Edmond Godfried van Bocholtz (Luik, 13 mei 1615 - Maastricht?, 26 oktober 1690) was een ridder van de Duitse Orde. Van 1658 tot aan zijn dood was hij landcommandeur van de balije Biesen, waarbij hij afwisselend resideerde in Alden Biesen (in de huidige Belgisch-Limburgse gemeente Bilzen) en in Nieuwen Biesen (in Maastricht). Zijn voornaamste verdiensten voor de balije Biesen waren de recuperatie van de commanderij Gemert en de verwerving van de heerlijkheid Diepenbeek.Mertens (2009), pp. 278-279. Zijn aanzienlijke nalatenschap bestaat uit schilderijen, kunstvoorwerpen en onroerend erfgoed.
Biografie Afkomst en familieachtergrond Edmond Godfried van Bocholtz stamde uit de adellijke familie , oorspronkelijk afkomstig uit Opper-Gelre ( in Lobberich). In de 16e eeuw bekleedden verschillende leden van deze familie vooraanstaande geestelijke functies, onder andere als abten van Corvey en Mönchengladbach, kanunniken van belangrijke kapittels en ridders van de Duitse Orde. De familie was nauw gelieerd aan onder anderen de Maaslandse families Van Hoensbroeck, Huyn en Cortenbach.Mertens (2009), pp. 171-179.
thumb|left|190px|Hôtel de Bocholtz in Luik thumb|left|190px|Commanderij Ramersdorf(R. de Hooghe, ca. 1700) thumb|left|190px|Commanderij Jungen Biesen (R. de Hooghe, ca. 1700) thumb|left|190px|Commanderij Alden Biesen (R. de Hooghe, ca. 1700) thumb|left|190px|Commanderij Nieuwen Biesen (R. de Hooghe, ca. 1700)
Edmond van Bocholtz werd in 1615 geboren in het stadspaleis van de familie in Luik, het . Hij was de vierde zoon van Godfried van Bocholtz (ca. 1570–1638), hoogmeier van Luik en lid van de Conseil Privé van prins-bisschop Ferdinand van Beieren, en diens tweede echtgenote, Margaretha van Groesbeek (ca. 1580–1662). Margaretha was de erfdochter van Dirk van Groesbeek, Heer van Oreye en gouverneur van Hoei, en van Cecilia van Rougrave. daarmee was zij een nicht van de broers Gerard, bisschop van Luik, Willem, commandeur van Gruitrode, en Zeger, Heer van Lanoy, Corvey etc..
Van de acht zonen uit dit huwelijk werden er zes kanunnik, waarvan drie te Luik; alle vijf dochters werden kloosterling. Een oom, Arnold van Bocholtz, proost van het Sint-Lambertuskapittel van 1619 tot 1632, hielp de diverse neven en nichten aan begerenswaardige posities binnen diverse kapittels en stiften. Rond 1630 raakte de vader van Edmond betrokken in de strijd tussen de Chiroux en Grignoux in Luik, waardoor hij in 1631 zijn ambt moest neerleggen en in 1633 moest vluchten wegens dreigende gevangenneming.Mertens (2009), pp. 183-198.
Jeugd en opleiding Van 1620 tot 1626 volgde Edmond basisonderwijs aan de privéschool van kanunnik Constantijn van Laureten in Kortessem. Daarna studeerde hij aan het jezuïetencollege in Münster, waar hij bij zijn oudste broer Ferdinand woonde, die daar kanunnik was. In 1630 werd hij, nauwelijks vijftien jaar oud, als kanunnik opgenomen in het Onze-Lieve-Vrouwekapittel van Tongeren. Dit gebeurde op voorspraak van de eerder genoemde oom Arnold van Bocholtz, die ook in Tongeren proost was. Mogelijk was hij in deze periode tevens kanunnik in Maagdenburg. Nog geen twee jaar later stelde hij zijn prebende in Tongeren weer beschikbaar; blijkbaar had hij het er niet naar zijn zin of wilde hij hogerop.Mertens (2009), pp. 198-203.
