Tjark Eltjo Bontkes, Jzn. (Finsterwolde, 22 mei 1885 – Wymeer, 22 juli 1972), bijgenaamd Tjark Mijnheer (schuilnamen Buitenman, Dietrich Batavus), was een Gronings herenboer, landeigenaar, publicist en NSB-ideoloog.

Hij was een van de belangrijkste vertolker van de völkische of etnisch-nationale ideologie in de provincie Groningen gedurende het Interbellum. Zijn culturele opvattingen staan dicht bij die van de Ahnenerbe. Tegelijkertijd is hij een opvallende representant van het agrarisch fundamentalisme en van het autoritaire gedachtegoed dat wordt geassocieerd met de Junker-elite in het oosten van Duitsland. Typerend is zijn motto: "Der Bauer ist der rechte Mann, er ist der Welt Exempel".

Indirect hebben zijn denkbeelden de nodige invloed gehad. Bontkes' herhaalde oproepen om te komen tot nieuwe plattelandsorganisaties naar Duits model vonden tot 1940 echter nauwelijks weerklank.

Leven Tjark Bontkes behoorde tot de bovenlaag van rijke landbouwers in het Oldambt en noordelijk Westerwolde. Zijn vader Jan Bontkes (1854-1938) had een middelgrote boerderij met vijftig hectare land in Finsterwolde; zijn moeder Sietske Addens (1856-1886) stamde uit Bellingwolde. Hij heeft zijn moeder nauwelijks gekend; als kind bracht hij wel veel tijd door bij zijn grootouders in Bellingwolde. Hij bezocht de HBS in Winschoten en Groningen en ging op zijn negentiende naar de middelbare landbouwschool te Hildesheim (nu Michelsenschule) in de omgeving van Hannover. Deze school was nogal populair bij de gezeten boerenstand in Oost-Groningen; vooraanstaande boerenleiders als Derk Tonko Barlagen en Bouwe Markus Barlagen hadden er enkele jaren doorgebracht. Bontkes leerde in Hildesheim niet alleen – zoals hij zelf beweerde – iedere slop en steeg kennen, maar werd ook ondergedompeld in de politieke ideologie en de kameraadschapsgeest van het Duitse keizerrijk. De school gold sinds 1871 als een kweekvijver voor Pruisische reserveofficieren van boerenafkomst die er hun eerste militaire training kregen. De leraren waren fel nationalistisch gezind onder het motto "Van Ploeg tot Zwaard". Het autocratische en soms antisemitische gedachtegoed van de '' had in Hildesheim diepgaand wortel geschoten. De vriendschappen die Bontkes hier sloot, werden bepalend voor zijn levenspad.

Aansluitend bezocht hij de rij- en menschool te Elmshorn (Sleeswijk-Holstein), het centrum van de Holsteiner paardenfokkerij, waarna hij een tijdlang bedrijfsleider op een adellijk landgoed was. Ook later nog was hij actief als ruiter en paardenfokker. In 1910 trad hij in het huwelijk met Lucretia (Lucy) Tijdens (1886-1975), dochter van het radicale Kamerlid Boelo Tijdens (1858-1904) uit Nieuw-Beerta. Het echtpaar had elkaar leren kennen op een uitgaansavond bij Hotel 'Zur Blincke' in Bunde, waar rijke jongelui uit het Oldambt en de aangrenzen Duitse polders samenkwamen. Zijn overleden schoonvader was net als Bontkes zelf groot bewonderaar van Bismarck. In diens nalatenschap bevonden zich grote stukken onontgonnen heide en hoogveen. Het echtpaar vestigde zich in 1913 in Bellingwolde, waar ze de vrijstande villa 'Benvenuto' (Hoofdweg 46) hadden laten bouwen, die zes jaar later weer werd verkocht. Bontkes exploiteerde een boerderij te Veelerveen (tegenover de aardappelmeelfabriek), samen met zijn studievriend Roelof Deodatus Fzn. uit Roden. Een andere jeugdvriend, Klaas Dilling, was als hoofdopzichter van de Heidemij eerst bij ontginning van het Zeijerveld, daarna bij een soortgelijke project in het Hebrecht betrokken.

