Dinosauriëreieren zijn de organische vaten waarin embryo's van dinosauriërs zich ontwikkelen. Zij worden, net zoals de dinosauriërsoorten, geclassificeerd in een taxonomie.

Deze classificatie, die parallel loopt met de classificatie van de dinosauriërsoorten en daarom parataxonomie wordt genoemd, werd ingevoerd omdat de meeste eieren en eierschalen niet aan een dinosauriërsoort kunnen worden toegewezen. De classificatie ordent dinosauriëreieren op basis van vorm, grootte, volume, schaaldikte, schaaloppervlakte, schaalstructuur, porietype en poriedichtheid, onafhankelijk van de dinosauriërsoort die de eieren gelegd zou hebben. Dit laat toe om de verschillende typen dinosauriëreieren in categorieën in te delen en te bestuderen zonder vage linken te moeten leggen naar een bepaalde groep dinosauriërs.

De eierschaal beschermt het zich ontwikkelende embryo en maakt uitwisseling van gassen (o.a. zuurstof, waterdamp en koolstofdioxide) tussen de externe omgeving en het embryo mogelijk. De inwendige componenten van het ei leveren voedingsstoffen voor het embryo. Deze inwendige en uitwendige processen, die de ontwikkeling van het embryo ondersteunen, laten hun sporen achter op de eierschaal. Deze geven inzicht in de ontwikkeling van het embryo, hoe de eieren gelegd werden en in de reproductiefysiologie.

De parataxonomie maakt gebruik van de hiërarchische niveaus oofamilia (oöfamilie) ('oö'; van het Oudgrieks ᾠο, samengevoegde vorm van ᾠόν (ei)), oogenus (oögeslacht) en oospecies (oösoort) naar analogie met de laagste hiërarchische niveaus (taxa) (van hoog naar laag) familie, geslacht en soort in de taxonomie van de dinosauriërsoorten.

Geschiedenis van de ontdekking en de studie van dinosauriëreieren Jean-Jacques Pouech In 1859 ontdekte de Franse katholieke priester en geoloog Jean-Jacques Pouech (1814-1892) in sedimenten uit het Boven-Krijt (Maastrichtien)Le Loeuff, J. (1991b). Les vertébrés maastrichtien du Mas d'Azil (Ariège, France): étude préliminaire de la collection Pouech. Revue de Paléobiologie 10 : 61-7. van het Mas d'Azil-gebied (in de buurt van la Ferme Brusquette) in de Zuid-Franse Pyreneeën, naast talrijke gebroken beenderen geïmpregneerd met fosfaten en ijzerhydroxide, grote stukken eierschaal die hem voor een raadsel stelden.Pouech, J.J. (1859). Mémoire sur les terrains tertiaires de l'Ariège rapportés à une coupe transversale menée de Fossat à Aillères, passant par le Mas d'Azil, et projetée sur le méridien de ce lieu. Bulletin de la Société Géologique de France 16: 381-411. Pouech was het hoofd van het seminarie van Pamiers en was een pionier op het gebied van de paleontologie, de geologie en de archeologie van het Mas d'Azil-gebied.Leclerc, G. (1983). Jean-Jacques Pouech archéologue d'après ses carnets. Bulletin de la Société Arigeoise Sciences, Lettres et Arts 1983 : 143-58. In eerste instantie dacht hij dat de eierschalen die hij gevonden had onderhuidse platen van reptielen waren, maar onder meer de vezelachtige structuur en vooral de regelmatige ronding van de grote fragmenten deed hem besluiten dat het enorme eierschalen waren. Pouech schatte dat de eieren een straal van 18 centimeter moeten gehad hebben, maar deed dat met het nodige voorbehoud. Hoewel hij ervan overtuigd was eierschalen gevonden te hebben, koppelde hij ze niet aan Dinosauriërs, vermoedelijk omdat hij gezien het tijdstip (1859) niet vertrouwd was met de term 'Dinosauriër'. Richard Owen had de benaming Dinosauria pas zeventien jaar eerder, in 1842, ingevoerd.

