miniatuur|Bevestigde besmettingen per 100.000 inwoners per provincie (Peildatum 15 juni 2020) miniatuur|Aantal besmettingen (blauw) en doden (rood) door COVID-19 (logaritmische schaal). De stippellijnen geven het dagelijkse verschil aan.

In België startte de coronacrisis op 3 februari 2020. Het coronavirus SARS-CoV-2 werd vastgesteld bij een van de negen Belgische geëvacueerden die de dag ervoor met een vliegtuig arriveerden uit de Chinese stad Wuhan. De patiënt verkeerde volgens de toenmalige Belgische federale minister van Volksgezondheid Maggie De Block op 4 februari in goede gezondheid en vertoonde geen symptomen. Hij was op 15 februari 2020 weer volledig virusvrij.

In tegenstelling tot omliggende landen (Nederland, Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk) besloten de Belgische autoriteiten om geen informatie en/of statistieken te publiceren waar de besmettingen werden gerapporteerd anders dan de regio en provincie waar zij plaatsvonden; zoals Vlaanderen, Wallonië of Brussel.Waarom ons land niet zegt waar de coronapatiënten wonen, Het Nieuwsblad, 5 maart 2020 In het dagelijkse updaterapport van Sciensano werd op 26 maart 2020 voor het eerst een kaart gepubliceerd waarbij op gemeentelijk niveau het aantal geregistreerde besmettingen per 100 inwoners werd weergegeven zonder hierbij echter het precieze aantal te vermelden. Uit deze kaart bleek dat de hoogste geregistreerde concentraties aan besmettingen in Alken, Sint-Truiden en Quévy te vinden waren.

Besmettingen Een tweede besmette persoon werd op 29 februari opgenomen in het Universitair Ziekenhuis Antwerpen. Deze kwam terug van een bezoek aan Frankrijk.Opnieuw Belg besmet met coronavirus, "patiënt kwam uit Frankrijk en verblijft in Antwerps ziekenhuis", VRT, 1 maart 2020

De verspreiding van het virus ging vanaf 1 maart in stijgende lijn. Oorzaak hiervan was dat velen die tijdens de schoolvakantie in Noord-Italië op skivakantie waren geweest, terug naar het werk of naar school gingen.

België riep op 1 maart fase 2 uit van het zogenaamde "Corona-noodplan". Als de overheid bij het uitvoeren van de contactopsporing het overzicht zou verliezen van wie er in contact waren gekomen met geïnfecteerden, dan zou fase 3 uitgeroepen worden.Tweede besmetting met coronavirus in België, De Tijd, 1 maart 2020

Op 11 maart maakte de overheid bekend dat het virus een eerste dode had geëist. Op dezelfde dag overleden nog twee patiënten.Dossier coronavrus/COVID-19, VRT, 11 maart 2020

Op 27 maart raakte bekend dat in België, als eerste land van Europa, een dier besmet was geraakt. Het ging over een huiskat. Het werd ontdekt in de Universiteit van Luik. Eerder was al bekend dat twee honden uit Hongkong tevens besmet waren.Belgische kat loopt coronavirus op, hoe uitzonderlijk is dat en moeten we ons zorgen maken over onze huisdieren?, VRT, 27 maart 2020

thumb|Voorgebouwde containers geplaatst naast de spoedafdeling voor de COVID-19-crisis in het Universitair Ziekenhuis Antwerpen te Edegem; 14 maart 2020.

Evolutie Volgens het dagrapport van Sciensano waren op 1 april 2020 bij een totaal van 18.540 vastgestelde besmettingen de grootste geregistreerde besmettingsconcentraties terug te vinden in Alken met 63,5, Sint-Truiden (46,1), Wichelen (40,3), Quévy (38,1), Borgloon en Wellen (33,9). Van de grote steden kende Bergen met 28,5 de hoogste concentratie en Charleroi met 3,9 de laagste (aantallen per 10.000 inwoners). In België waren op dat ogenblik twee regio's die duidelijk een hogere besmettingsgraad kenden dan de rest van het land: het zuidwesten van de provincie Limburg (met Alken en Sint-Truiden als epicentrum) en de Borinage in de provincie Henegouwen.

Een maand later (dagrapport 3 mei) waren er 14 gemeenten met meer dan 100 gemelde besmettingen per 10.000 inwoners. De regio Sint-Truiden was hierbij het enige cluster (6 van de 14 gemeenten), geen van deze andere gemeenten zijn onderling aangrenzend. Opgemerkt dient hierbij dat de toename in de loop van april voor dit cluster wel gelijk was aan dat voor heel België (factor 3,5).

