Hendrik de Leeuw (verm. in of nabij Ravensburg, 1129/1130 – Brunswijk, 6 augustus 1195), uit het Huis der Welfen, was als Hendrik III hertog van Saksen (1142-1180) en als Hendrik XII hertog van Beieren (1156-1180). Hendrik was door erfenis en behendige politiek veruit de machtigste man van Duitsland, na de keizer Frederik I Barbarossa. Zijn ambities brachten hem echter uiteindelijk in conflict met andere edelen en met de keizer, hij verloor zijn belangrijke functies en moest zelfs drie jaar in ballingschap gaan. Maar Hendrik wist zijn positie voor een deel weer te herstellen en zijn nakomelingen bleven een belangrijke rol spelen in de Duitse politiek.
Ouders Hendrik was de zoon van een politiek huwelijk: zijn vader hertog Hendrik de Trotse van Beieren had de beslissende stem in de koningskeuze van 1125. Hendrik de Trotse steunde uiteindelijk de kandidatuur van hertog Lotharius van Saksen, in ruil voor een huwelijk met Lotharius' dochter en erfgename Gertrude van Saksen. Hendrik de Trotse verwierf grote macht en bezittingen onder het bestuur van zijn schoonvader, hij was hertog van Saksen en Beieren, markgraaf van Toscane, en graaf van een aantal graafschappen door heel Noord-Italië. Daarnaast had hij in Saksen, Beieren en Italië grote eigen bezittingen. Bij zijn dood gaf Lotharius de regalia aan Hendrik de Trotse, die hoopte koning te worden. Maar Hendrik de Trotse had niet veel vrienden onder de Duitse adel en uiteindelijk werd Koenraad III tot koning gekozen. Hendrik de Trotse droeg de regalia aan Koenraad over maar die eiste ook dat hij een van zijn hertogdommen zou opgeven. Hendrik de Trotse weigerde, en Koenraad nam hem toen beide hertogdommen af. Hendrik de Trotse overleed een half jaar later in oktober 1139.
Jeugd Hendrik was nog minderjarig toen zijn vader stierf. Hij werd opgevoed door vroegere hovelingen van Lotharius, vooral geestelijken en legeraanvoerders van ministeriale afkomst. Zijn politieke belangen werden behartigd door zijn moeder en door zijn grootmoeder Richenza van Northeim, de weduwe van Lotharius. Koenraad had Albrecht de Beer tot hertog van Saksen benoemd en Leopold IV van Oostenrijk tot hertog van Beieren. Onder leiding van Richenza verzette de Saksische adel zich echter tegen Albrecht en de oom van Hendrik de Leeuw, Welf VI der Welfen, versloeg Leopold en riep zichzelf tot hertog van Beieren uit. Na de dood van Leopold (1141) benoemde Koenraad Hendrik II van Oostenrijk tot hertog van Beieren.
Op een landdag in Frankfurt in mei 1142 werd een compromis onderhandeld door aartsbisschop Markolf van Mainz. Albrecht de Beer gaf Saksen op (in ruil voor latere compensatie door de keizer) ten gunste van Hendrik de Leeuw; Hendrik de Leeuw gaf zijn aanspraken op Beieren op; Gertrude trouwde met Hendrik van Oostenrijk en hun eventuele zoon zou Beieren erven - hun huwelijk bleef echter kinderloos omdat Gertrude het volgende jaar al overleed. Welf en Hendrik maakten nu weer aanspraak op Beieren.
Hertog van Saksen De positie van hertog van Saksen was, in tegenstelling tot de positie van hertog in de andere Duitse hertogdommen, niet automatisch een positie van gezag - het was feitelijk alleen een titel. De macht van een Saksische hertog was dus gebaseerd op zijn eigen bezit en op coalities met de belangrijkste Saksische families. Het eigen bezit van Hendrik was groot en hij voerde een consequente politiek om zijn bezit en macht te vergroten. Hij deed dat door zich, met succes, tussen de koning en de graven te positioneren waardoor de graven veel meer van hem afhankelijk werden. Ook veroverde hij nieuwe gebieden op de Noord-Duitse Slaven, ten noorden en oosten van de Elbe. In zijn bestuur maakte Hendrik bij voorkeur gebruik van ministerialen, die door hun onvrije status voor hem beter te controleren waren dan edelen. Dit leidde wel tot weerstand onder de Saksische adel.
