De Ibdarsen (Berbers: ⵉⴱⴷⴰⵔⵙⵏ) zijn een van de grootste stammen in het Rifgebergte in het noordoosten van Marokko. De sedentaire Ibdarsen zijn voornamelijk gevestigd in de stad Driouch en de dorpen Ain Zohra en Mezguitem. Hun stamgebied heeft de naam Metalsa.

thumb|300px|De Ibdarsen worden aangegeven met VII

De Ibdarsen spreken een specifiek oost-Riffijns dialect, dat onder het Tarifit valt (Zenati-taalgroep). Het stamgebied bestrijkt een gebied van ongeveer 90 km lang en gemiddeld 30 km breed.

Etymologie De naam Ibdarsen is een naamsaanduiding voor de bewoners van het gebied Betalsa (meervoud: Ibtalsen, enkelvoud: Abtals) dat gaandeweg Metalsa is gaan heten. Het stamgebied Metalsa heette van eerst Betalsa, wat door middel van uitwisselwerking in de uitspraak van de eerste letter men geleidelijk een 'M' is gaan uitspreken in plaats van de 'B'. Betalsa werd gaandeweg als Metalsa uitgesproken.

Dit fenomeen in taal wordt gekoppeld aan betacisme, waarbij er tot de dag van vandaag in het Spaans woorden en steden bestaan die zowel met de letter 'V' en letter 'B' uitgesproken kan worden zoals de Spaanse stad 'Valencia' dat ook uitgesproken wordt als 'Balencia'.

Ibn Khaldun heeft de Maghreb middels zijn reizen verkend. Hij is onder andere in het Rif-gebied geweest en heeft de stammen omschreven die hij daar tegenkwam waaronder de stam Betalsa in de 14e eeuw. Ook is de beroemde Leo Africanus (Hassan ibn Mohammed al-Wazzan al-Fasi, geboren 1494 n.Chr) in de 16e eeuw geweest in het noorden van Marokko en beschreef zoals Ibn Khaldun een stam in het gebied van hedendaags Metalsa als Betalsa.Leo Africanus - Description of Africa, p.539 vol.2 (1550) Pas eind 19e eeuw was de Franse oriëntalist en missionaris Auguste Moliérnas in Marokko geweest en heeft ook het Rif-gebied doorgereisd waar hij deze stam als Metalsa omschreven had ('l'Metalsa' | Arabisch: 'el Metalsa').Auguste Moliérnas - Le Maroc inconnu, vol.1, p.121-124 (1899) Tussen de 16e en 19e eeuw heeft dus geleidelijk de verandering van Betalsa naar Metalsa plaats gevonden.

Vanuit taalkundig perspectief (Riffijns) spreekt men van Ibtalsen om de inwoners van Betalsa aan te duiden. Tegenwoordig heet het Metalsa, maar de term om de inwoners aan te duiden van dit gebied is nog historisch hetzelfde gebleven, namelijk Ibdarsen (Ibtalsen) en niet Imtalsen zoals het taalkundig hoort.

Geschiedenis De Ibdarsen vormen een van de stammen in het oostelijke Rifgebied van Marokko, waarbij hun stamgebied bekendstaat onder de naam Metalsa. Primaire geschiedenisbronnen vermelden dat dit stamgebied aangeduid werd als Betalsa en geleidelijk met de tijd is de uitspraak van de letter 'B' verandert naar de 'M' (zie paragraaf Etymologie). In de middeleeuwen stelde de geschiedschrijver Ibn Khaldun dat de Betalsa-stammen Zenata "broers'' waren van de Meknesa-stam (oprichters van de stad Meknes) . Om deze vermeende, traditionele verwantschap te onderbouwen, voerde hij in zijn werk Tarikh twee specifieke stambomen op. Met deze theoretische aanname trachtte hij de herkomst van de stam via twee genealogische lijnen terug tot Madghis, de pre-islamitische koning van de Zenata:

Betalsa (Metalsa) > Zenata > Yahya > Dariy > Zahik > Madghis > Barbar Betalsa (Metalsa) > Zenata > Djena > Yahya > Soelat > Warmak > Dariy > Zahik > Madghis Een wetenschappelijke analyse van Ibn Khalduns claims

Moderne historici en antropologen benadrukken dat deze lineaire weergave biologisch en historisch gezien niet letterlijk genomen moet worden. Het idee dat een omvangrijke en diverse stam zoals de Metalsa via slechts een handvol generaties rechtstreeks afstamt van één enkele pre-islamitische oervader, is biologisch onmogelijk. Tussen de regeerperiode van koning Madghis en de middeleeuwse Metalsa-stam gapen honderden jaren; een periode die onmogelijk overbrugd kan worden door de weinige namen die Ibn Khaldun opsomt. Er ontbreken dan ook talloze generaties in deze simplistische lijstjes.

