Juravenator is een geslacht van uitgestorven vleesetende theropode dinosauriërs behorend tot de groep van de Coelurosauria dat tijdens het Laat-Jura leefde in het gebied van het huidige Duitsland.
In 1998 werd het fossiel van Juravenator gevonden. In 2006 kreeg het geslacht zijn naam, die 'jager uit het Jura' betekent, toen de typesoort Juravenator starki benoemd werd. De vondst is van een jong dier en het is daarom moeilijk de volwassen kenmerken te bepalen. De resten zijn echter zeer gaaf bewaard gebleven met zelfs afdrukken van stukken huid, spieren en bindweefsel. Hieruit konden de wetenschappers toch veel opmaken over de bouw van de soort.
Juravenator was een klein tweevoetig roofdier. Het gevonden jong was ongeveer vijfenzeventig centimeter lang. Zijn horizontale romp werd in evenwicht gehouden door een lange staart. Juravenator stond nogal laag op zijn achterpoten. Zijn voorpoten waren tamelijk lang met ieder drie scherpe klauwtjes. Zijn kop was nogal groot met een langwerpige afhangende snuit en uitgerust met snijdende gekromde tandjes. Daarmee kon Juravenator kleinere dieren opslokken maar ook wat grotere dieren aanvallen, zeker als hij zelf tot een wat forser formaat uitgroeide. Europa was in het Laat-Jura een archipel van eilanden en het is onzeker of Juravenator alleen op kleine koraaleilanden leefde of ook op de grote eilanden.
Juravenator is vooral in het nieuws gekomen omdat zijn huidafdrukken schubben lieten zien. Bij zijn nauwste verwanten, de Compsognathidae, waren tot dan toe alleen resten van een primitief verenkleed gevonden. Dit leidde tot een fel debat over de betekenis van de vondst voor de evolutie van veren bij gevederde dinosauriërs. Wat later onderzoek met ultravioletfotografie toonde echter aan dat Juravenator naast schubben ook haarachtige veertjes bezat en een nog latere studie dat de vermeende schubben lijkenwas waren.
Vondst en naamgeving thumb|Het holotype JME Sch 200 In 1998 voerde het Jura-Museum Eichstätt opgravingen uit in de kalkgroeve van Schamhaupten bij Eichstätt. Op de laatste dag van de geplande werkzaamheden vonden vrijwilligers Klaus-Dieter Weiß en zijn broer Hans-Joachim Weiß een fossiel van een theropode. Het bleek dat het fossiel wegens de kwetsbaarheid van de botten slechts moeizaam uit zijn door calciumsilicaat verharde matrix geprepareerd kon worden en in het begin werd alleen de kop blootgelegd. Om dezelfde reden zag men ervan af de steenplaat te splijten; dat zou in één keer toegang hebben geboden tot de beenderen maar die ook hebben beschadigd, ook doordat het gesteente, een Kieselplattenkalk, te fijn gelaagd is. Er is dus geen tegenplaat: het fossiel werd vanaf de onderkant benaderd. Om te bepalen of het de moeite loonde verder te gaan, liet men een CAT-scan maken, een tomografie door middel van röntgenstralen. Die toonde alleen het bovenste derde deel van de romp en men concludeerde dat de rest van het skelet of slecht bewaard was gebleven of helemaal niet meer aanwezig was, bijvoorbeeld doordat het in stukken kalkplaat zat die bij het opgraven in gruzelementen waren geslagen. De dure preparatie werd hierop gestopt. In 1999 werd de vondst in de literatuur gemeld door Günther Viohl. In 2003 besloot de nieuwe directrice van het museum, Martina Kölbl-Ebert, om de preparering alsnog te voltooien. Preparateur Pino Völkl ontdekte toen tijdens zevenhonderd arbeidsuren dat het skelet verrassenderwijs toch zo goed als geheel in de plaat verborgen had gelegen.
De typesoort Juravenator starki is in maart 2006 benoemd en kort beschreven door Ursula Göhlich, indertijd een onderzoekster van de Ludwig Maximilians Universität München en Luis Chiappe van het Natural History Museum of Los Angeles County. De geslachtsnaam betekent: 'Jager uit het Jura', vanuit het Latijn venator, 'jager'; het 'Jura' verwijst behalve naar de geologische periode meer direct naar het Beierse Juragebergte, tegenwoordig beter bekend als de Fränkische Alb. De soortaanduiding verwijst naar de familie Stark, eigenaar van de steengroeve. left|thumb|Een diagram van het skelet De vondst, holotype JME Sch 200, komt uit de Malm Epsilon 2-lagen van de Paintenformatie die dateren uit het Laat-Kimmeridgien, ongeveer 151 miljoen jaar oud en waarvoor ter gelegenheid van de vondst de nieuwe naam Schamhauptenafzetting is voorgesteld. Het betreft een vrijwel compleet en in verband liggend skelet van een juveniel exemplaar dat ook afdrukken toont en omzettingsresten bewaard van de weke delen. Alleen het achterste derde deel van de staart ontbreekt; dit is hoogstwaarschijnlijk tijdens het opgraven verloren gegaan. Volgens de beschrijvers is het holotype buiten de vogels het meest complete fossiel dat in Europa van een theropode is gevonden. Het exemplaar is met zijn rug op de zeebodem gezakt; omdat het van onderen uit geprepareerd is, toont het nu ook die zijde.
In 2009 koos de Deutsche Paläontologische Gesellschaft het holotype van Juravenator tot (Duits) fossiel van het jaar 2009. Het exemplaar wordt tegenwoordig in een aparte opstelling in het Jura-Museum tentoongesteld.
In 2010 werd de soort uitgebreider beschreven door Göhlich.