Al in 1144 probeerde Hendrik zijn positie als leenheer van de Saksische graven te laten erkennen, en daarmee de plaats van de koning in te nemen. In dat jaar werd de rijke graaf Rudolf II van Stade vermoord door boeren, zonder erfgenamen achter te laten. Zijn broer Hartwig was een geestelijke en hij wees het aartsbisdom van Bremen aan als erfgenaam. Hendrik protesteerde met argumentatie dat als een graaf zonder directe erfgenaam kwam te overlijden, zijn bezit aan de hertog (als zijn leenheer) moest vervallen. Keizer Koenraad benoemde een commissie om de kwestie te onderzoeken. Maar de commissie bestond vooral uit politieke tegenstanders van Hendrik, en de voorzitter was aartsbisschop Adalbero van Bremen zelf. Het was duidelijk dan Hendrik niets van deze commissie hoefde te verwachten en terwijl de commissie in vergadering bijeen was, liet hij Adalbero ontvoeren. Na een korte gevangenschap in Lüneburg besloot Adalbero de bezittingen van Rudolf van Stade aan Hendrik over te dragen. Hendrik liet zijn nieuwe kastelen door ministerialen bezetten. Hartwig volgde in 1148 Adalbero op als aartsbisschop van Bremen, en toen Hendrik in Italië was (1055) veroverde hij de burchten van Stade, Bremerhaven, Harburg (tegenover Hamburg aan de Elbe) en Freiburg.
Koenraad besloot op een landdag in Frankfurt in maart 1147 om deel te nemen aan de Tweede Kruistocht. Om de rust tijdens zijn afwezigheid te waarborgen liet hij zijn zoon Hendrik Berengarius tot medekoning van Duitsland kiezen en stelde hij een landsvrede in (een verbod om op eigen gezag geweld te gebruiken). Welf nam ook deel aan de kruistocht en had dit nog voor Koenraad bekendgemaakt. Welf en Hendrik lieten de keizer wel weten dat de kwestie rond Beieren na de kruistocht direct weer aan de orde zou zijn.
Kruistocht tegen de Abodriten Hendrik koos ervoor om niet deel te nemen aan de Tweede Kruistocht maar achter te blijven om de belangen van zijn familie en van zichzelf te behartigen. Veel Noord-Duitse edelen en geestelijken kozen er ook voor om in Duitsland te blijven. Op aansporen van Bernardus van Clairvaux besloten ze tot een kruistocht om de Abodriten (Noord-Duitse Slaven) te bekeren. Hendrik was een van de leiders van deze kruistocht, naast Koenraad I van Zähringen en aartsbisschop Adalbero van Bremen. Van meet af bestond de indruk dat de kruistocht meer was bedoeld om nieuwe gebieden te veroveren dan om de Slaven te bekeren. De Slavische vorst Niklot, die uitgerekend een vriendschapsverdrag had met de graaf van Holstein, werd teruggedrongen naar zijn kasteel aan de Schweriner See maar kon niet worden verslagen.
Een belangrijk gevolg van deze kruistocht was het huwelijk van Hendrik met Clementia van Zähringen, dochter van Koenraad. Als bruidsschat kreeg ze de heerlijkheid Badenweiler met 500 hoeven en 100 ministerialen. Hendrik ruilde later met Frederik Barbarossa deze bezittingen tegen goederen in Saksen.
Investituur Aartsbisschop Hartwig wijdde in 1149 de nieuwe bisschoppen van Oldenburg in Holstein en Mecklenburg. Hendrik maakte prompt aanspraak op het recht om deze bisschoppen hun wereldlijke macht te geven, waardoor ze zijn leenmannen zouden worden (wereldlijke investituur). Hiermee greep hij terug op het concordaat van Worms terwijl hij tegelijk argumenteerde dat de gebieden ten noorden en ten oosten van de Elbe nieuw waren veroverd en dat de koning dus geen historische rechten had ten aanzien van deze bisdommen. Koning Koenraad was net teruggekomen van een mislukte kruistocht en had in het zuiden zijn handen vol aan Welf VI. Koenraad kon daardoor niet in deze noordelijke kwestie ingrijpen en in 1150/1151 ontvingen de nieuwe bisschoppen hun wereldlijke macht van Hendrik.
