Dit artikel behandelt de geschiedenis van de Nederlandse provincie Flevoland. Flevoland is de jongste provincie van Nederland; het is als provincie erkend in 1986. Het grondgebied bestaat vrijwel geheel uit de voormalige bodem van de Zuiderzee, die in de 20e eeuw deels is drooggelegd.

Voorgeschiedenis Schokland en Urk De eilandjes Schokland en Urk bestonden al voor de drooglegging van de Zuiderzee. Schokland was een eiland tussen Urk en het vasteland bij Vollenhove; het was tot 1660 in handen van de heren van Kuinre. In de loop der tijd is dit eiland sterk verkleind totdat in de 20e eeuw slechts een smalle strook land over was; reeds in 1859 moest Schokland ontruimd worden, waarna het aan Kampen werd toegevoegd.

De oudst bekende vermelding van de naam 'Urk' is de schenkingsakte uit 966 van keizer Otto I aan het Sint-Pantaleonsklooster te Keulen. De tekst luidt: "cuiisdam insulae medietatem in Almere, que Urch vocatur" (zeker eiland in Almere, dat Urch genoemd wordt). Urk kwam in de 13e eeuw aan het graafschap Holland.

Schokland en Urk behoorden van 1660 tot 1792 tot de stad Amsterdam, daarna (na vele herindelingen in de Franse tijd) tot 1859 respectievelijk 1950 tot Noord-Holland, in welke jaren ze opnieuw bij Overijssel werden ingedeeld.

Tot 1932 lagen ze als eilanden in de Zuiderzee, daarna (door de voltooiing van de Afsluitdijk) in het IJsselmeer. Sinds de drooglegging van de Noordoostpolder in 1942 liggen Schokland en Urk in deze polder en maken deel uit van het vasteland.

Polderplannen Sinds 1886 pleitte de Zuiderzeevereeniging voor inpoldering van de Zuiderzee, en daarbinnen nam dr. Ir. C. Lely al snel de leiding. De inpoldering had twee doelen: de Zuiderzee, die steeds voor rampzalige overstromingen zorgde, moest worden bedwongen (waarvoor eerst een Afsluitdijk moest worden aangelegd), en de landaanwinning leverde ook meer landbouwgrond en woongebied op. Lely voltooide in 1891 zijn plan en werd minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid, maar het plan had te weinig politiek draagvlak en werd op de lange baan geschoven.

Op 14 juni 1918 werd de Zuiderzeewet aangenomen, waarin tot de inpoldering van de Zuiderzee werd besloten. Dit werd mogelijk door een ommekeer in de publieke opinie na de watersnood van 1916. De uitvoering van het plan door de Dienst der Zuiderzeewerken (zie ook Zuiderzeewerken) gebeurde in fasen en duurde zo'n driekwart eeuw.

Drooglegging Noordoostpolder Op 2 februari 1936 werd met de voorbereidende werkzaamheden voor de aanleg van de Noordoostpolder begonnen en in 1937 werd de aanleg van in totaal 31,5 kilometer dijk aanbesteed. Op 3 oktober 1939 werd de dijk tussen Lemmer en Urk gesloten. Urk was voortaan geen eiland meer. In 1940 werd de dijk aan de kant van Overijssel bij Vollenhove gesloten en kon het droogmalen beginnen. De polder viel officieel droog op 9 september 1942. Nu verloor ook Schokland de eilandstatus; Schokland lag voortaan in de polder.

De kersverse polder werd al snel een toevluchtsoord voor onderduikers, omdat de arbeiders waren vrijgesteld van de Arbeitseinsatz. Van de afkorting NOP (van NoordOostPolder) werd in die tijd gezegd dat die ook stond voor "Nederlands Onderduikers Paradijs". In totaal zouden er circa twintigduizend personen ondergedoken zijn geweest. In november 1944 werden bij een grote razzia veel onderduikers opgepakt en via Vollenhove afgevoerd. Een herinnering aan die gebeurtenis is terug te vinden in de polder, onder andere aan de weg Onderduikerspad, in Espel/Creil.

Na de Tweede Wereldoorlog werd begonnen met de bouw van boerderijen, waarbij voor het eerst gebruik werd gemaakt van prefab betonelementen. In 1947 begon de uitgifte van grond. De nieuwe boeren waren streng geselecteerd. Ze kwamen voornamelijk uit Friesland, Noord-Holland, en Zeeland (onder andere uit Walcheren dat in oktober 1944 door de geallieerden onder water was gezet).

