Ephraim Daniel (roepnaam: Daniel) Pichot (Paramaribo, 21 januari 1753 - Maastricht, 27 februari 1847) was een Nederlands militair, politicus en bestuurder. Hij was onder andere rechter, mede-burgemeester van Maastricht en schepen van Maastricht en lid van Provinciale Staten van Noord-Brabant en Limburg.
Levensloop Ephraim Daniel Pichot was een telg uit het van oorsprong Franse hugenotengeslacht Pichot, waarvan leden eind zeventiende eeuw via Amsterdam in de kolonie Suriname terechtkwamen. Hij was de enige zoon van Jan Willem Pichot (1730-1802) en Anna Maria van der Beets (1725-1758). Drie zusjes zouden hun eerste levensjaar niet overleven. Zijn moeder overleed toen hij nog geen vijf jaar oud was. Twee jaar later, in 1760, nam zijn vader hem op een zakenreis mee naar Amsterdam, waar hij de zevenjarige jongen voor zijn opvoeding en onderwijs onderbracht bij een zakenvriend. Pichot sr. ging terug naar zijn suikerplantage Rac a Rac in Suriname, de kleine Daniel bleef achter, maar had in Amsterdam wel contact met zijn aangetrouwde grootvader Salomon du Plessis, de stiefvader van zijn vader.Stadsarchief Amsterdam, notariële akte dd. 7 september 1762, Insinuatie, scan online
Daniel Pichot koos voor een militaire loopbaan in het Staatse leger van de Republiek. Het was een leger van huurlingen: (inter)nationale beroepsmilitairen die tekenden voor een bepaalde periode. Aanvankelijk diende Pichot in 1774 als ritmeester bij de cavalerie in het garnizoen te Maastricht.Stadsarchief Amsterdam, Notariële archieven, dd. 7 april 1774: machtiging huwelijk. Hij huwde op 24 april 1774 als 22-jarige te Valkenburg en was eind dat jaar waarschijnlijk gedetacheerd in Den Bosch, daar zijn eerste kinderen (een tweeling) daar werden geboren. Enkele jaren later werd hij als luitenant benoemd bij het garnizoen te Maastricht.Nationaal Archief, Index Landmacht: Officieren, Onderofficieren en Manschappen (Staatse Militairen) (1707-1795): Infanterie-Regiment De Famars (Famais), cavalerie, Nummer toegang: 1.01.19, inventarisnummer: 1945 In acht jaar bracht hij het tot kapitein der Staatse cavalerie, maar in 1782 blijkt hij een punt gezet te hebben achter deze carrière.
Over Pichots activiteiten na 1782 en tijdens de twintig jaren die de Franse Tijd in Limburg duurde (1794-1814), is weinig met zekerheid te zeggen. Bij de komst van de Fransen in 1794 zou hij, om het strijdgewoel te ontlopen, met zijn familie Maastricht kortstondig hebben verlaten, mogelijk naar Amsterdam. Na de inname van Maastricht keerde hij terug. Hij was in 1794 ruim veertig jaar oud en stond bekend als tegenstander van het Franse bewind. Zoals meer Maastrichtenaren uit de hogere burgerij was hij lid van de vrijmetselarij en wel van de francofiele loge 'La Constance'.Spiertz (1964), pp. 29 en 118. In tegenstelling tot collega's die vanaf het begin van het Frans regime bestuursfuncties vervulden, liet hij zich echter niet in met de Franse overheid. Hij was Orangist; zijn kinderen zouden allen huwen met telgen uit vooraanstaande Staatse (bestuurs)families.Schaapveld (2017), p. 261. Bekend is, dat Napoleon op 21 januari 1810 een aantal zonen van plaatselijke notabelen, waaronder Pichot, tot onderluitenant benoemde, om te worden opgeleid aan een van de Franse militaire academies. De benoeming zou deels bedoeld zijn geweest om voormalige tegenstanders van het Frans bewind de kans te geven zich jegens de Franse overheid te rehabiliteren. Ondanks Pichots verzoek om uitstel, viel er aan de maatregel niet te tornen.Schaapveld (2017), p. 255. Zijn zoon Corneille zou definitief beroepsofficier worden.