Intrede bij de Duitse Orde In 1634 diende zijn vader bij de balije Biesen van de Duitse Orde de ahnentafel (adellijke kwartierstaat) van zijn zoon Edmond Godfried in, een voorwaarde om te worden toegelaten tot deze ridderorde. Aangezien hij voldeed aan de voorwaarde van ten minste acht adellijke voorouders, werd hij op 3 maart 1634 op proef aanvaard, hoewel hij officieel nog zes jaar te jong was. Op 3 juli 1635 werd hij officieel orderidder, de eerste opneming onder de kersverse landcommandeur Godfried Huyn van Geleen. Daarna volgde meestal de verplichte krijgsdienst, die drie jaar duurde en werd uitgediend in de strijd tegen de Ottomanen, maar van Edmond van Bocholtz zijn hierover geen details bekend. Feit is, dat hij vanaf 1636 enige tijd de administratieve functie van 'scheffener' (een soort rentmeester) binnen de balije Biesen bekleedde.Mertens (2009), pp. 203-204.
Commandeursposten en opkomst Op 28 augustus 1638 werd hij drieëntwintig jaar oud door het balijekapittel benoemd tot 'stadhouder' van de commanderij Ramersdorf nabij Bonn. Vijf jaar later werd hij daar volwaardig commandeur. Ramersdorf was de minst prestigieuze commanderij binnen de balije Biesen; een post die meestal aan beginnende orderidders werd toebedeeld. Op 2 september 1649 werd hij benoemd tot commandeur van de veel rijkere commanderij Jungen Biesen, waarna hij Bonn voor Keulen verruilde. Ramersdorf bleef vacant, maar Van Bocholtz hield vanuit Keulen een oogje in het zeil. Hij poogde tevens de inkomsten van het Keulse ordehuis te verbeteren door de aankoop of hernieuwde ingebruikname van enkele hoeves en molens.Mertens (2009), pp. 204-208.
Landcommandeur van Biesen Toen landcommandeur Godfried Huyn van Geleen in de zomer van 1657 ziek te bed lag (hij overleed op 27 augustus), was Van Bocholtz een van de voornaamste kandidaten om hem op te volgen. Op 19 september van dat jaar werd hij door grootmeester Leopold Willem van Oostenrijk aangewezen als landcommandeur van de balije Biesen; de officiële benoeming volgde op 10 april 1658. Dit gebeurde te midden van het slepende conflict met de Staten-Generaal der Verenigde Nederlanden over de commanderij Gemert. Het conflict werd in 1662 in het voordeel van de orde beslecht, een overwinning die Van Bocholtz veel waardering opleverde. Geleidelijk verbeterde hij de financiële positie van de balije, die onder zijn voorganger deplorabel was. Dat deed hij onder meer door enige tijd geen nieuwe ridders aan te nemen en jonge ridders hun dienstplicht op eigen kosten te laten vervullen. De inkomsten van de commanderijen Ramersdorf en Sint-Pieters-Voeren vloeiden voortaan direct naar de balijekas. In 1665 bleken de schulden nauwelijks verminderd, waarna meer maatregelen volgden.
De ambitieuze aankoop van de heerlijkheid Diepenbeek (1663/1678), onder andere gefinancierd door de verkoop van bezittingen in Vught en Den Bosch, was te midden van deze bezuinigingen controversieel. De poging om het muntrecht van de commanderij van Gruitrode op de landcommanderij te laten overgaan, moet gezien worden als een poging om zijn persoonlijke aanzien te verhogen. Die poging mislukte, maar in 1663 liet hij een zogenaamde Gruitrodense 'genadepenning' slaan, met daarop zijn naam, titels en familiewapen. Onder zijn bewind vonden 26 balijekapittels plaats, gemiddeld iets minder dan eenmaal per jaar, meestal gehouden te Alden Biesen of Nieuwen Biesen. Deze commanderijen, waar hij ook zelf meestal verbleef, kregen een nieuwe, luxueuze inrichting, passend bij zijn stand en de hofhouding die hij wenste te voeren.Mertens (2009), pp. 208-223.
Interne oppositie en Otto von Rochow thumb|Detail schilderij met Edmond van Bocholtz (midden) en Otto von Rochow, Alden Biesen In 1668 constateerde een visitatiecommissie dat Van Bocholtz binnen zijn balije met hevige oppositie te maken had, die al in 1663, mogelijk al eerder begonnen was. Tot die oppositie behoorden Johan van Bilandt (commandeur van Gruitrode), Wilhelm von Neuhoff (commandeur van Siersdorf), en waarschijnlijk ook Johann von Lützerode (van Jungen Biesen) en Gaspar Schenck von Nideggen (van Ordingen). Het verzet richtte zich tegen het financiële beleid van de landcommandeur en diens nepotisme ten aanzien van familieleden. Ook zijn praalzucht en zijn uitgebreide hofhouding waren sommigen een doorn in het oog.Mertens (2009), pp. 233-247.
