Het Rijks Ethnographisch Museum is een van de voormalige namen van het Nederlandse Wereldmuseum Leiden in Leiden. Het museum opende in 1837 en stond eerst ter plaatse bekend als de Verzameling Van Siebold en daarna als het Rijks Japansch Museum. Vanaf 1859 heette het Rijks Japansch Museum Von Siebold. In 1864 werd de naam veranderd in die van Rijks Ethnographisch Museum en in 1931 kreeg het de benaming Rijksmuseum van Ethnographie. Per 1 januari 1935 werd dat aangepast naar Rijksmuseum voor Volkenkunde.W. H. Rassers, Overzicht van de geschiedenis van het Rijksmuseum voor Volkenkunde 1837-1937. Gedenkschrift uitgegeven bij de heropening van het museum op den 30sten november 1937, pagina 19-20, 23, 60 (1937) In 2005 ging het Museum Volkenkunde heten en in 2013 werd het met het Afrika Museum in Berg en Dal, het Tropenmuseum in Amsterdam en het Wereldmuseum in Rotterdam onderdeel van het Nationaal Museum van Wereldculturen. Op 4 oktober 2023 werd de naam veranderd naar Wereldmuseum Leiden.
Samenstelling basiscollectie Philipp Franz von Siebold (1796 - 1866) was als majoor-chirurgijn gelegerd geweest in Dejima, een Nederlandse handelsnederzetting bij Nagasaki en had daar naam gemaakt als Japankenner en verzamelaar van Japanse kunstvoorwerpen. Na terugkomst in Nederland breidde Von Siebold zijn eigen verzameling uit met twee collecties bijeengebracht door andere verzamelaars: een met voorwerpen uit Nederlands-Indië van Heinrich Christian Macklot en een met objecten afkomstig van de eilanden uit de Stille Oceaan. Koning Willem I bepaalde per koninklijk besluit op 20 april 1831 dat de volledige collectie van Von Siebold aangekocht zou worden door de Nederlandse staat. Omdat de staat - naast een voorschot van 12.000 gulden - niet meer geld aan Von Siebold betaalde, meldde deze zich in 1837 bij de koning voor de verdere financiële afhandeling. Deze ging in op Von Siebolds voorstel om diens volledige collectie - samen met die van het Koninklijk Kabinet van Zeldzaamheden in Den Haag en de reeds door de staat aangekochte collectie 'Van Overmeer Fisscher' - als basis te nemen in een nieuw op te zetten etnografisch museum.
Op 10 augustus 1837 gaf Willem I de opdracht een commissie op te zetten om het totaalbedrag te berekenen die de collectie van Von Siebold waard was, zodat hem het restbedrag betaald kon worden. De commissie, bestaande uit voormalig opperhoofd van Dejima Jan Cock Blomhoff, botanicus en bioloog Caspar Georg Carl Reinwardt en predikant (en later de eerste directeur van het Koninklijk Kabinet van Zeldzaamheden Reinier Pieter van de Kasteele, kwam tot de conclusie dat Von Siebolds collectie 58.500 gulden waard was. Verder onderschreven ze Von Siebolds mening dat een etnografisch museum "het vaderland zou versieren, kunsten en wetenschappen schragen en tot eer en roem van onzen Geëerbiedigden Koning, gelijk ook van deszelfs loffelijke Regeering zou dienen". Op 18 juli 1838 ging Willem I per koninklijk besluit akkoord met de verdere financiële afhandeling.
