Mahmoed Mohammad Taha (Rufa'a, 1909 - 18 januari 1985) was een Soedanees ingenieur, politicus en islamitisch theoloog. Hij speelde een prominente rol in Soedans onafhankelijkheidsstrijd en was een van de grondleggers van de Republikeinse Partij van Soedan. Taha was voorstander van liberale hervormingen in de Soedanese maatschappij en ondersteunde liberale opvattingen over islam. Centraal in Taha's filosofie staat de gedachte dat alleen de Mekkaanse openbaringen universele en tijdloze geldigheid bezitten, en dat de openbaringen uit de tijd van Medina alleen een contemporaine politieke betekenis hadden. Tijdens het regime van president Jafaar Mohammed Numeiri werd hij geëxecuteerd om staats- en religieus-politieke redenen.
Jeugd en begin van Taha's politieke loopbaan Taha kwam uit een boerenmilieu en groeide op in Al-Higailieg, op de oostelijke oever van de Blauwe Nijl in het centrale deel van wat destijds Anglo-Egyptisch Soedan was. In 1936 behaalde hij zijn diploma waterbouwkundig ingenieur aan Gordon Memorial College, de voorloper van de Universiteit van Khartoem. Hij werkte korte tijd bij de spoorwegen en vestigde zich daarna als zelfstandig ingenieur.
In 1930 raakte Taha betrokken bij de onafhankelijkheidsbeweging, maar hij raakte al snel teleurgesteld in de opstelling van Soedanese intellectuelen omdat ze de traditionele religieuze leiders steunden. Bestaande politieke partijen waren niet acceptabel voor hem, omdat ze het koloniale bewind accepteerden.
Dit leidde in 1945 tot de oprichting van de republikeinse partij Ikhwan al-hizb al-dschumhuri (letterlijk: Broeders van de Republikeinse Partij), die zich compromisloos uitsprak voor onafhankelijkheid en liberaal islamitisch georiënteerd was. De directe confrontatie met het koloniale bewind leidde in 1946 tot Taha's arrestatie. Toen hij weigerde af te zien van verdere antikoloniale activiteiten werd hij veroordeeld tot een gevangenisstraf van een jaar, maar vanwege massale protesten werd hij op last van de Britse Gouverneur-generaal na vijftig dagen weer vrijgelaten.
In datzelfde jaar werd hij echter opnieuw opgepakt. Hij werd nu veroordeeld tot twee jaar gevangenisstraf vanwege het leiden van een opstand tegen het Britse bestuur in Rufa'a. Later schreef hij over deze periode: "Toen ik mij in de gevangenis installeerde realiseerde ik mij dat ik daar was gebracht door mijn Heer, en daarop begon ik mijn chalwa (retraite) met Hem". Gedurende deze twee jaar van gevangenschap en drie jaar van zelfgekozen afzondering in Rufa'a praktiseerde Taha methoden van islamitische aanbidding (gebed en vasten) die leidden tot een nieuw begrip van de Koran. Hoewel Taha bleef vasthouden aan de traditionele opvatting dat de goddelijke openbaring geëindigd was met de Koran, geloofde hij ook dat devote moslims door inspiratie een verlicht begrip kunnen krijgen van de leringen van God zoals geopenbaard aan Mohammed. Een bevestiging van deze opvatting las Taha in koran 2:282, waarin staat dat God degene die vroom en godvrezend is onderwijst. Een ander bewijs vond Taha in een hadith die zegt dat degene die handelt in overeenstemming met wat hij of zij weet, van God kennis zal ontvangen van datgene wat hij of zij nog niet weet.
Door zijn inspanningen om Mohammed na te volgen ontwikkelde Taha een relatie met God die hij later in zijn boek Questions and Answers – Part Two als volgt omschreef :
"So, my prayer, my fasting, my holy pilgrimage and my zakat (alms-giving) are collectively, and separately, my whole life in my joy as in my sorrow, in my wakefulness as in my sleep, in my health as in my illness. And it is a life that should be for Allah – contenting with Him, ever correcting its contentment, to the extent of being joyful with Him."