In 1919 verhuisde het gezin naar Assen, waar Bontkes samen met Deodatus het initiatief nam tot de oprichting van de Drentsch-Veenkoloniaal-Westerwoldsche Hypotheek- en Credietbank. Deze firma was bedoeld om de boerenstand aan betaalbare hypotheken te helpen, maar hij werd geen succes. De beide vrienden hielden zich daarnaast bezig met de ontginning van heidevelden, terwijl Bontkes zelf een boerderij te Laaghalerveen exploiteerde die hij 'Veenlust' noemde. Bontkes vond echter, ondanks de initiatieven die hij ondernam, geen aansluiting bij de burgerij in Assen en keerde in eind 1921 teleurgesteld terug naar Finsterwolde. "Veel bereikte ik […] niet, want ik stond te ver af van de besturende lichamen dezer stad", stelde hij later.Provinciale Drentse en Asser Courant, 30 december 1925. Het ingezonden stuk is een oproep om tot oprichting van een landbouwschool à la Hildesheim te komen. De volgende zomer verhuisde het gezin naar een deftig pachtbedrijf (46 ha) in Bellingwolde.Bontkes was pachter van 1922 tot 1926. Daarna woonde hij met een ander gezin in een rentenierswoning die december 1927 afbrandde. Bellingwolde vroeger en nu, uitgegeven door Afd. Bellingwolde van de Groninger Maatschappij van Landbouw ter gelegenheid van het 125-jarig bestaan (1854-1979), Groningen , nr. 25 (Hoofdweg 163, Bellingwolde). Nieuwsblad van het Noorden, 16 december 1927. De boerderij in Finsterwolde werd sinds 1910 bestuurd door een bejaarde medewerker, sinds vele jaren een vertrouweling van de familie. Pas in 1931 kwam het gezin weer terug naar Finsterwolde.Boerderijen en hun bewoners, uitgegeven door de Afdeling Beerta van de Groninger Maatschappij van Landbouw ter gelegenheid van het 125-jarig bestaan (1842-1967), Winschoten 1967, nr. 136. Tjark Eltjo Bontkes Jzn. mag niet verward worden met zijn neef Tjark Eltjo Struif Bontkes (1897-1953) te Finsterwolde, die vanaf 1924 gemeenteraadslid voor Gemeentebelangen en van 1931 tot 1935 wethouder was.

Als boer was Bontkes niet erg succesvol; de bijnaam ''Tjark Mijnheer'' geeft aan dat men vond dat hij boven zijn stand leefde. Eind jaren dertig woonde Bontkes hij op boerderij 'Aalandsheem' oftewel 'Beukenhof' te Oudeschans (46 ha), maar in 1940 keerde hij terug naar zijn boerderij 'Lindenhof' te Finsterwolde.Volgens het boerderijenboek Bellingwolde zou deze boerderij (Dijkwal 1 te Oudeschans) 'Elzenhof' hebben geheten. Bontkes kocht het bedrijf in 1934 aan; sinds 1940 werd het bewoond door een bedrijfsleider. Bellingwolde vroeger en nu, nr. 43. Na een verblijf elders in Duitsland vestigde hij omstreeks 1950 in Glimmen, daarna in Wymeer (Niedersachsen), waar hij in 1972 op 87-jarige leeftijd overleed.

Nationaalsocialisme

Bontkes volgde de ontwikkelingen in Duitsland sinds zijn studietijd op de voet. Hij juichte de machtsgreep van de nazi's in januari 1933 toe en is vermoedelijk kort daarna toegetreden tot de NSB. Hij raakte bevriend met het Kamerlid Meinoud Rost van Tonningen, die als hoofdredacteur van het partijorgaan Het Nationale Dagblad hem de mogelijkheid bood zijn artikelen over landbouwpolitiek te publiceren. Ook ging hij over levensbeschouwelijke zaken schrijven. Hij was loyaal aan de Duitse bezetter en werd in februari 1941 benoemd tot onbezoldigd leider van de Hoofdafdeling 1: Volk en Bodem van de Nederlandse Landstand, een organisatie waarvan alle boeren, vissers en tuinders lid moesten worden. Ook Klaas Dilling kreeg hier een functie. Veel kon Bontkes echter niet uitrichten, mede omdat de schaarste aan benzine het particuliere autoverkeer lamlegde. Hij voelde zich niet serieus genomen. Nadat Rost van Tonningen min of meer op een zijspoor belandde, nam zijn speelruimte af. "Sedert U dat terrein hebt verlaten, kan ik in de N.S.B. pers moeilijk een stuk geplaatst krijgen", berichtte hij in augustus 1942 aan zijn beschermheer:Ik hel tegenwoordig sterk over naar het Germaansche Rijk, waarin wij als stammen moeten binnen treden. Dan zal Friesland ontwaken, Eala, Freya, Fresena, ik schreef daarover een mooi artikel in de Noorder-storm.David Bernouw (ed.), Correspondentie van mr. M.M. Rost van Tonningen, dl. 2: mei 1942-mei 1945, Den Haag 1993, p. 68 (nr. 28). Noorderstorm was het strijdblad van district II der NSB. Bontkes had alle kaarten op de politiek gezet en zijn boerderijen verwaarloosd. Na Dolle Dinsdag vluchtte hij met zijn gezin naar Duitsland, vermoedelijk eerst naar Goslar, waar ook Florrie Rost van Tonningen haar kinderen bij familie had ondergebracht.Florrie S. Rost van Tonningen–Heubel, Op zoek naar mijn huwelijksring, Velp 1990, p. 256. Ebbe Rost van Tonningen, In niemandsland: de vader verloren, de moeder verstoten, Amsterdam 2012, hst. 1. De zoon Boelo Luitjen Bontkes (1911-1945) was hoofd van de Luchtafweer en moest achterblijven in Finsterwolde; hij pleegde kort na zijn arrestatie op 14 mei 1945 zelfmoord, nadat hij geboeid aan een schandpaal op een boerenwagen door het dorp was gevoerd.