Pouech dacht dat de eierschalen afkomstig waren van reusachtige vogels. Hij zond er enkele naar het Muséum national d'histoire naturelle te Parijs. Nadat Pouech meer eierschalen gevonden had was hij niet langer zeker dat deze van reusachtige vogels afkomstig waren. Hij opperde nu dat de fossielen delen waren van de schilden van schildpadden of gordeldieren. Volgens Adolphe d'Archiac (1859),D'Archiac, E.J.A. (1859). Note sur les fossiles recueillis par M. Pouech dans le terrain tertiaire du département de l'Ariège. Bulletin de la Société Géologique de France 16: 783-814. een paleontoloog verbonden aan het Muséum national d'histoire naturelle, was de oorsprong van de fossielen nog steeds onduidelijk. Pouechs beschrijving van de eierschalen raakte snel in de vergetelheid, totdat het vermeld werd in de publicaties van onder meer Villatte et al., 1986.Villatte, J., Taquet, P. & Billotte, M. (1986). Nouveaux restes de dinosauriens dans le Crétacé terminal de l'anticline de Dreuilhe. Etat des connaissances dans le domaine sous-pyrénéen. Actes du Colloque Les Dinosaures de la Chine à la France. (Toulouse : Muséum de Toulouse), pp. 89-98. Pouech had een verzameling fossiele gewervelden waarvan men lang gedacht heeft dat die verloren gegaan was. In 1989 echter werd deze verzameling teruggevonden in het Collège Jean XXIII te Pamiers waar het al die tijd zorgvuldig bewaard werd.Buffetaut, E., Le Loeuff, J. (1989). La première découverte d'oeufs de dinosaures. Pour la science 143 : 22.Le Loeuff, J. (1991a). l'Abbé Pouech et les dinosaures. Géochronique 38 : 16. Tussen vele beenderen van reptielen bevond zich een kleine doos met fragmenten van eierschalen van Dinosauriërs. De fragmenten die Pouech in zijn persoonlijke notities beschreef zaten erbij. Het waren deze die als basis dienden voor zijn berekening van de straal van de gefragmenteerde eieren die hij in de buurt van la Ferme Brusquette dicht bij Le Mas d'Azil ontdekt had.

James Buckman Eveneens in 1859 vond een zekere Dalton in witte tot crèmekleurige mudstoneMudstone is een fijnkorrelig sedimentair gesteente bestaande uit silicaat mineralen waarvan de oorspronkelijke bestanddelen vóór de lithificatie klei of modder waren. Mudstone is nooit parallel gelaagd. uit het Midden-Jura (Midden-Bajociaan) van Hare-Bushes Quarry, in de bovenste lagen van de Great Oölite van Gloucester, en ongeveer een goede anderhalve kilometer ten oosten van Cirencester (West-Engeland), een cluster van minstens acht fossiele eieren. Dalton was een van de leerlingen van professor botanie, zoölogie en geologie James Buckman (1814-1884) die van 1848 tot 1863 doceerde aan het Royal Agricultural College van Cirencester. Hij was ook archeoloog, farmaceutisch chemicus, museum curator en auteur. Buckman beschreef de eieren en de vindplaats in een artikel ter gelegenheid van een bijeenkomst van de Geological Society op 4 mei 1859. Het artikel werd in 1860 gepubliceerd.Buckman, James (1860), "On some fossil reptilian eggs from the Great Oolite of Cirencester", Quarterly Journal of the Geological Society of London, 16: 107–110, . Gearchiveerd op 23 juni 2023. Omdat hijzelf niet de ontdekker was van de eieren had hij geen idee van de oorspronkelijke positie van het brok sediment in de groeve. Het oölitisch sediment waarin de eieren gevonden werden werd geaccumuleerd op een breed strand of in een heel ondiepe zee, wat blijkt uit de schuine gelaagdheid van het gesteente in de Hare-Bushes Quarry, hier en daar voorkomende pseudogolfribbels en de overvloedige fragmenten fossiel hout.