In 1154 overleed de bisschop van Oldenburg en in de afwezigheid van Hendrik benoemde Clementia haar hofkapelaan (en verre neef) Gerold tot bisschop. Paus Adrianus IV bevestigde op verzoek van Hendrik (die in Rome was) deze benoeming. Dat was zeer tegen de zin van aartsbisschop Hartwig van Bremen.
Samenwerking met Frederik Barbarossa Na de dood van Koenraad (1152) moest een nieuwe koning worden gekozen omdat zijn zoon Hendrik Berengarius ook al was overleden. Door de steun van Hendrik werd zijn neef hertog Frederik III van Zwaben tot koning gekozen als Frederik I Barbarossa. De prijs voor de steun van Hendrik was natuurlijk het hertogdom Beieren, dat hij in 1156 zou krijgen. Frederik zou Hendrik lange tijd trouw blijven steunen en bevoordelen, in de wetenschap dat zijn machtspositie onbedreigd was zolang Hendrik aan zijn kant stond.
Hendrik begeleidde Frederik tijdens zijn rondgang door Duitsland en was daarna bijna altijd aan Frederiks hof aanwezig. Hendrik kreeg in 1152 het voogdijschap van Goslar waardoor Hendrik de beschikking kreeg over de grote inkomsten van de Rammelsbergmijnen (zilvermijnen). Ook in 1152 kwam Hendrik in conflict met Albrecht de Beer over de erfenis van de graafschappen Plötzkau en Winzenburg. Albrecht was de nauwste verwant van de overledene maar Hendrik stelde dat als een graafschap vrij viel omdat er geen directe erfgenaam was, dit graafschap aan de hertog zou moeten vervallen. Na enkele maanden besloot Frederik tot een compromis: Albrecht kreeg Plötzkau en Hendrik kreeg Winzenburg. Maar door deze beslissing accepteerde Frederik de argumentatie van Hendrik en creëerde daarmee een belangrijk nieuw precedent: de hertog van Saksen was nu blijkbaar de leenheer van de Saksische graven, en niet de koning.
Frederik Barbarossa bevestigde in 1154 het recht van Hendrik voor de wereldlijke investituur van de bisdommen van Oldenburg, Mecklenburg en Ratzeburg. Bovendien gaf Frederik aan Hendrik het recht om in nieuw veroverde gebieden nieuwe bisdommen en kerken te stichten, waarbij dezelfde feodale rechten van toepassing waren. Dit was vermoedelijk wisselgeld in de voorbereiding van de eerste Italiaanse veldtocht van Frederik, maar Hendrik kreeg zo ten noorden en ten oosten van de Elbe een positie die bijna gelijk was aan die van de koning. Hendrik was de enige Duitse vorst, die geen koning was, die dit recht zou hebben. In volgende jaren begon Hendrik aan een geleidelijke reorganisatie van zijn bisdommen. De zetel van Oldenburg verplaatste hij naar Lübeck en de zetel van Mecklenburg verplaatste hij van het kasteel de Mecklenburg naar Schwerin. In 1169/1170 werd de rechtspositie en het bezit van de bisdommen in aktes vastgelegd.
Italiaanse veldtocht 1154/1155 Frederik was behalve koning van Duitsland ook koning van Italië. In het noorden van Italië kregen de steden steeds meer macht en begonnen eigen stadstaten te vormen. Milaan had bovendien Lodi (1111) en Como (1127) bezet. In 1153 beklaagden afgevaardigden van Lodi zich bij Frederik over de beperkingen die Milaan hun stad oplegde. Frederik had al het plan om in de herfst van 1154 naar Italië te gaan en besloot om daar een grote militaire expeditie van te maken. Hendrik leverde het grootste aandeel in dit leger. In oktober 1154 vertrok het leger uit Augsburg. Bij Roncaglia stuurden twee Milanezen het leger de verkeerde kant op waardoor het leger verdwaalde en de voorraden op raakten. Hendrik belegerde daarna de stad Tortona, een bondgenoot van Milaan. In februari 1155 kon Hendrik de benedenstad innemen, de bovenstad volgde twee maanden later. Hendrik gebruikte zijn tijd in Italië ook om zijn eigen zaken te regelen. Hij maakte aanspraken op de goederen van het Huis Este, die nu werden bestuurd door een jongere tak van de familie Este. Er werd een regeling getroffen waarbij Hendrik als rechtmatige eigenaar van deze goederen werd erkend en hij de goederen weer in leen gaf aan zijn verre Italiaanse neven.