Na de oorlog keerde Bontkes niet terug naar Nederland, waar hij hem arrestatie en berechting te wachten stond. Kennelijk om aan opsporing te ontkomen gebruikte hij de schuilnaam Dietrich Batavus. Bij verstek werd hij veroordeeld tot een boete van 10.000 gulden. De boerderijen in Oudeschans en Finsterwolde en werden als vijandelijk vermogen in beslag genomen en in 1946 en 1950 verhuurd. Bontkes heeft zich daartegen verzet en spande procedures aan om deze bedrijven sneller in eigen beheer te krijgen, maar de Eerste Kamer wees zijn claims in 1959 af.Eerste Kamer der Staten Generaal, Zitting 1958-1959, Nr. 64a. Het bedrijf in Oudeschans verkocht hij daarom in 1952 aan steenfabrikant G.J.A. Strating.

Hij vestigde zich op het Kloostergoed Dünebroek te Wymeer, waarvan zijn neef mr. Nanno Hindrik Addens (1883-1972) een van de eigenaren was. Ook andere oud-NSB'ers die in Nederland door justitie werden gezocht vonden hier onderdak.In Wymeer bevonden zich na de oorlog onder andere Hendrik Jan Nijks (1915-2003) uit Wedderveer, voormalig leider van de Agrarische Jongeren Beweging (onderdeel van de Landstand) in Groningen en tevens Landwachter, en Edzo Botjes (1911-1961) uit Midwolda, sinds 1942 bedrijfsleider op Obergut Lenthe te Gehrden bij Hannover. De laatste schreef in 1940 onder de naam 'Boer Botjes' Groningse stukjes in de NSB-pers, soms met een antisemitische strekking; hij werd in 1949 aangeklaagd. Zie: Agrarisch Nieuwsblad, 29 november 1940. De Landstand in Zeeland, 12 februari 1942. Nieuwsblad van het Noorden, 7 juli 1942, 30 april 1948, 9 juli 1949. Na de verdeling van het verkommerde landgoed verkochten de erven Hommo H. ten Have hun aandeel van 29 ha in 1951 aan Bontkes, die hier een traditionele boerderij liet bouwen, voorzien van typerende uileborden en windwijzers.Bellingwolde vroeger en nu, dl. 2: De geschiedenis tot het jaar 2000, uitg. Landbouwvereniging Bellingwolde, Groningen , p. 322-23 (nr. 201). Zijn vrouw verhuisde naar verluidt met de jongste dochter Jantje Geessiena (1919-1958) tijdelijk naar Leer, de andere dochter Sietske bleef bij haar vader wonen.

De boerderij 'Schwanenhof' vormde een trefpunt voor oud-nazi's. De naam verwijst naar de gedachte van heldendom, opoffering en hoop op herleving van de eigen idealen. Sietske Bontkes (1914-1988) bleef ook na haar vaders dood in 1972 trouw aan de principes van het nationaalsocialisme. Haar hartsvriendin Florrie Rost van Tonningen was hier geregeld te gast. Vader en dochter werden door de weduwe geprezen als dierbare vrienden van haarzelf en haar man."Sietske Bontkes, jeugdstormleidster, later boerin, beste vriendin van Mevr. R.v.T." Zie: F. S. Rost van Tonningen-Heubel, ABC van de NSB: wie is wie, Velp, z.j., p. 5. Dez., Op zoek naar mijn huwelijksring, p. 182, 256, 258.. De weduwe plaatste na Sietske's dood een rouwadvertentie met enkele regels van de Vlaamse SS'er Ward Hermans:Zo wordt het sterven licht, waarvan uw ondergang nog zingt één maal mijn eigen zwanenzang.Alle gezinsleden werden na hun dood begraven in het familiegraf te Finsterwolde, dat getooid werd met het beeld van een opvliegende zwaan.

Denkbeelden