Pichot bleef in de Franse Tijd dus in Maastricht en werd ondernemer, hoewel niet duidelijk is op welk terrein. In mei 1815 stelde hij in elk geval 40 tot 50 werknemers uit zijn "atelier" ter beschikking om het Fort Willem I versneld te kunnen afbouwen. Dat suggereert dat hij bouwmeester of aannemer was.Morreau (1979), p. 216. Onmiddellijk na het vertrek van de Fransen kreeg hij als Orangist bestuurlijke functies in het nieuwe Koninkrijk der Nederlanden. In 1814-1815 was hij lid van Provinciale Staten, eerst in Noord-Brabant (van 19 september 1814 tot ergens in 1815), daarna in het verenigde Limburg (18 maart 1816 tot 1 juli 1820).Benoemingen, in: Journal de la province de Limbourg, 12 maart 1816. Geraadpleegd op Delpher op 25 november 2023.Zie ook 'Ephraim Daniel Pichot', op resources.huygens.knaw.nl, geraadpleegd op 23 november 2023. Dat hij in 1820 niet als Statenlid herkozen werd, had mogelijk te maken met zijn oranjegezindheid, een overtuiging die op dat moment minder goed lag in de Maastrichtse en Limburgse politiek.Jacobs (2018), p. 309.
In 1815 werd Pichot tot mede-burgemeester van Maastricht benoemd, samen met André Charles Membrede, Godart van Slijpe en Théodore Joseph de Billehé de Valensart. Membrede was voorzitter van het college van burgemeesters, ofwel 'eerste burgemeester'.Jacobs (2018), p. 286. In 1819 werd hij opnieuw gekozen, nu in een college van drie burgemeesters, met Van Slijpe en Jean François Hennequin. Die laatste viel in 1821 af vanwege de 'schutterijkwestie', toen de koning hoogstpersoonlijk ingreep en de raad op non-actief stelde. Vanaf 1822 kon Pichot zijn taak tot 1830 voortzetten, nu als 'president-burgemeester'. Vanaf 1823 werd hij ook wel 'eerste schepen' genoemd. De periode 1830-1839, toen de stad bestuurd werd door generaal Dibbets, vormde een onderbreking, maar Pichot zou daarna tot 1844 lid blijven van het stadsbestuur.Administratief memoriaal voor het Hertogdom Limburg (1845), p. 8. Den Haag, 14 november 1844 Geraadpleegd op Delpher op 26 november 2023. Pichot was onder het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden ook steeds een van de leden van het Kiescollege van Maastricht.Zie: Journal de la province de Limbourg, 1825, 1827, 1829, 1841 (na de Belgische Opstand). Te raadplegen op Delpher.
Naast zijn bestuursfuncties werd Pichot in 1815 tot rechter benoemd bij de Rechtbank van Eerste Aanleg te Maastricht, tegelijk met P. van Slijpe. Dit was een oudere broer van burgemeester Jan Godart van Slijpe, wiens dochter in 1814 met een zoon van Pichot was getrouwd. Begin 1831 werd Pichot, inmiddels 78, als rechter ontslagen. Dat was ten tijde van de Belgische Opstand en de blokkade van Maastricht (1830-1833), toen de rechtbank door het Belgisch Voorlopig Bewind provisorisch was verplaatst naar Tongeren.
Op 27 juni 1835 werd Pichot benoemd tot ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw.'Intérieur. La Haye, 27 juin', in: Journal de La Haye, 's-Gravenhage, 27 juni 1835, p. 2. Geraadpleegd op Delpher op 25 november 2023.
Ephraim Daniel Pichot was lid en ouderling van de Waalse gemeente. Hij overleefde het merendeel van zijn kinderen en stierf op 27 februari 1847 op 94-jarige leeftijd in zijn huis aan de Bredestraat.Familiebericht, in: Journal du Limbourg, Maastricht, 2 maart 1847, p. 4. Geraadpleegd op Delpher op 25 november 2023.
