Dilophosaurus is een uitgestorven geslacht van vroege vleesetende theropode dinosauriërs uit de groep van de Averostra, in Noord-Amerika levend tijdens het Vroeg-Jura. De vermoedelijk enige geldige soort is Dilophosaurus wetherilli.
De eerste fossielen van Dilophosaurus werden gevonden in 1942. Het dier werd eerst benoemd als Megalosaurus wetherilli. Na een nieuwe vondst in 1964 kreeg het geslacht in 1970 de eigen naam Dilophosaurus, de 'twee-kam-sauriër'. Daarna zijn nog meer skeletten gevonden zodat de geleerden een goed beeld kregen van de bouw van het dier. De in 1983 benoemde tweede soort Dilophosaurus sinensis is vermoedelijk een heel andere dinosauriër.
Dilophosaurus werd een kleine zeven meter lang en vierhonderd kilogram zwaar. Hij liep op zijn achterpoten waarbij een lange staart de romp in evenwicht hield. De armen raakten de grond niet maar waren toch krachtig gebouwd. Het reptiel is herkenbaar aan de twee kammen op zijn kop. Daarmee maakte het indruk op soortgenoten. In de langwerpige kop stonden lange kromme tanden. Het voorste deel van de snuit was naar beneden geknikt. Zo konden makkelijker kleine dieren gegrepen worden. Vroeger dachten geleerden dat dit de schedel zwak maakte zodat alleen aas kon worden gegeten. Later werd begrepen dat Dilophosaurus een van de grootste roofdieren was van zijn tijd. Met de lange achterste tanden in de bovenkaken en sterke handklauwen doodde hij grote prooien.
Vondst en naamgeving In de zomer van 1942 vond paleontoloog Samuel Paul Welles fossielen van een nog onbekende theropode in de Moa Ave I-vindplaats in het Navajo-indianenreservaat ten westen van Tuba City in de Amerikaanse staat Arizona, in de Coconino County. Schedelelementen en ledematen werden geprepareerd door Martin Calkin. De overige botten werden na 1948 in de loop van twee jaar geprepareerd door een team onder leiding van Wann Langston jr. waarbij student Philip Goerl het meeste werk deed. Ontbrekende delen werden aangevuld met gipsen reconstructies. Langston liet een deel van de botten als een verzonken skelet opstellen in Berkeley. left|thumb|Een afgietsel van het holotype met de kop van het derde specimen In 1954 benoemde en beschreef Welles de vondsten als een nieuwe soort van Megalosaurus: Megalosaurus wetherilli.. 1954. "New Jurassic dinosaur from the Kayenta Formation of Arizona". Bulletin of the Geological Society of America 65: 591-598 De soortaanduiding eert John Wetherill, die sinds 1909 de beheerder was geweest van een handelspost te Oljato. Wetherill ontdekte grote voetsporen van theropoden bij het Rainbow Bridge National Monument. Een neef van hem, Richard Curry, gaf dit eens door aan professor Charles Lewis Camp van de University of California en dit was de aanleiding van het onderzoek van Welles dat de botten opleverde. Welles hoorde namelijk van Curry dat een Navaho, Jesse Williams, in 1940 een skelet ontdekt had. Met zijn medewerkers Bill Rush en Ed Kott groef hij de beenderen, die van verschillende individuen afkomstig bleken, in tien dagen op tot 19 juli 1942, een oppervlakte van zes meter in het vierkant bewerkend.
De beschrijving uit 1954 was gebaseerd op twee skeletten, allebei van nog niet volgroeide dieren met een lengte van een meter of zes. Ze zijn gevonden in de Silty Facies Member, een afzetting van de Kayentaformatie die dateert uit het Sinemurien–Pliensbachien en ongeveer 183 miljoen jaar oud is. Het eerste daarvan is het holotype, het specimen waaraan de naam verbonden is. Het heeft het inventarisnummer UCMP 37302. Het bestaat uit een vrij volledig skelet met schedel. Het tweede skelet is het paratype, een aanvullend specimen dat extra informatie biedt. Dit heeft het nummer UCMP 37303 en betreft ook weer een skelet met schedel, van een iets groter exemplaar. Er was vermoedelijk nog een skelet aanwezig maar de resten daarvan waren zo verweerd dat het niet de moeite waard geacht werd ze te bergen.
