner, W. Roellig (1962): Kanaanäische und aramäische Inschriften (KAI), 14, regel 8; COS II, 183

Nieuwe Testament Volgens Richard Cumberland was Refan (uit Handelingen 7:43) dezelfde als Moloch, Kewan (uit Amos 5:26) en Kronos.Richard Cumberland (1720): Sanchoniatho's Phoenician history, Ecco Print Editions, pag. 247, 255

Zie ook Rujm al-Hīrī, of Gilgal Refaim (wiel van de Refaïm) Nefilim

Categorie:Hebreeuwse Bijbel