In 1942 werden de delen (bestaande uit water) van Lemsterland (Fr), Blankenham (Ov), Blokzijl (Ov), Genemuiden (Ov), Kampen (Ov) en Kuinre (Ov) de Noordoostelijke Polder (Overijssel). Later begon de uitgifte van de grond, aanleg van de eerste woonkernen. Emmeloord was de centrumplaats in de gemeente Noordoostpolder, die in zijn geheel bij Overijssel behoorde.

In 1950 werd het Noord-Hollandse Urk Overijssels. In 1955 werd het Openbaar Lichaam Zuidelijke IJsselmeerpolders (OL ZIJP) ingesteld. Een deel (bestaande uit water) van de Noordoostelijke Polder (Ov.) wordt het OL ZIJP. In 1969 werden delen (bestaande uit water) van de voormalige Zuiderzeegemeenten deel van het OL ZIJP.

Tussen 1972 en 1984 ontstonden uit het OL ZIJP de nieuwe gemeenten: in 1972 Dronten, 1980 Lelystad, 1984 Almere en Zeewolde. In 1996 werd het OL ZIJP opgeheven. De Overijsselse gemeenten Urk en Noordoostpolder hoorden sinds 1986 bij Flevoland.

De gebieden van de Noordoostpolder, Oostelijk Flevoland en Zuidelijk Flevoland waren sinds de inpoldering officieel ingedeeld in een zogenaamde apostolische administratie. In de praktijk waren ze al toegewezen aan respectievelijk het bisdom Groningen-Leeuwarden, het aartsbisdom Utrecht en het bisdom Haarlem-Amsterdam. Eerst bij decreet van 30 november 2024 van de dicasterie voor de Bisschoppen zijn de polders en hun parochies definitief ingedeeld bij een bisdom.Flevoland nu pas officieel toegewezen aan de eerder informeel toegekende bisdommen KRONCRV.nl d.d. 20 januari 2025; gearchiveerd d.d. 20 januari 2025Zuidelijk Flevoland definitief ingedeeld bij bisdom Haarlem-Amsterdam weblog bisschop Jan Hendriks met afbeelding decreet d.d. 18 januari 2025; gearchiveerd d.d. 25 januari 2025

Oostelijk Flevoland miniatuur|rechts|Dijkaanleg ten behoeve van de inpoldering omstreeks 1950. De mannen zijn bezig met het maken van zinkstukken, in elkaar gevlochten griendhout, dat wordt gebruikt om dijkvoeten, met name het deel onder de waterlijn, te beschermen De polder is aangelegd tussen 1950 en 1957 en heeft een grootte van 540 km². De ontwikkeling van dit gebied gebeurde door de Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders (RIJP). De aanleg van Oostelijk Flevoland begon in 1950, kort na de Tweede Wereldoorlog, toen Nederland herstelde van verwoestingen en voedseltekorten. Anders dan bij eerdere polders, waar vanaf de kust werd gewerkt, koos men hier voor een innovatieve aanpak: een kunstmatig werkeiland midden in het IJsselmeer. Dit eiland, gelegen op de plek waar later Lelystad-Haven zou ontstaan, diende als uitvalsbasis voor de dijkbouwers. Het werd opgebouwd door zand op te spuiten en te verstevigen, en al snel verrezen er barakken, een haven en werkplaatsen voor de arbeiders. Vanuit dit eiland begonnen de dijken te groeien in twee richtingen: naar het noorden richting de Noordoostpolder en naar het zuiden richting Harderwijk op de Veluwe. De ringdijk zou uiteindelijk zo'n 90 kilometer lang worden. De techniek van de dijkbouw was geavanceerd voor die tijd. Men gebruikte zandzuigers om materiaal uit de bodem van het IJsselmeer op te halen en op te spuiten tot een stevige basis. Daaroverheen kwamen lagen klei en stenen voor versteviging. De Knardijk, die later als scheiding zou dienen tussen Oostelijk en Zuidelijk Flevoland, werd al vroeg aangelegd en fungeerde als een tijdelijke weg voor materieel. Op 13 september 1956 werd de laatste opening in de dijk gesloten. Nu het gebied was afgesloten, kon het droogpompen beginnen. In november 1956 werd het gemaal Wortman bij Lelystad in bedrijf gesteld. Het duurde maanden, maar op 29 juni 1957 werd Oostelijk Flevoland officieel droog verklaard.

Zuidelijk Flevoland De planning voorzag in een ringdijk van ongeveer 60 kilometer, maar er trad stagnatie op na 1956, waardoor de totale dijkbouw 8,5 jaar duurde. Redenen hiervoor was onder meer de prioritering van de Deltawerken na de Watersnoodramp van 1953. De bouwtechnieken bouwden voort op eerdere polders: zandzuigers spuiten materiaal op voor de dijkbasis, gevolgd door klei en stenen voor versteviging. Een cruciaal moment was de dijksluiting op 18 oktober 1967, nabij Muiderberg, een feestelijke gebeurtenis die het gebied afsloot van het IJsselmeer.