In 1964 groef Welles, die de vindplaats opnieuw bezocht om de ouderdom ervan nauwkeuriger vast te stellen, zo'n vierhonderd meter van de oorspronkelijke locatie een derde, of vierde, skelet op, specimen UCMP 77270. Dit is van een volgroeid robuust dier. De schedel die erbij hoort, is veel gaver en liet voor het eerst goed de dubbele snuitkam zien. Naar aanleiding hiervan verwijderde Welles het holotype uit de opstelling van Langston en zette de botten ervan opnieuw in elkaar, gebruikmakend van de aanvullende informatie. In 1970 benoemde hij een apart geslacht voor het dier: Dilophosaurus.. 1970. "Dilophosaurus (Reptilia: Saurischia), a new name for a dinosaur". Journal of Paleontology 44: 989 Het kenmerk van de dubbele kam op de kop komt terug in de wetenschappelijke naam; di betekent twee, lophos betekent 'kam' en sauros betekent letterlijk 'hagedis', maar in wetenschappelijke namen duidt het meer in het algemeen een sauriër aan. De typesoort blijft Megalosaurus wetherilli; de combinatio nova, de combinatie van de nieuwe geslachtsnaam met de oude soortaanduiding, is Dilophosaurus wetherilli.
De reeks vondsten was daarmee niet ten einde. In 2001 meldde Robert Gay een twintigtal losse botten. 2001. "New specimens of Dilophosaurus wetherilli (Dinosauria: Theropoda) from the Early Jurassic Kayenta Formation of northern Arizona". Mesa Southwest Museum Bulletin. 8: 19-23 In 2005 beschreef Ronald Tykoski een vierde skelet, specimen TMM 43646-1, een wat kleiner exemplaar, door Timothy Rowe opgegraven tussen 1997 en 2000. Het lag direct bovenop het holotype en paratype van Sarahsaurus. Het verschilt in een paar details van de eerder gevonden skeletten en verschillende onderzoekers hebben geopperd dat het een apart taxon betreft. In 2020 werd de anatomie meer in detail beschreven en zijn twee nieuwe specimina toegewezen. De eerste daarvan is het vijfde skelet, specimen TMM 47006-1, bijgenaamd Jon's Theropod. Het bestaat uit een hersenpan met aaneensluitend de vrijwel complete reeks wervels van nek en rug. Het tweede is specimen TMM 43691-1. Het bestaat slechts uit het rechterdarmbeen van het bekken. Botten in 1978 verzameld door het Museum of Northern Arizona werden gedetermineerd als een cf. Dilophosaurus. Ze zijn er dus niet met zekerheid aan toe te wijzen maar lijken er wel op. Nog onzekerder achtte men de identiteit van het fragmentarische specimen ARCH 4012, in 2011 verzameld in het Arches National Park te Utah. Het gaat om stukken wervel en ledematen die de grootte hebben van Dilophosaurus.Adam D. Marsh & Timothy B. Rowe, 2020, "A comprehensive anatomical and phylogenetic evaluation of Dilophosaurus wetherilli (Dinosauria, Theropoda) with descriptions of new specimens from the Kayenta Formation of northern Arizona", Journal of Paleontology 94(Supplement S78): 1–103
Verdere soorten Binnen het geslacht Dilophosaurus is in 1993 door Hu Shaojin een tweede soort benoemd: Dilophosaurus sinensis, gebaseerd op het in 1987 gevonden specimen KMV 8701, een gedeeltelijk skelet met schedel uit het Hettangien van Yunnan, China. 1993. "A new Theropoda (Dilophosaurus sinensis sp. nov.) from Yunnan, China". Vertebrata PalAsiatica. 31(1): 65-69 Een tweede skelet is specimen LDM-LCA 10. Deze soort komt in grootte en ouderdom met D. wetherilli overeen en bezit ook een dubbele snuitkam. Volgens verschillende analyses gaat het echter niet om een zustersoort maar een dier dat een duidelijk verschillende positie in de stamboom heeft, wellicht basaal in de Dilophosauridae, wellicht basaal in de Tetanurae. Het kan identiek zijn aan Sinosaurus triassicus.