Dit soort middeleeuwse genealogische lijnen weerspiegelt de Arabische en Islamitische traditie van de stamboomkunde (ilm al-ansab-علم أل أنساب) traditie en kan daarom niet gelezen worden als een pure opeenvolging van directe biologische vaders en zonen. Deze opvattingen weerspiegelen de sociaal-politieke en symbolische context van die tijd. Grote Berberstammen fungeerden in werkelijkheid als dynamische confederaties van verschillende onafhankelijke clans (fakhds) die zich door migratie, politieke belangen en strategische allianties met elkaar verenigden. De namen die Ibn Khaldun in zijn monumentale werk heeft opgetekend, vertegenwoordigen dan ook voornamelijk gerespecteerde, symbolische voorvaderen en grotere sub-stammen. Deze sub-stammen werden destijds aan elkaar werden gekoppeld om de onderlinge solidariteit (assabiyah) en gezamenlijke loyaliteit te benadrukken. De auteur en geschiedschrijver Sofyan al Kandoussi, van het boek De Geschiedenis van Marokko & Noord-Afrika, zet een kritische kanttekening bij deze twee stambomen in het boek en zegt dat men het volgende in acht moet nemen betreffende deze stambomen: Ook belangrijk om te benoemen bij dit soort stambomen, is dat het niet letterlijk genomen dient te worden als directe zoon van en vader van. Wij weten niet hoeveel generaties er tussen twee namen zijn en wat ermee bedoeld wordt is dat het voorvaders zijn..

Zenata Metalsa miniatuur|Metalsa Ruiters (1969) Ibn Khaldun heeft de Betalsa (Metalsa) stammen geclassificeerd als een van de Zenata. Om de cultuur en het verhaal achter de Ibdarsen beter te begrijpen, dient er naar de geschiedenis en cultuur van de Zenata groepen gekeken te worden. De Zenata zijn een van de grootste stamgroepen waarover middeleeuwse historicusen hebben gezegd dat de Midden-Maghreb (Maghreb al-Wasta) gerekend moet worden als hun gebied. Het oorspronkelijk leefgebied van de Zenata stammen betreft het oosten van Marokko tot aan Libië. Bekende Zenata-dynastieën die geheerst hebben in Marokko en de Maghreb waren onder andere:

De Maghraoua (980-1080 n.Chr) De Banu Khazrun (1001-1147 n.Chr) De Almohaden (1141-1269 n.Chr) De Meriniden (1269-1472 n.Chr) De Wattasiden (1472-1559 n.Chr) De Ziyaniden (1235-1554 n.Chr)

De Zenata stonden bekend als de beste ruiters(paardrijders) van hun tijd. Het Spaanse woord voor ruiter is "jinete". Volgens de Real Academia Espanola (Koninklijke Spaanse taalinstituut) stamt het woord "jinete" af van Zenata omdat zij beroemd waren om hun uitmuntendheid in het paardrijden. Daarnaast stonden de Zenata ook bekend om het fokken van paarden. Ook de middeleeuwse historicus Ibn Idhari benoemt dat de Zenata bekendstonden als de ruiters. Tot de dag van vandaag zijn er nog Zenata-stammen, zoals de Metalsa in het noordoosten van Marokko (Oosterlijke-Rifgebied), die bekendstaan om hun uitzonderlijke vaardigheden als ruiters en hun affiniteit met paarden. Tijdens de Rif-oorlog vormen in de jaren '20 deze ruitercultuur een essentieel onderdeel van hun militaire organisatie. In zijn boek ''An American Among the Riffi'' (1926) beschrijft de Amerikaanse journalist Vincent Sheean hoe de Metalsa-krijgers zich nomadisch te paard verplaatsten en opvielen door hun specifieke nomadische en bedoeïense levensstijl. Sheean noteerde destijds dat de bewoners van deze oostelijke regio qua kleding, cultuur en uiterlijke kenmerken een sterke gelijkenis vertoonden met de Arabische bedoeïenen van de aangrenzende steppen. Deze eeuwenoude ruitertraditie, die zowel verweven is met de geschiedenis van de Zenata als met de Arabisch-nomadische invloeden in de regio bij de Moulouya, is zo door de generaties heen gepreserveerd gebleven.