Verspreiding van Taha's filosofie Aan het einde van deze retraite zette Taha in zijn in 1952 gepubliceerde boek Qul Hadhihi Sabieli (Dit is mijn pad) een nieuw islamconcept uiteen. De Republikeinse Partij werd omgevormd tot een spirituele organisatie onder leiding van Taha met als doel zijn nieuwe religieuze ideeën te verspreiden. Leden die op een seculiere weg wilden voortgaan associeerden zich met andere politieke partijen. Taha bleef intussen werkzaam als ingenieur, was korte tijd in dienst van het water- en elektriciteitsbedrijf van Khartoem en werkte daarna weer als zelfstandig ingenieur.
In 1955, vlak voordat Soedan onafhankelijk werd, werkte Taha een aantal voorstellen voor een constitutie uit in zijn boek Usus Dustour As-Soudan, die kort gezegd een federale republiek onder presidentiële leiding en met socialistische trekken inhielden. Hij was fel gekant tegen het invoeren van een rechtsstelsel dat zijn basis had in de sharia omdat dit tot wantrouwen en animositeit bij de niet-moslims en niet gearabiseerde volksdelen in het zuiden en delen van het noorden zou kunnen leiden.
Kort nadat Soedan op 1 januari 1956 onafhankelijk was geworden, nam Taha namens de Republikeinse Partij zitting in een commissie ter voorbereiding van de constitutie, maar na enkele maanden stapte hij op vanwege conflicten over het karakter van de grondwet. De commissie presenteerde uiteindelijk een gedeeltelijk op de sharia gebaseerd ontwerp voor een grondwet, maar dat werd terzijde geschoven door een militaire coup, waarna tevens alle politieke partijen werden ontbonden (1958).
Taha's progressieve ideeën, die hij gedurende de eerste twee jaren van het militaire bewind vrijelijk kon verkondigen, stuitten op weerstand van traditionalisten. Drie van zijn aanhangers werden verwijderd van het islamitische instituut van Omdurman vanwege het propageren van Taha's ideeën. Kort daarna werd het Taha verboden om in het openbaar te spreken. Hij verplaatste zijn activiteiten naar besloten bijeenkomsten bij zijn aanhangers thuis. Artikelen van zijn hand werden door de media geweigerd.
Nadat Soedan in 1964 weer een parlementaire meerpartijendemocratie was geworden, hervatte Taha in de jaren 1966-1967 zijn openbare activiteiten en publiceerde hij zijn belangrijkste boeken: Tarieq Mohammed (Mohammeds weg), Risalat Assalat (De boodschap van het gebed) en Arrisala Atthaniya min Al-Islam (De tweede boodschap van de islam).
Taha bepleitte na de Zesdaagse Oorlog voor een directe dialoog voor vreedzame co-existentie tussen Arabische staten en Israël; hij was een tegenstander van Nassers Arabische nationalisme en de in zijn ogen primitieve toepassing van de islam in Saoedi-Arabië en door de Moslimbroederschap in andere Arabische landen.
In november 1968 werd Taha beschuldigd van afvalligheid (ridda), volgens de klassieke sharia een misdaad die met de dood bestraft moet worden. Hij weigerde om voor de rechtbank te verschijnen en beriep zich daarbij op het in de grondwet vastgelegde recht op vrijheid van meningsuiting. Het sharia-hooggerechtshof in Khartoem onderzocht desondanks de beschuldigingen van afvalligheid die waren geuit door twee docenten van islamitische universiteiten, die om een verbod op zijn partij en beweging verzochten. Het hof fabriceerde een symbolisch arrest zonder formele veroordeling. Desondanks zag de Republikeinse Partij zich genoodzaakt aanzienlijke bedragen te besteden aan het aanvechten van de beschuldigingen. Dit proces had echter ook tot gevolg dat verscheidene jonge intellectuelen, die ontevreden waren met de traditionele islamitische opvattingen en met de dominantie van sektarische partijen, met Taha's ideeën bekend raakten. De sektarische partijen voerden intussen campagne voor het opnemen van de sharia in de definitieve grondwet en waren zelfs bereid daar een referendum voor uit te schrijven, totdat ontevreden officieren in mei 1969 de macht grepen. Zij verboden alle partijen, inclusief de Republikeinse, en sloegen een communistische, Arabisch nationalistische koers in.