De eieren zijn niet eivormig, maar ovaal. Een ei dat losgemaakt werd uit de brok oöliet heeft een lengte van 4,445 cm, een breedte van 2,794 cm, een omtrek om de lange as van 11,43 cm en een omtrek om de korte as van 8,636 cm. Het losgemaakte ei en sommige van de in het brok oöliet ingebedde exemplaren zijn gedeeltelijk opgevuld met transparante kristallen schelpkalk.Schelpkalk is kalksteen dat samengesteld is uit stukjes schelp die losjes met elkaar verbonden zijn door kalkcarbonaat. De schaal van de eieren lijkt heel dun te zijn geweest omdat sommige eieren door samendrukking zodanig vervormd zijn dat ze heel flexibel moeten geweest zijn. Niettegenstaande sommige eieren verbogen zijn, vertoont de eierschaal nergens barsten. Omdat het achttal eieren een geclusterde groepering vertoont is het mogelijk dat het slechts een deel van een groter aantal eieren vertegenwoordigt. In de groeve worden tweekleppigen zoals Cardium buckmanni en Ostrea jurassica, en Brachiopoda zoals de Terebratuline Terebratula maxillata aangetroffen, wat op een typisch marien milieu wijst. De erosiesporen op de fragmenten fossiel hout wijzen erop dat dit drijfhout was.

In zijn pogingen om het dier dat de eieren legde te identificeren baseerde Buckman zich op fossielen die al uit de omgeving bekend waren, onder meer resten van schildpadden. Maar omdat deze reptielen ronde eieren leggen en de eieren die in de Hare-Bushes Quarry gevonden werden ovaal zijn, sloot hij deze groep uit. In de Great Oolite worden ook fossielen van Plesiosauria en van Ichthyosauria aangetroffen, mariene reptielen die vroeger gegroepeerd werden in de "Enaliosauria". Maar in de toenmalige veronderstelling dat deze reptielen ook eierleggend waren - men weet nu al enige tijd dat zij levendbarend waren - concludeerde Buckman dat de eieren te klein waren om afkomstig te zijn van deze mariene reptielen. Uiteindelijk besloot hij dat krokodillen van de familie Teleosauridae de meest plausibele kandidaten waren. Aan de basis van de Bath Oolite in de Stonesfield Slate en aan de top van de Bradford Clay werden fossielen van Teleosaurus gevonden. In de Great Oolite komen talrijke fragmenten van reptielbeenderen voor die ook van Teleosauridae afkomstig kunnen zijn. Buckman redeneerde verder dat de grootte van de eieren in lijn ligt met de lichaamsomvang van deze krokodillen. Hij speculeerde dat de eieren in zand begraven werden, zoals reptielen doen. Maar volgens Dughi en SirugueDughi, R. & Sirugue, F. (1958). Observations sur les oeufs de dinosaures du bassin d'Aix-en-Provence: les oeufs à coquilles bistratifiées. Comptes rendus de l'Académie des Sciences 246: 2271. werden ze op de oppervlakte gelegd. Buckman gaf de eieren de voorlopige naam Oolithes bathonicae ('stenen eieren van Bath'). Het oögenus (oögeslacht) Oolithes was het eerste dat ooit benoemd werd (1859). Tot op heden is het niet zeker van welke groep reptielen Oolithes bathonicae afkomstig zijn. Maar het is niet uitgesloten dat het dinosauriëreieren zijn. Buckman was een van de pioniers die een classificatiesysteem voor fossiele eieren bedacht.

Philippe Matheron thumb|right|170px|Philippe Matheron, de Franse paleontoloog/geoloog die de eerste dinosauriëreieren in het Boven-Krijt van de Provence (Zuid-Frankrijk) ontdekte.