Jacob Beels (overleden in 1558) — in de historische bronnen vaak als ‘Beils’, ‘Beyls’ of ‘Beilz’ geschreven — was een notabele van Hoeke, momenteel een fusiegemeente van de Belgische stad Damme, maar in de eerste helft van de zestiende eeuw was het nog een juridisch onafhankelijke stad langs het Zwin. Het verval van de haven en de leegloop van de stad hadden zich toen reeds voltrokken. De leden van de kleine gemeenschap leefden grotendeels van landbouw. Beels bezat in 1554 15% van alle grond in de stad, naast de vele percelen die hij daarbuiten pachtte.
Afkomst Jacob Beels stamde uit een familie met diepe wortels in de stad. Zijn grootvader Quinten Beels (overleden in 1498) was 30 jaar actief in de Hoekse politiek. Na Quinten was ook zijn zoon Pieter (overleden in 1517), de vader van Jacob, betrokken bij het openbare leven in Hoeke. Zijn aanwezigheid was echter minder uitgesproken en van kortere duur, wat deels te wijten was aan zijn vroege dood. Uit de stadsrekeningen van Hoeke uit 1530 blijkt dat de voogden van de kinderen van Pieter een klein kapitaal aan de stad hebben geleend. Jacob Beels en zijn broer Cornelis waren op dat moment dus wees of halfwees, en duidelijk niet onbemiddeld.
Leven Kort na de dood van zijn vader begon Jacob Beels zijn publieke loopbaan. Zijn broer Cornelis liet zich niet in met ambten, maar Jacob toonde een onuitputtelijke dadendrang. Hij was achtereenvolgens schepen, burgemeester (21 keer), schatbewaarder van de stad en ontvanger/sluismeester van de watering van ’s Heer Baselishoek. Hij voerde zo goed als alle stedelijke taken uit en werd een centraal figuur in het bestuur van Hoeke. Jaar na jaar eigende Jacob Beels zich de beschikbare pachtgronden toe: het land en de waterschep op de grens met de watering Greveninge kwamen in zijn bezit. Hij kocht grond die poorters uit Brugge jarenlang in Hoeke in bezit hadden gehouden. Daarnaast trad hij zelf ook op als voogd van de wezen van de stad, wat goed aansloot bij zijn ambt als burgemeester en schathouder van de stad. Als voogd slaagde hij er relatief snel in de nodige budgetten te verzamelen om de “zware lasten van de stad te dragen”, met name voor infrastructuurwerken. Onder zijn leiding werd het stadhuis van Hoeke grondig verbouwd en verfraaid. Tijdens de verbouwing organiseerde hij zelf het transport van materialen tussen het kanaal en de werf, met behulp van zijn paarden, kar, en zijn knechten.
Magdaleena de Wielmaker, zijn vrouw Jacob Beels was gehuwd met Magdaleena de Wielmaker, de dochter van Jan de Wielmaker, een voormalig burgemeester van Hoeke, een tijd lang inwoner van het stadhuis, ontvanger van de watering ’s Heer Baselishoek en later baljuw van de steden Hoeke en Monnikerede. Uit de stadsrekeningen van Hoeke na de dood van Jacob blijkt dat hij een wettelijke zoon had — Boudewijn Jacobsseune Beels — en een bastaard: “Hansken”. Magdaleena zette als weduwe de pachten en de renten grotendeels voort, vermoedelijk met hulp van haar zoon, die echter vier jaar na de dood van zijn vader overleed. Een deel van het bezit ging naar Hansken. Na haar overlijden in 1577 (18 jaar na dat van Jacob), werd haar welstand duidelijk: haar vermogen was voldoende om de stadskist voor een jaar te vullen. Ze hertrouwde niet, wat ze zich dankzij haar bezittingen kon veroorloven. In haar laatste levensjaren stopte ze met het pachten van het land, maar de waterschep bleef tot haar dood in erfelijke cijns. Voor haar dood regelde ze nog meerdere jaargetijden. Volgens de kerkrekeningen werd de kist met haar lichaam ”in de beste polder” begraven. De grafzerk van Jacob Beels en Magdaleene bevindt zich nog steeds in de Sint-Jacob de Meerderekerk van Hoeke. Het jaartal van de dood van Magdaleena werd daarin leeg gelaten.
Categorie:Persoon in de Nederlanden in de 16e eeuw