Tot 1973 kon Taha zijn ideeën publiekelijk blijven verkondigen, maar ten slotte werd hem door president Numeiri een spreekverbod opgelegd. Toch kon de beweging nog vrijelijk haar gang gaan bij het verspreiden van Taha's ideeën.
Participatie van vrouwen Taha bleef leiding geven aan de activiteiten van de beweging, die nu de naam Republikeinse Broeders gebruikte. Inmiddels maakte een groeiend aantal vrouwen deel uit van de organisatie. De leden beperkten zich bij gebrek aan politieke invloed op het toepassen van Taha's ideeën in hun persoonlijke leven. Met name op het gebied van seksegelijkheid boekte men succes. Vrouwelijke leden participeerden volledig in alle groepsactiviteiten en veel vrouwelijke leden leidden actiegroepen onder studenten, die op campussen, in parken en op straathoeken moesten samenkomen omdat ze in hun activiteiten gehinderd werden door de autoriteiten. De actieve opstelling van vrouwen was een tamelijk controversieel verschijnsel in de Soedanese patriarchale traditie. Toen de leiders van de beweging in 1983 werden opgesloten zonder in staat van beschuldiging te worden gesteld, bevonden zich onder hen vier vrouwen.
Toenemende confrontatie met president Numeiri De aanleiding tot deze maatregel vormde de publicatie van een pamflet waarin het hoofd van de staatsveiligheidsdienst (tevens vicepresident) werd bekritiseerd vanwege zijn lakse houding in verband met verdachtmakingen en bedreigingen door fundamentalistische groeperingen aan het adres van de republikeinse broeders en niet-moslims. Terugkijkend zat er waarschijnlijk meer achter, aangezien president Numeiri enkele weken later bekendmaakte shariawetgeving te willen invoeren. Mogelijk vreesde de regering sterke oppositie van de kant van de republikeinse broeders. Desondanks startte de beweging een oppositiecampagne tegen een reeks wetsvoorstellen in die richting. De republikeinse leiders werden op 19 december 1984 weer vrijgelaten. Taha nam onmiddellijk de verantwoordelijkheid voor de anti-shariacampagne op zich door op 25 december een pamflet te verspreiden onder de titel "Hatha auw at-tawafan" (Dit of de zondvloed), waarin hij intrekking van de nieuwe wetgeving eiste en de garantie van een open democratische discussie over de principes en het proces van islamisering. Snelle invoering van de shariawetten was mogelijk geweest omdat president Numeiri in april 1984 de noodtoestand had afgekondigd nadat getracht was met een vliegtuig een aanslag op Omdurman te plegen.
De autoriteiten reageerden ambivalent op het pamflet. De toon was mild en er stond niets in dat volgens de bestaande wetgeving ontoelaatbaar was. In sommige districten werden Republikeinen gearresteerd die het pamflet verspreidden. In andere gevallen werden politieagenten die Republikeinen wilden arresteren door hun meerderen terechtgewezen. Uiteindelijk intervenieerde de minister van Justitie met de instructie aan de officieren van justitie van Khartoem, Omdurman en Khartoem-Noord om veroordelingen op te leggen op basis van opruiing, ondermijning van de constitutie, oproepen tot onwettige oppositie, verstoring van de openbare orde en lidmaatschap van een verboden organisatie. Op 2 januari 1985 werden vier republikeinen in Omdurman voorgebracht voor een speciale noodrechtbank opgericht onder de nieuwe Wet op de rechterlijke macht van 1984.