In 1837 had Willem I ook aan de minister van Binnenlandse Zaken gevraagd waar de collectie van Von Siebold ondergebracht kon worden. Bij zowel het Koninklijk Kabinet van Zeldzaamheden - gevestigd op de benedenverdieping van het Mauritshuis - als bij de Collectie Van Overmeer Fisscher - gevestigd in 'Het gewezen geldkantoor van Holland' op het Binnenhof - was geen ruimte. Op 18 juni 1838 werd op verzoek van de vorst door de minister van Binnenlandse Zaken aan het stedelijk bestuur van Den Haag gevraagd om een locatie beschikbaar te stellen voor de vorming van een etnografisch museum. Hij waarschuwde dat het museum anders ondergebracht zou worden in een andere stad, bijvoorbeeld Leiden. Het Haagse college antwoordde negatief; de minister adviseerde Willem I om het etnografisch museum onder te brengen in het Mauritshuis en een nieuwe ruimte te bouwen voor het Koninklijk kabinet van schilderijen. Ook voorstellen van de koning in 1839 om het nieuwe museum te huisvesten in 'Huis van Nederburgh' of op het braakliggende terrein naast de Landsdrukkerij liepen op niets uit. In oktober 1839 besloot de koning naar een locatie buiten Den Haag te kijken om het etnografisch museum te huisvesten. Von Siebold zelf opperde ook nog om het museum onder te brengen in Haarlem; daar verwachtte men echter te weinig bezoekers.Overzicht van de geschiedenis van het Rijksmuseum voor Volkenkunde 1837-1937. Gedenkschrift uitgegeven bij de heropening van het museum op den 30sten november 1937, W. H. Rassers (1937)
Von Siebold (1837 - 1859) thumb|Rapenburg 19 (oude nummering 221) in Leiden waar in de 21ste eeuw het SieboldHuis gevestigd is Von Siebolds collectie bleef aan het Rapenburg 221 in Leiden in het pand dat hij in 1836 had aangekocht om de uitgebreide verzameling te huisvesten; vanaf 1837 was de collectie daar te bezichtigen onder de naam 'Rijks Japansch Museum'. Ondanks verzoeken van Von Siebold zelf (1844) of de minister Guillaume Louis Baud van Binnenlandse Zaken en Koloniën (1845) werd geen locatie gevonden waar het etnografische museum gevestigd kon worden. Toen in 1847 het pand aan het Rapenburg werd gekocht door botanicus Caspar Georg Carl Reinwardt verhuisde de gehele collectie van Von Siebold naar de zolder en bovenetage van een pand aan de Leidse Paardensteeg, dat ook in het bezit was van Von Siebold. Hier werden alleen Japanse voorwerpen geëxposeerd. De rest van de collectie werd in een achterkamer opgeslagen.
Leemans (1859 - 1880) Vanwege een hernieuwd verblijf van Von Siebold in Japan werd Conrad Leemans, de toenmalige directeur van het Archeologisch Kabinet in Leiden, in 1859 aangesteld als de beheerder van de verzameling van Von Siebold, het Koninklijk Kabinet der Zeldzaamheden en de collectie Van Overmeer Fisscher. Leemans verhuisde de op Japan toegespitste voorwerpen van de Von Siebold-collectie in juli 1859 van de Paardensteeg naar een huurhuis aan de Breestraat, vlak bij het Rijksmuseum van Oudheden. Onder de naam 'Rijks Japansch Museum Von Siebold' werd de collectie weer toegankelijk voor publiek. In mei 1860 was ook de eerder door Von Siebold aangekochte collectie Macklot aan de Breestraat te bekijken. Onder Leemans' leiding werd de museumcollectie flink uitgebreid: in 1861 met vierduizend objecten uit Nederlands-Indië die verzameld waren door de Duits-Nederlandse zoöloog Salomon Müller.Thomas Beaufils en Chang Ming Peng, Arts premiers dans les musées de l’Europe du Nord-Ouest (Belgique, France, Pays-Bas) (2018), pagina 9 Vanaf januari 1862 werden nieuwe boeken officieel gemarkeerd door een stempel met het rijkswapen en de tekst 'Rijks Ethnographisch Museum'.
In 1862 was de collectie wederom zover gegroeid dat Leemans voorstelde naar een ander pand in de Breestraat te verhuizen. De minister ging niet akkoord en stelde dat de collectie Salomon Müller en alle overige nieuwe aanwinsten beter overgebracht konden worden naar het Koninklijk Zoölogisch Genootschap Natura Artis Magistra in Amsterdam. Leemans vreesde een nieuwe opsplitsing van de collectie en besloot de zolder van het huidige pand aan de Breestraat in te richten voor nieuwe aanwinsten. In 1864 verhuisde de collectie naar het Hogewoerd 106 in Leiden, al is dat volgens de minister van Binnenlandsche Zaken een tijdelijke oplossing. Pas na de verhuizing naar een alsnog groter pand mochten de Haagse collecties (Het Koninklijk Kabinet der Zeldzaamheden en de collectie Van Overmeer Fisscher) aan een gezamenlijke locatie van een Rijks Etnografisch Museum toegevoegd worden. In 1864 werd de etnografische verzameling uit Nederlands-Indië van de 'Rijksinstelling tot opleiding van ambtenaren voor den dienst in Nederlands-Indië' aan de collectie toegevoegd. Na de toevoegingen van meerdere middelgrote verzamelingen en ondanks de aankoop van het naastgelegen Hogewoerd 108 én de verwerving van een opslag aan de Stille Rijn bleef het museum last hebben van ruimtegebrek. In 1880 vroeg Leemans ontheffing van zijn taken als (onbezoldigd) directeur van het museum.