Beschrijving Algemene bouw, grootte en onderscheidende kenmerken thumb|Een groottevergelijking met een mens Juravenator is een kleine tweevoetige roofsauriër. Het holotype heeft een lengte van vijfenzeventig à tachtig centimeter en woog bij leven een halve kilogram. De volwassen lengte is onzeker; verwante soorten werden zo'n anderhalve meter lang.
In 2006 wisten de beschrijvers een diagnose, een lijst van onderscheidende kenmerken, op te stellen. Er staan acht tanden in de maxilla. Tussen de premaxillaire tanden en de maxillaire tanden is geen hiaat. De premaxillaire tanden hebben kartelingen op hun achterrand. De voorrand van de onderste tak van het postorbitale is hol. Het schouderblad is vrij lang met het nauwste punt vrij laag geplaatst. De voeten zijn relatief kort. Een schedelopening, de fenestra antorbitalis is ongeveer even lang als de oogkas. De deltopectorale kam van het opperarmbeen is verkort. Verder werden drie kenmerken aangegeven als zuivere autapomorfieën, unieke afgeleide eigenschappen, waarin Juravenator vrijwel zeker van zijn verwanten afweek: bovenaan hoge en abrupt vernauwende handklauwen; de zygapofysen, gewrichtsuitsteeksels, van de middelste staartwervels zijn boogvormig; er bevindt zich een deuk in de bovenkaakrand ter hoogte van het contact tussen de praemaxilla en maxilla.
Van een aantal van deze kenmerken is het de vraag of ze niet met de jonge leeftijd van het exemplaar samenhangen, met name het kleine aantal maxillaire tanden, de lengte van de fenestra antorbitalis en de korte crista deltopectoralis.
In de uitgebreidere beschrijving van 2010 werd de lijst van onderscheidende kenmerken van Juravenator wat verkort en gewijzigd tot: het bezit van slechts een gering aantal tanden in de maxilla; het ontbreken van een diasteem op de grens van maxilla en praemaxilla; een lange fenestra antorbitalis; een relatief kort opperarmbeen; boogvormige zygapofysen in de staart; hoge plots vernauwende handklauwen.
In 2011 publiceerden Cristiano dal Sasso en Simone Maganuco in het kader van een analyse de fylogenie van de verwante soort Scipionyx ook een lijst autapomorfieën, die Juravenator afgaande op de door hun gevonden stamboom bezat. Sommige autapomorfieën zijn eenduidig aanwezig: de achterkant van het neusgat ligt voor de voorste rand van de uitholling van de fenestra antorbitalis; in de bovenhoek van het traanbeen bevindt zich een vergroot foramen; de maxillaire en dentaire tanden zijn beide gekarteld; het aantal dentaire tanden is gering; de achterste staartwervels hebben verlengde voorste gewrichtsuitsteeksels; op het schouderblad is de processus olecrani welgevormd; het schaambeen steekt naar voren; het voorste deel van de uitholling van de fenestra antorbitalis beslaat niet meer dan veertig procent van de fossa; bij het tweede kootje van de tweede teen maakt de zwelling van de onderste gewrichtsknobbels minder dan de helft uit van de totale lengte van het kootje; de premaxillaire tanden zijn gekarteld; de chevrons van de achterste staartwervels hebben de vorm van een rechte omgekeerde T. Daarnaast bezit Juravenator kenmerken waarvan het onzeker is of hij ze (op)nieuw heeft verworven: de binnenkant van het darmbeen heeft een uitstekende richel in de lengterichting; de schedel is ter hoogte van het midden van het neusgat minder dan tweemaal zo hoog als bij het midden van de oogkas; de fenestra maxillaris is klein en rond en is laag geplaatst; de middelste kootjes van de derde vinger hebben meer dan de helft van de dikte van de middelste kootjes van de tweede vinger.
Skelet Schedel en onderkaken thumb|350px|De schedel van het holotype is platgedrukt en daarom moeilijk te interpreteren De kop van Juravenator is tamelijk groot met een schedellengte bij het holotype van tweeëntachtig millimeter. Dit zal ten dele verband houden met het feit dat het een jong dier betreft: juveniele theropoden hebben relatief grotere en daarbij vaak nog eens extra langwerpige schedels. Verschillende mogelijke verwanten, zoals Sinosauropteryx en Sinocalliopteryx hebben echter ook als volwassen dier erg grote koppen. Hoewel langwerpig is de schedel niet zo spits doordat hij zijn hoogte slechts geleidelijk naar voren toe vermindert. De eigenlijke snuitpunt rondt vrij abrupt af. Het voorste bot in de snuitzijde, de praemaxilla, is tamelijk hoog en de snuit biedt plaats aan een groot neusgat in de vorm van een liggende ovaal. De praemaxilla draagt vier kortere tanden die wat naar achteren gericht zijn. Deze tanden worden naar achteren toe langer. Anders dan bij veel verwanten waarbij de premaxillaire tanden ongekarteld zijn, tonen die van Juravenator vertandingen op de achterrand van de tandpunt die plots haakvormig naar achteren kromt. De achterste tak van de praemaxilla is uitzonderlijk lang en overlapt een dunne voorste tak van het bovenkaaksbeen ofwel maxilla. Deze tak draagt twee tanden zonder hiaat met de tanden van de praemaxilla. Daarachter volgt echter wel een diasteem want aan de basis van de voorste maxillaire tak heeft de kaakrand een inkeping. Die zorgt ervoor dat de hele snuit wat afhangt. De ronde achterkant van de inkeping draagt de twee grootste maxillaire tanden, die ondanks de bolling van dit stuk kaakrand nog steeds naar achteren gericht zijn. Daarachter volgen vier kleinere tanden. De maxillaire tanden zijn erg langwerpig, aan hun uiterste punt sterk naar achteren gebogen, en missen kartelingen op de voorrand.