De meeste kritiek was gericht tegen een beschermeling van Van Bocholtz, de jonge Otto Maximilian von Rochow (1643?-1679). Deze Von Rochow (of Rochau) was een zogenaamde bekeerling, die zich in 1659 van het protestantisme had afgewend en katholiek was geworden. Bij zijn doop in 1661 verving hij zijn tweede voornaam door Edmond, daarmee zijn dooppeter erend. Het is niet duidelijk wat de relatie tussen deze twee precies behelsde, maar zeker is dat deze intens was. In 1663 richtte de landcommandeur met het oog op Von Rochow een bekeerlingenstichting op, met een kapitaal van 11.000 rijksdaalders. Dit geld was afkomstig uit de erfenis van Van Bocholtz' moeder, die in 1662 op tachtigjarige leeftijd was overleden.
Ondanks de bemoeienissen van de landcommandeur om Von Rochow een carrière als orderidder te laten doorlopen, werd deze nooit geprofest. In 1668 werd hij maarschalk van de balije Biesen, een speciaal voor hem gecreëerde erfelijke titel. Bij de Maastrichtse zilversmid Hendrik Stokx liet Van Bocholtz voor hem een medaille vervaardigen, afgezet met robijnen, turkooizen en diamanten. Op een religieus schilderij in de landcommanderij Alden Biesen is Otto von Rochow knielend achter Edmond van Bocholtz afgebeeld. In 1677 raakten de twee met elkaar verwant, toen Von Rochow in het huwelijk trad met Maria Francisca de Lamargelle, Van Bocholtz' nichtje en petekind! Zij was de dochter van Arnold de Lamargelle, bouwheer van kasteel Eijsden, stadhouder en drossaard van Limburg en Daelhem , en Margaretha van Bocholtz, zus van de landcommandeur. In juni 1679 werd een zoon geboren, Ferdinand Edmond von Rochow. Een maand later overleed de vader, 36 jaar oud. Hij werd begraven in de kapel van Alden Biesen, vlak bij de katheder van de landcommandeur.Mertens (2009), pp. 223-233.
Adviesrollen en overlijden Edmond van Bocholtz was kamerheer en raadgever van keizer Leopold I en van de grootmeesters Leopold Willem van Oostenrijk (tevens landvoogd der Zuidelijke Nederlanden) en Johann Caspar von Ampringen (tevens stadhouder van Silezië). Tijdens het tweejarige bewind van Karel Jozef van Oostenrijk (1649-1664) vormde Van Bocholtz met Ampringen en Augustijn van Liechtenstein een driekoppig regentschap, dat de orde namens de zeer jonge en ziekelijke grootmeester bestuurde.Mertens (2009), pp. 258-259. In het laatste decennium van zijn ambtsperiode was hij onder meer raadgever van de Luikse schepenen en commissaris-deciseur namens Luik van het tweeherige Maastricht.Mertens (2009), pp. 274-276.
Van Bocholtz overleed op 75-jarige leeftijd, waarschijnlijk op de commanderij Nieuwen Biesen te Maastricht en werd in de kerk van de landcommanderij te Bilzen begraven, tegenwoordig Onze-Lieve-Vrouw-Geboortekerk van Alden Biesen genoemd. Zijn opvolger als landcommandeur van Biesen was Hendrik van Wassenaar Warmond.
Nalatenschap thumb|In opdracht van Van Bocholtz door Moretti gedecoreerde salon in Alden Biesen Al vanaf zijn 21e was Von Bocholtz, aanvankelijk in de functie van 'scheffener', actief betrokken bij de bouw van een groot aantal ordegebouwen. Al deze gebouwen werden voorzien van opschriften en wapens, zodat aan eenieder duidelijk was wie de opdrachtgever was geweest.
Al in 1637 liet hij boven de deur van de sacristie van de Ordekapel in Alden Biesen zijn initialen aanbrengen. Als scheffener was hij medeverantwoordelijk voor de afbouw van de kerk. Ook was hij op Alden Biesen verantwoordelijk voor de bouw van het wachters- of trompettersgebouw en de vergroting van de naastgelegen toegangspoort. Verder liet hij diverse salons herinrichten, zowel in Bilzen als Maastricht, onder meer met sierstucwerk van ene Moretti, mogelijk een voorouder van de 18e-eeuwse stukadoor en architect Joseph Moretti.Mertens (2009), pp. 241-246.