De Almohaden dynastie en Metalsa De oudste vermelding van de Metalsa-stam in de geschiedschrijving gaat terug tot de 12e eeuw en werd vastgelegd door Ibn Khaldun. In zijn Tarikh beschrijft hij de strategische bijdrage van de Metalsa(Betalsa) bij de eenwording van Marokko en de uiteindelijke verovering van Marrakesh. Dit gebeurde onder de leiding van de Almohaden, de machtige dynastie die door Ibn Toemart werd geïnspireerd en die later zou uitgroeien tot een uitgestrekt islamitisch kalifaat dat regeerde over de gehele Maghreb en Andalusië. Abdel Mu'min, een Zenata-leider en de belangrijkste intellectuele opvolger van Ibn Toemart, trok in 1142 n.Chr. vanuit het Atlasgebergte naar het noorden om de verschillende stammen achter zijn religieuze en politieke missie te scharen. Ibn Khaldun noteerde over deze historische campagne het volgende: In 537 AH (1142/1143 n.Chr) stond hij (Abdul Mu'min) op om de Maghreb te openen en de Ghomara gaven zich over aan hem. Daarna vertrok hij daarvandaan naar de Rif(westelijk-rifgebied), toen naar Boutouya, toen naar de Betalsa(Metalsa) en toen naar de Beni Znassen. Daarna ging hij naar Mediouna, toen naar Koumiya en hun buren de Walhasa. Zij (deze stammen) voegden zich toe aan hem en vergrootte en vermeerderde zijn aantallen die zicg toen onder zijn leiderschap schaarden....Tarikh Ibn Khaldun, Ibn Khaldun, 14e eeuw - Volume 6, Al-Muwahideen, Abdul Mu'min (digitalised version PDF, p.2375, vol.5-7 edition) - Arabisch Deze verenigd en groot leger (waaronder de Metalsa-stam) begon de belegering van Marrakech en veroverde deze hoofdstad van de Almoraviden in 1146 n.Chr (541 AH). Dit historisch voorval is naar beste weten de oudste vermelding van de Metalsa (Betalsa) stam die volgens Ibn Khaldun zich aangesloten hadden bij Abdul Mu'min, de eerste kalief van de Almohaden dynastie, waarbij zij meededen aan de belegering van Marrakech en de verovering van Marokko.

Metalsa in de geschiedenis miniatuur|Metalsi-ruiters steken rivier over – schilderij Delacroix (1858)Aan het einde van de 19e eeuw reisde de Franse oriëntalist en missionaris Auguste Moliéras door Marokko heen. Ook hij is door het Rifgebied heen getrokken en trof de Berbers van Metalsa aan. Hij beschreef hen als onverschrokken ruiters; de Metasi scheidt nooit van zijn paard, net zoals hij zich nooit scheidt van zijn geweer, dat via smokkelaars aan de Rifkust was verkregen. Gehuld in zijn vloeiende bornous zou je hem gemakkelijk aanzien voor een trotse Arabier, ware het niet dat bepaalde uiterlijkheden zoals zijn sandalen die zijn identiteit onthullen.

Verder beschrijft Auguste dat de Ibdarsen zowel aan landbouw deden en als bedoeïenen rondtrokken met hun vee. Dat sommige vrouwen in hun tenten bezig waren met het maken van sandalen, mandjes, matten en tapijten. Hij beschreef ook de markten die goed bevoorraad waren en er veel handel was in schapen, wol, sandalen, tapijten, tenten, Engelse thee, suiker, buskruit, kogels, wapens, paarden, boter en honing. Volgens zijn schatting was Metalsa op militair vlak een gebied met 20.000 gewapende ruiters sterk, met uitstekende paarden en bewapend met Europese geweren. Daarnaast noemt hij dat Metalsa een bevolking van 100.000 mensen telde (eind 19e eeuw). thumb|Een kaart met een aanduiding van de stammen het oosten van de Rif. De Ibdarsen zijn in geel weergegeven.|alt=|rand|links

Bijna 400 jaar precies na de observaties van Leo Africanus schetste ook Auguste exact hetzelfde beeld van de Metalsa en hun ongetemde nomadische levensstijl. Zijn verslagen beschrijven hoe de stam geregeld de confrontatie zocht met de Arabische bedoeïenen uit de aangrenzende Dahra-woestijn. Een treffend voorbeeld hiervan is het incident rondom Mohammed, de zoon van Tayyeb. Terwijl hij op een avond verbleef in zijn gastentent te midden van een uitgestrekte stammenfederatie, verscheen er aan de verre horizon van de Dahra een indrukwekkende karavaan van honderden bepakte kamelen