Derk Sibolt Hovinga (roepnaam Derk) (Oostwold, 22 oktober 1909 - Oostwold, 31 december 1990), pseudoniemem Diederik van Menterwolde, Sibolt van den Woldenheerd, Menzo Woldemoa en A.G. Vos, was een Gronings dichter en schrijver. Hij schreef in het dialect van het Oldambt. Zijn gedichten kenmerken zich vooral door natuurmystiek en het treffende gebruik van de gevoelsaanduidingen in de streektaal.
Leven Derk Sibolt Hovinga groeide op in het Oldambt op een boerenbedrijf dat al generaties lang in zijn familie was. Zijn vader schreef geregeld stukjes over actuele onderwerpen in de Winschoter Courant. Zijn moeder stamde uit een kinderrijke en welvarende boerenfamilie in Nieuw-Beerta; zijn ooms en tantes bewoonden allen grote boerenbedrijven.
Hovinga bezocht het stedelijk gymnasium in Winschoten en studeerde twee jaar klassieke talen, oude geschiedenis en Oud-Germaanse taalkunde in Groningen. Hij werd lid van het studentencorps Vindicat en het bittergenootschap Omlandia. Zijn belangstelling voor de symboliek van de Edda en de Germaanse mythologie dateert vooral uit deze jaren.
Na het overlijden van zijn moeder keerde hij in 1931 terug naar het ouderlijke huis; het stadsleven kon hem niet bekoren. Eind 1933 bezocht hij met enkele vrienden vier maanden de Landwirtschaftliche Hochschule te Bonn-Poppelsdorf.Speciaal voor de Nederlanders werd begin januari 1934 in Bonn een kerngroep van de NSB (D 13) gevormd. Zie: Volk en Vaderland, 6 januari en 3 februari 1934. Hovinga ging naar Bonn op aanraden van zijn kameraad Boelo Bontkes (1911-1945). Wie de vrienden waren die hem vergezelden, is onduidelijk. Een van hen was mogelijk Edzo Botjes (1911-1961) uit Midwolda, die net als Hovinga actief werd in Landbouw en Maatschappij en in de NSB. Deze schreef onder de naam Boer Botjes in 1940 en 1941 Groningse stukjes in Het Nationale Dagblad, soms met een antisemitische toonzetting, voordat hij in 1942 met zijn gezin naar Duitsland vertrok. De latere NSB-burgemeester Addo Paul Hovinga was eveneens actief in beide organisaties, maar geen directe familie. Uit Derk Sibolt Hovinga's eigen werk zijn geen antisemitische uitlatingen bekend. Hij werd hier lid van de NSB. Tevens was hij actief in de boerenprotestbeweging Landbouw en Maatschappij, onder andere als secretaris van de afdeling Midwolda-Oostwold. Namens de boerenorganisatie was hij meermalen te gast in Duitsland en in juni 1936 ontving hij een delegatie van de Reichsnährstand.'Duitsche collega’s bezoeken onze leden in het Oldambt', in: Landbouw en Maatschappij, 18 juni 1936. Medegastheer was Boelo Bontkes. Hovinga verwijst verder naar de recente oprichting van het Agrarische Nieuwsblad. Of hij daadwerkelijk voor dit blad heeft geschreven, is niet bekend. Vermoedelijk maakte hij deel uit van de delegatie die eind mei 1935 de nationaalsocialistische landbouwtentoonstelling in Hamburg bezocht. Landbouw en Maatschappij, 6 juni 1935. Zie voor de achtergronden vooral J.H. de Ru, Landbouw en Maatschappij: Analyse van een boerenbeweging in de crisisjaren, Wageningen 1980. Later noemde hij deze periode een zwarte bladzijde in zijn leven. Eind 1940 stapte hij over van de NSB naar het Nationaal Front, dat na een jaar verboden werd.BHIC, toegangsnr. 234: Zwart en Nationaal Front, inv.nr. 234 (D.S. Hovings in Oldambt). Deze overstap was vermoedelijk te danken aan Hovinga's buurman Jan Rientko Haan (1903-1984). Deze was de leider van een groep van vijftien Oldambtster boeren die bezwaar maakten tegen de fusie van Landbouw en Maatschappij met het Agrarische Front van de NSB en daarom toetraden tot het Nationaal Front. Hans Schippers, Zwart en Nationaal Front: Latijns georiënteerd rechts-radicalisme in Nederland (1922-1946), Amsterdam 1986, p. 354. Later was hij lid van de VVD en overtuigd liberaal.