Van de vijf grootsteden had enkel Luik een hoger dan gemiddelde besmettingsgraad (36% hoger dan nationaal gemiddelde). Gent zat 40% beneden het gemiddelde. Brussel (42,4) zat op het gemiddelde maar kende wel grote verschillen van gemeente tot gemeente (Schaarbeek 30,7 - Anderlecht 64,5).

Tussen de provincies was het verschil in vastgestelde besmettingsgraad (per 10.000 inwoners) eind april (data 30 april) duidelijk minder groot dan bij het begin van de epidemie. De provincie Limburg kende op 1 april een graad die 60% hoger lag dan het nationaal gemiddelde, op 30 april is dit nog 46,6%. In de provincie Namen is de besmettingsgraad over dezelfde periode het sterkst toegenomen (van 42% lager dan het gemiddelde naar slechts 11% lager). Waals-Brabant kent de laagste graad, 26,5% lager dan het nationaal gemiddelde en ongeveer de helft minder dan in Limburg. Opvallend is ook de toename van de besmettingsgraad in de provincie Luik (30% hoger dan gemiddeld), die ondertussen deze van Limburg benadert. In vergelijking met verschillende andere Europese landen valt op dat de regionale verschillen in besmettingen in België eerder gering zijn. Het besmettingsniveau per 100.000 inwoners varieert tussen de provincies in België maximaal met een factor 2, in Nederland met factor 6, in Duitsland voor de deelstaten met 7, en in Frankrijk voor de regio's 12.

Aantal afgenomen tests Op 1 april bedroeg het aantal afgenomen tests 63.115 (29,3% positief), op 30 april met 233.865 (20,7% positief) bijna vier keer meer. Vanaf 10 april werd het systematisch testen in de woon-zorgcentra opgestart, zowel bij personeel als bewoners. Op 30 april werden hier reeds 107.084 tests afgenomen waarvan 6,6% positief (bij personeel 4%, bewoners 10%). Op 10 april werd met 31,9% het hoogste percentage positieve tests gemeten (32.822 op 102.987); vanaf 22 april wanneer de testcapaciteit gevoelig verhoogd is daalt het percentage positieve tests erg snel, op 30 april bedraagt het nog 15,4% (gecumuleerd) en op dagbasis nog slechts 2,4%. Eind juni, wanneer het aantal besmettingen per dag nog ongeveer 80 bedraagt, is het aandeel positieve tests op dagbasis teruggevallen tot 0,62%. Begin augustus is het aandeel na de heropflakkering van de besmettingen in vooral Antwerpen en Brussel vervijfvoudigd tot 3,05% terwijl het aantal tests slechts toegenomen is met 50% (van ± 13.000/dag naar ± 20.000/dag). Na een beperkte terugval van de ratio afgenomen/positieve tests tot ± 2,1% eind augustus, steeg dit aandeel weer tot boven de 3,2% vanaf half september, ook al was het aantal afgenomen tests op dagbasis verder gestegen tot boven de 30.000.

Het hoge aandeel positieve tests begin april (op het hoogtepunt van de curve) is in grote mate te verklaren door het toen nog relatief gering aantal afgenomen tests (ongeveer 5.000/dag) die hoofdzakelijk afgenomen werden bij personen met duidelijk symptomen van COVID-19. Vanaf eind april ligt het aantal tests/dag systematisch boven de 10.000 om begin mei op te lopen tot 20.000.