Serrurier (1882 - 1896) Museumantropoloog Lindor Serrurier, die van 1877 tot 1882 conservator Japan in het museum was, werd per 21 februari 1882 directeur en daarmee de opvolger van Leemans. Met de komst van Serrurier werden de bestaande banden met het Rijksmuseum van Oudheden verbroken en werd het Rijks Ethnographisch Museum een zelfstandige instelling. Serrurier beijverde zich voor de uitbreiding van de museumcollectie en een goede huisvesting. Een van de eerste grote aankopen was een collectie van 1700 voorwerpen uit Oost- en West-Indië afkomstig van de Wereldtentoonstelling in Parijs van 1878. In 1881 volgde een verzameling wajang-poppen en schaalmodellen van huizen uit Nederlands-Indië die hadden toebehoord aan hoogleraar en etnoloog Pieter Johannes Veth. Ook de objecten die door bioloog Arend Ludolf van Hasselt en zijn collega's van de expeditie naar Midden-Sumatra (1877-1879) waren verzameld, werden in het museum ondergebracht. De minister van Marine bracht in 1882 de scheepsmodellen die op het ministerie van Marine hadden gestaan in het museum onder.
thumb|Boeddhabeelden afkomstig van de koloniale tentoonstelling in Amsterdam (1883) Ook Serrurier ijverde - zoals Conrad Leemans voor hem - voor het samenbrengen van de verschillende collecties, zoals initieel voorzien door koning Willem I. Op 1 februari 1883 sloten de deuren van het Koninklijk Kabinet der Zeldzaamheden en werd de collectie onder verschillende musea verdeeld. De kunstobjecten gingen naar het Rijksmuseum, maar de uitgebreide collectie etnografische objecten werd naar het etnografisch museum gebracht. Door de hernieuwde uitbreiding werd in 1883 ook een pand aan het Rapenburg 69 gekocht, vlak bij het Academiegebouw, waar de afdelingen Japan en China werden ondergebracht. Na de succesvolle Internationale Koloniale en Uitvoerhandel Tentoonstelling die in 1883 achter het Rijksmuseum in Amsterdam had plaatsgevonden, werden meer dan vierduizend voorwerpen van deze tentoonstelling naar het etnografisch museum gebracht. Hieronder bevonden zich onder andere boeddhabeelden uit het mausoleum voor de Tokugawa-shoguns in de Zojoji tempel in Edo.
De Japanse verzameling werd uitgebreid met een collectie zeventiende-eeuwse bronzen beelden en lantaarns die - aangekocht door de invloedrijke ambtenaar Victor de Stuers, bankier Abraham Carel Wertheim en architect Pierre Cuypers - werd overgenomen door het Rijk. Ook al werden enkele ruimtes in het Leidse Academiegebouw ingericht als tentoonstellingsruimte, het ruimtegebrek bleef dringend. Zo was er geen ruimte om de collecties 'Afrikaanse' en 'Amerikaanse' (de Guyana's, Suriname en het Caribisch gebied) tentoon te stellen.
De huizen uit West- en Oost-Indië die eerder op de koloniale tentoonstelling in Amsterdam hadden gestaan, werden in 1885 naast de oprijlaan van de Oude Sterrewacht geplaatst, compleet met authentieke huisraad en gipsen beelden van inheemse bewoners. Dit - volgens Willem H. Rassers - eerste openluchtmuseum van Europa was twee zondagen per maand opengesteld voor publiek en dat in de beginjaren grote belangstelling trok voor het zogenoemde 'kampongterrein'. W. H. Rassers, Overzicht van de geschiedenis van het Rijksmuseum voor Volkenkunde 1837-1937. Gedenkschrift uitgegeven bij de heropening van het museum op den 30sten november 1937, pagina 30-31, (1937) De huizen bleven tot 1891 tentoongesteld.
In dat jaar werd wederom een nieuw pand aangekocht, ditmaal aan de Herengracht 8; hier werd de collectie met objecten van Formosa (het latere Taiwan) en Noord- en Zuid-Amerika tentoongesteld. In de jaren 1886 - 1896 zorgde Serrurier voor een grote aanwas van nieuwe collecties. Zo schonk koningin-regentes Emma in 1894 nog een collectie poppen met verschillende klederdrachten van Nederlands-Indië.