Hovinga bezocht in de jaren dertig meerdere steden in het buitenland. Thuis was hij een geregeld bezoeker van de boerendanssociëteit 'Never Mind' te Winschoten.
Eind 1944 nam hij het boerenbedrijf van zijn vader over, aanvankelijk als pachter, later deels als eigenaar. Zijn jongere broer Onno Sebes Hovinga koos daarna voor een loopbaan in de journalistiek. In 1947 verhuisde Derk naar de villa van zijn ouders in de Moushouk (Huningaweg 3), gebouwd in 1913.
Hovinga bleef boer tot 1966. Geregeld trok hij de aandacht met ingezonden brieven over het belang van de landbouw, de zijns inziens slechte beloning en het gebrek aan waardering voor de boerenstand. Zomer 1970 bezocht hij landbouwminister Lardinois om voor hogere prijzen voor landbouwproducten te pleiten. Hij ijverde voor aanleg van een Dollardkanaal en kwam op voor de belangen van kleine dorpen als zijn woonplaats Oostwold. Zijn gedachten over landbouwpolitiek uitte hij tevens in een column in De Landbode onder de titel 'Oldambster raketten'.
Hovinga was niet bepaald sportief, maar wel een actief schaatser, fietser en wadloper. Graag wandelde hij in het Midwolderbos. Hij was vrijzinnig-hervormd, maar noemde zichzelf vrij-religieus. Tot zijn dood bezocht hij de bijeenkomsten van de Nederlandse Protestantenbond in Oostwold. Hij was verder lid van de vrijmetselaarsloge 'Moed, Kracht, Volharding' te Winschoten.
Als persoon was hij gesloten en soms mensenschuw. Wel nam hij enthousiast deel aan buitenlandse groepsreizen. Op latere leeftijd leidde hij een teruggetrokken bestaan. Dit leverde hem de bijnaam Òl Gandi op. Hovinga is - na een ongelukkige liefde in zijn jeugdjaren - altijd vrijgezel gebleven. Sinds 1973 deelde hij de woning met zijn huishoudster Engeltje Boven.
Literair werk
Derk Sibolt Hovinga oefende zich al op middelbare school in het schrijven van stukjes. Met de onderwijzerszoon Meinardus Braaksma uit Midwolda maakte hij het handgeschreven krantje Witolipocoa, waarvoor hij een historisch kroniekje over de geschiedenis van het Oldambt schreef. De principes van de dichtkunst werden hem bijgebracht door zijn leraar Frans, Sybrandi Braak, een groot kenner van het symbolisme in de Franse literatuur.Hendrik Houwens Post, 'Sybrandi Braak (Aalsmeer, 7 October 1871 - Wassenaar, 13 Maart 1953', in: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde(1952-1953), p. 64-69. Gearchiveerd op 21 mei 2022. Frankrijk bleef hem fascineren; in 1939 maakte hij met zijn neef Harm Onno Ebbens een fietstocht naar Parijs, waarover hij later een verslag in het Gronings schreef.
Hovinga's eerste publicaties verschenen in het weekblad Landbouw en Maatschappij (1933-1936), waarin hij onder andere een serie over de wordingsgeschiedenis van Nederland schreef.D.S. Hovinga, 'De wordingsgeschiedenis van het Nederlandsche volk, dl. 27', in: Landbouw en Maatschappij, 21 augustus 1936. Zie onder andere D.S.H. te O., 'De boeren in de volksgemeenschap', in: Landbouw en Maatschappij, 11 juli 1935. Dez., 'De boerenidee als grondslag voor een durenden toekomstigen vrede', in: Landbouw en Maatschappij, 9 juli 1936. Andere bijdragen kwamen terecht in De Weg (1941), het orgaan van het Nationaal Front.D.S.H. te O., 'Boer en volk in Nederland', in: De Weg: nationaal weekblad, 14 januari 1941. 