Onroerend goed Al vóór de Franse Tijd was Ephraim Daniel Pichot een vermogend man. Kort na zijn huwelijk in 1774 sloot hij bij twee Amsterdamse handelaren een lening af tot een bedrag van twintigduizend gulden, waarvoor zijn vader borg stond.Borgstelling Jan Willem Pichot voor lening bij de handelaren mw. de weduwe Nicolas de Ruyter en dhr. Adriaan Floris Raap, 17 januari 1775 [ https://archief.amsterdam/indexen/deeds/9d6d21df-d8d8-666d-e053-b784100a1840] Onderpand was de te verwachten opbrengst van de verkoop van zijn Surinaamse goederen. Het was gezien de staat van onderhoud en bestuur van deze plantages echter lastig die aandelen kwijt te raken. Acht jaar later betaalde zijn vader hem vijftigduizend gulden voor de aankoop van die goederen (1882).
Als jong officier in het garnizoen van Maastricht (en korte tijd 's-Hertogenbosch) was hij ongetwijfeld ingekwartierd bij particulieren. Alleen de gewone soldaat woonde in de kazerne c.q. de barakken. Zijn oudste kinderen (een tweeling) werden geboren in 's-Hertogenbosch; de anderen op de jongste na in Maastricht. Aangenomen mag worden, dat Pichot een deel van zijn lening aanwendde voor de aankoop van onroerend goed in Maastricht. De jongste zoon werd in 1889 geboren in Bunde en ingeschreven in het doopregister van de Hervormde Gemeente te Meerssen, destijds als simultaankerk het kerkgebouw delend met de rooms-katholieke parochie van Meerssen. Mogelijk bezat hij toen in Bunde een buitenhuis.
In Maastricht bezat hij in 1802-1803 een statig en kapitaal pand aan de zuidzijde van de Rue Large (Bredestraat): nr. 21, dat vanwege de gevelsteen bekend stond als 'De Gulden Cop'. Het perceel liep vrij ver door naar het zuiden. Halverwege verbreedde het zich en omvatte hier een rijtje van zeven huizen aan de Lantaarnstraat, destijds de nrs. 787 t/m 794 (tegenwoordig: Lantaarnstraat 5 t/m 9). Drie maanden na zijn overlijden in 1847 werd het pand openbaar verkocht.Advertentie, in: Journal du Limbourg, Maastricht, 10 juni 1847, p. 4. Geraadpleegd op Delpher op 25 november 2023.
In de Franse Tijd heeft hij mogelijk zijn financiële status aangevuld door industriële of handelsactiviteiten, of door de aankoop van nationale goederen. In 1818 behoorde hij in Maastricht tot de hoogst aangeslagen burgers voor de belasting, maar was zeker niet de meest kapitaalkrachtige in dit gezelschap. In de ranglijst van 178 personen stond hij op plaats 157.Journal de la Province de Limbourg, 11 september 1918., Notabele ingezetenen. Historische studies over Nederlandse elites in de negentiende eeuw, Brunssum 1995, Dissertatie RU, meer speciaal: 'Rijkdom in revolutietijd, oude en nieuwe rijken in Maastricht, 1795-1814', pp. 172-221.
Wel of geen slavernijverleden? Zoals veel geslachten van Nederlandse kolonisten in de zeventiende en achttiende eeuw, bezat het geslacht Pichot in Suriname diverse plantages (o.a. 'Lust en Rust') en waren slavenhouders. Ephraim Daniels vader Jan Willem Pichot en diens stiefvader Salomon du Plessis woonden in Amsterdam, maar bezaten tal van bezittingen in de kolonie. Ephraim Daniel erfde begin 1774 goederen van zijn grootmoeder van moederszijde, Susanna Nute, weduwe van Ephraim Comans Scherping. De berucht geworden plantagehoudster Susanna du Plessis (1739-1795), die niet alleen van haar puissant rijke vader Salomon du Plessis zou erven, maar tevens van haar broer Reinier Isaac du PlessisTestament Reinier Isaac du Plessis, 18 april 1787. Stadsarchief Amsterdam, notariële akte [ https://archief.amsterdam/indexen/deeds/9d6d21e2-29bd-666d-e053-b784100a1840 scan online] was een halfzuster van zijn vader. Het grootste deel van haar omvangrijke bezit kwam in 1795 terecht bij de zesjarige jongste zoon van Pichot.'Pichot - du Plessis' op stamboomduplessis.nl. Gearchiveerd op 27 maart 2023.