Vervolgens begon het gemaal De Blocq van Kuffeler bij Almere – het water weg te pompen. Op 23 mei 1968 viel Zuidelijk Flevoland droog.

De bodem bestond voornamelijk uit klei (ongeveer 39.100 hectare) en zware zavel (2.070 hectare), ideaal voor landbouw na ontzouting. Het Oostvaardersplassengebied, oorspronkelijk bedoeld voor industrie, bleek te drassig en werd behouden als natuurreservaat – een toevallige zegen voor biodiversiteit.

De westelijke rand van Oostelijk Flevoland bestaat uit de Oostvaardersdijk. Deze dijk loopt vanaf Lelystad niet in een rechte lijn naar het zuiden, maar buigt ter hoogte van de huidige Oostvaardersplassen naar het westen af. Dit gebeurde omdat de dijk oorspronkelijk niet bedoeld was als definitieve buitendijk van Flevoland. Hij moest later onderdeel worden van de toekomstige Markerwaard.

De ontwerpers hielden rekening met een nieuwe polder ten westen van Flevoland. De dijk werd daarom zo gepositioneerd dat tussen Flevoland en de toekomstige Markerwaard een vaarroute, het Oostvaardersdiep, zou kunnen komen. Toen de Markerwaard uiteindelijk niet werd aangelegd, bleef de dijk in zijn oorspronkelijke vorm bestaan.

Verder naar het zuiden maakt de westdijk opnieuw een duidelijke knik. Deze bocht heeft een andere oorzaak. Hier moest rekening worden gehouden met de belangrijke scheepvaartroute van het IJsselmeer naar Amsterdam en het Noordzeekanaal. Bij de aanleg van Zuidelijk Flevoland wilde men deze vaargeul openhouden en voldoende ruimte laten voor de scheepvaart. Daarom werd de dijk niet als een rechte lijn aangelegd, maar iets oostelijker gelegd.

De kavelafmetingen kwamen uit op 550 x 1.200 meter, veel groter dan in Oostelijk Flevoland. Op 9 februari 1979 was de eerste landuitgifte: 25 akkerbouw- en 10 weidebedrijven van 35-60 hectare.

Twaalfde provincie De instelling als provincie werd bij wet besloten op 27 juni 1985, en uitgevoerd op 1 januari 1986 met Lelystad als de hoofdstad. Lelystad is vernoemd naar Cornelis Lely, de oud-minister van Waterstaat die het plan tot inpoldering oorspronkelijk had ontworpen.

De provincie kreeg haar eigen regionale omroep in 1989: Omroep Flevoland.

Met het droogvallen van Zuidelijk Flevoland in 1968 kwam een einde aan de grootste fase van de Zuiderzeewerken. Daarmee was een nieuw gebied van ruim 1.400 km² gewonnen op de voormalige Zuiderzee. Hoewel de Markerwaard oorspronkelijk eveneens zou worden ingepolderd, besloot de Nederlandse regering in de loop van de jaren tachtig af te zien van uitvoering van deze plannen. Hierdoor kreeg het Markermeer een blijvend karakter als binnenwater.

De eerste bewoners vestigden zich in de jaren zestig en zeventig in de nieuwe polders. Dronten, opgericht in 1972, werd ontwikkeld als centrum van Oostelijk Flevoland. In Zuidelijk Flevoland ontstond Lelystad, genoemd naar ingenieur Cornelis Lely, de geestelijk vader van de Zuiderzeewerken.

Aanvankelijk werd verwacht dat Lelystad zou uitgroeien tot een stad van enkele honderdduizenden inwoners. De groei bleef echter achter bij de prognoses. Daarom werd besloten een tweede grote stad te ontwikkelen. In 1976 vestigden de eerste bewoners zich in Almere, dat vooral moest voorzien in de woningbehoefte van de noordelijke Randstad. Almere groeide uit tot de snelst groeiende stad van Nederland en werd in de 21e eeuw de grootste gemeente van Flevoland.

Naast Lelystad en Almere ontwikkelden ook plaatselijke centra als Dronten, Zeewolde en de bestaande dorpen in de Noordoostpolder zich verder tot volwaardige woon- en werkgemeenschappen. De opening van de Hanzelijn in 2012 verbeterde de spoorverbindingen met Zwolle en de noordelijke provincies aanzienlijk. Tegelijkertijd werden nieuwe natuur- en recreatieprojecten gerealiseerd, waaronder de Marker Wadden.