Aantal besmettingen In onderstaande grafiek wordt de evolutie van het aantal nieuw geregistreerde besmettingen per dag op voortschrijdende wijze weergegeven; dit betekent dat de eerste waarde in de grafiek betrekking heeft op het gemiddelde voor de zeven opeenvolgende dagen tot en met 1 maart, voor de volgende waarden schuift dit telkens 1 dag op (dus tot 2 maart enz). Uit deze grafiek blijkt dat een eerste piek van het aantal nieuw vastgestelde besmettingen bereikt werd rond 4 april. Op 11 april werd als gevolg van het hoger aantal afgenomen testen een nieuwe piek bereikt, waarna de curve neerwaarts afbuigt. Vanaf 23 april viel het aantal besmettingen, ondanks de sterke toename van het aantal uitgevoerde tests, snel terug tot midden juni, toen het gemiddeld aantal besmettingen per dag stabiliseerde rond 90. Midden juli begon het aantal besmettingen weer te stijgen om begin augustus een niveau van ongeveer 500 per dag te bereiken. Deze stijging deed zich in eerste instantie vooral voor in de stad Antwerpen maar nadien ook in andere gemeenten. Na een beperkte terugval tot ongeveer 400 besmettingen per dag trad vanaf begin september opnieuw een ditmaal forsere stijging op waarbij op 9 september voor het eerst sedert 21 april de kaap van 1000 besmettingen per dag overschreden werd. Gelijkaardige, soms nog sterkere, stijgingen doen zich ook voor in een aantal andere Europese landen. De situatie is echter niet helemaal te vergelijken met die van het voorjaar, omdat het aantal testen veel hoger lag in september en in het voorjaar vooral mensen met symptomen werden getest, waar dat later breder ging.

Opmerking: dit voortschrijdend weekaantal voor de laatste drie vermelde dagen kan de eerstkomende dagen nog evolueren door vertraging in de rapportering.

Midden juli begon het aantal besmettingen weer te stijgen om begin augustus een niveau van ongeveer 500 per dag te bereiken. Deze stijging deed zich in eerste instantie vooral voor in de stad Antwerpen maar nadien ook in andere gemeenten. Als gevolg hiervan werd een aantal maatregelen weer verscherpt in het hele land en werden in Antwerpen (o.a. algemene mondmaskerplicht en avondklok) en nadien Brussel (algemene mondmaskerplicht) nog extra specifieke verordeningen ingevoerd.

Stijgende curve/derde golf Net als in veel andere Europese landen begonnen omstreeks midden maart de besmettingen flink op te lopen onder invloed van de meer besmettelijke Britse variant van het virus.

Opbouw groepsimmuniteit Viroloog Marc Van Ranst bevestigt het vermoeden dat sommige Belgen besmet zijn met het coronavirus zonder dat te weten. Uit de onderzoeken die UZ Brussel uitvoert op patiënten voor kleine ingrepen, die geen COVID-19-symptomen hebben, blijkt dat 10% toch het virus dragen en een infectie in de longen hebben.Van Ranst: 'Bemoedigend als blijkt dat tien procent Belgen besmet is', De Tijd, 27 maart 2020 Gedeeltelijke groepsimmuniteit mindert de verspreiding van het virus. Op 2 april 2020 kondigde het Rode Kruis aan het bloed van bloeddonoren systematisch te gaan testen op antistoffen, om zo een beeld te krijgen van de immuniteit bij de Belgische burgers.

Mortaliteit Tijdelijk vastgestelde oversterfte gedurende 2020 Vanaf week 12 (16 tot 22 maart) wordt ten opzichte van het verwachte aantal overlijdens (gebaseerd op het gemiddelde aantal sterfgevallen tijdens de laatste 5 jaren voor dezelfde periode) een duidelijke oversterfte vastgesteld. In week 12 enkel voor 2 van de 7 dagen, vanaf week 13 wordt elke dag een oversterfte waargenomen. Voor week 14 (30 maart tot 5 april) bedraagt de oversterfte 80,8%. Het niveau van de oversterfte overtreft voor deze week met 15,1% het aantal gemelde COVID-19-sterfgevallen. Voor week 15 ligt de gemelde oversterfte voorlopig bijna 2,9% lager dan het aantal voor deze week gemelde COVID-19-sterfgevallen (bevestigde en vermoede) en voor week 16 bedraagt dit verschil -11,5% (getallen kunnen retroactief nog aangepast worden). In het totaal ligt de oversterfte voor de periode van 16 maart tot 26 april bij 56,4% en ligt 5,7% hoger dan het aantal gemelde COVID-19-overlijdens. De oversterfte die voor week 15 nog bij 95% lag is voor week 17 teruggevallen naar 40,1%. Opvallend zijn de regionale verschillen, de oversterfte is veel hoger in Brussel (103,3%) dan in Wallonië (62,3%) waarvoor het percentage dan weer beduidend hoger is dan in Vlaanderen (45,5%). Voor Vlaanderen is de oversterfte ondertussen lager dan het aantal gemelde COVID-19-overlijdens voor dezelfde periode (-7,2%), voor Brussel en Wallonië is de oversterfte nog licht hoger dan het aantal gemelde COVID-19-overlijdens (resp. 4,3% en 2,7%).