'Agrarisch leven: het boer zijn', in: De Weg, 12 juli 1941. Dez., 'De oogst', in: De Weg, 23 augustus 1941. Belangrijkste thema's in deze jaren zijn de belangen van de boerenstand, de identiteit van de plattelandsbevolking en de diepere kracht die uitgaat van het boerenideaal. Vaak schreef hij onder zijn initialen, soms onder eigen naam. Door zijn vriendschap met Boelo Bontkes, zoon van de NSB-ideoloog en herenboer Tjark Bontkes (1885-1972) uit Finsterwolde raakte hij vertrouwd met het etnisch nationalisme dat in bepaalde NSB-kringen leefde. Veel van de thema's waarover Bontkes in deze jaren publiceerde vinden hun weerklank in Hovinga's eigen werk. Dat geldt eveneens voor diens religieuze mystiek. De ariosoof Bontkes citeerde graag de Edda en andere middeleeuwse heldensagen om zijn synthese van Christendom en Germaans natuurgeloof te onderbouwen. Ook had hij zoals veel tijdgenoten veel belangstelling voor Oud-Germaanse symboliek. Deze thematiek vinden we later bij Hovinga terug.Hovinga is aanvankelijk nog enigszins huiverig voor de Germaanse mystiek, die hij op latere leeftijd voluit omarmt. Vgl. zijn 'Boer en volk in Nederland' (1941). T.E. Bontkes, 'De cultureele taak voor het Nederlandsche Nationaal-Socialisme', in: Nieuw Nederland 2 (1935/36), p. 739-744. Dez., "Siegfried en Christus". (Een synthese tusschen Germaansche en Christelijke wereldbeschouwing), 2e dr. z.pl. [Winschoten] 1939. Over deze thematiek: Debora Dusse, 'Grundzüge der Erforschung germanischer Religion in der Zeit des Nationalsozialismus', in: Uwe Puschner & Clemens Vollnhals (red.), Die völkisch-religiöse Bewegung im Nationalsozialismus: Eine Beziehungs- und Konfliktgeschichte, Göttingen 2012, p. 417-436, hier 434. Bontkes was bevriend met Meinoud Rost van Tonningen, hoofdredacteur van de NSB-krant Het Nationale Dagblad. Hierin verscheen in 1937 een opstel van Hovinga over de belangen van de boerenstand.D.S.H., 'Boer en Bodemexploitatie', in: Het Nationale Dagblad, 24 juli 1937. Zie voor de samenvatting: Landbouw en Maatschappij, 12 augustus 1937. Onder de schuilnaam Diederik van Menterwolde schreef hij hier vervolgens opruiende artikelen, zoals in april 1938 onder de titel: De boer ontplooit de zwarte noodvlag – voor volk en bodem. (overgenomen uit Het Nationale Dagblad, 23 april 1938. In juli van datzelfde jaar deed hij een oproep tot het instellen van traditionele oogstfeesten in klederdracht, waarbij "volksvreemde elementen" als vanzelfsprekend geweerd dienden te worden. Het communistische Volksdagblad sprak over "ophitsing van boeren".
In Hovinga's nalatenschap bevindt zich verder het gedicht 'De Zwaarte Vlage', de vertaling van een bekend lied uit NSB-kringen. Het verwijst naar boerenprotesten in Noord-Duitsland vanaf 1928, die bijdroegen aan de ondergang van de Weimarrepubliek.Hovinga gebruikte hiervoor de Nederlandse vertaling van 'Das Lied der Schwarzen Fahne', die verscheen in Volk en Vaderland, 2 juni 1934. Een andere bewerking werd opgenomen in de bundel Zoo zingt de N.S.B. uit 1935. De melodie was ontleend aan een soldatenlied door Friedrich Silcher uit 1837; de tekst is omstreeks 1930 geschreven door de Oost-Pruisische herenboer Ortwin Hering. Karlheinz Weissmann, Schwarze Fahnen, Runenzeichen: Die Entwicklung der politischen Symbolik der deutschen Rechten zwischen 1890 und 1945, Düsseldorf 1991, p. 121-122. op 24 juni 2023. Onder het pseudoniem Sibolt van den Woldenheerd te O. publiceerde hij in juni 1940 in het Agrarisch Nieuwsblad een Nederlandstalig 'Boerenlied'. Hierin bezingt hij het belang van de boerenstand binnen een nieuw op te bouwen "volksche staat".'Boerenlied', in: Agrarisch Nieuwsblad, 24 juni 1940. In het radicale NSB-kaderblad Volksche Wacht van juni 1940 breekt hij een lans voor de oprichting van een strijdbare cultuurorganisatie voor Groningen. Het Nieuw Groninger Woordenboek (1929) van K. ter Laan kenschetst hij bij die gelegenheid als een waardevol boek uit een tijd dat de "volksche idealen nog sluimerden" en dat zodoende nog de sporen droeg "van een tijd die voorbij is".D.S. Hovinga, 'Taalstrijd. Ook in Groningerland', in: Volksche Wacht 5 (1940), nr. 1, p. 5-6. Gearchiveerd op 24 juni 2023. Later gaf hij zich te kennen als bewonderaar van Ter Laan.