Welles herbeschreef Dilophosaurus in 1984, in veel groter detail. 1984. "Dilophosaurus wetherilli (Dinosauria, Theropoda): Osteology and comparisons". Palaeontographica, Abteilung A. 185: 85-180 Daarbij kwam hij tot de overtuiging dat UCMP 77270 een aparte soort vertegenwoordigde. Hij wilde die vermoedelijk Dilopohosaurus breedorum noemen maar stierf voordat hij de naam geldig kon publiceren. De meeste verschillen weerspiegelen volgens moderne onderzoekers slechts de grotere rijping van het exemplaar. De intensieve studie van het specimen zorgde overigens voor nogal wat slijtage; het bleek nodig de schedel, oorspronkelijk opgeborgen in een met rubber beklede cassette, opnieuw te restaureren met moderne lijmen en acryl verstevigingen. Dit maakte het voor het eerst mogelijk de onderkant van de hersenpan te bestuderen. 2006. "The thrill of the frill: Wear and tear demands restoration of a Dilophosaurus wetherilli skull, UCMP 77270". Journal of Vertebrate Paleontology. 26(3): 96A
Beschrijving Grootte en onderscheidende kenmerken thumb|De grootte van het holotype, in groen, en het derde skelet, in grijs, vergeleken met een mens Dilophosaurus was voor het vroege Jura een vrij grote theropode. Gregory S. Paul schatte in 2010 de maximumlengte op zeven meter, het gewicht op vierhonderd kilogram. In 2024 herzag hij dat tot 285 kilogram. Het holotype en het tweede skelet zijn ongeveer zes meter; het derde skelet meet 6,4 meter. Het vierde skelet is zo'n vijf meter lang. left|thumb|Een diagram van de schedel In de loop der jaren hebben onderzoekers verschillende onderscheidende kenmerken van Dilophosaurus vastgesteld — maar door een betere kennis van zijn verwanten bleken sommige eigenschappen achteraf niet onderscheidend te zijn. Volgens de huidige gegevens zijn de snuitkammen, die op zich wel bij meer basale theropoden voorkomen, uniek doordat ze verticaal uit de snuit omhoogsteken en een vingervormig achterste uitsteeksel hebben. Andere unieke kenmerken zijn: het traanbeen heeft een bovenrand die achteraan verdikt is; de doornuitsteeksels van de halswervels hebben in het midden van hun bovenvlak een opvallende overkapping met vooraan en achteraan 'schouders'; het schouderblad heeft een bovenste uiteinde met een rechthoekig profiel. Het derde skelet heeft als onderscheidend kenmerk dat de interdentaalplaten die de tanden van binnen ondersteunen, hoger zijn en niet vergroeid — dat laatste is eigenaardig voor een ouder exemplaar en vormt een aanwijzing dat het inderdaad om een apart taxon gaat aangezien bij theropoden deze mate van vergroeiing soortspecifiek is en geen kwestie van individuele variatie. thumb|Een model van de kop In 2020 werd formeel een aantal autapomorfieën aangegeven, unieke afgeleide eigenschappen. Er bevindt zich een paar kammen op de snuit, op het neusbeen en traanbeen, die ontspruiten uit richels op de bovenste buitenzijde van de opgaande takken van de praemaxillae. Het neusbeen en het traanbeen zijn aan de bovenste buitenzijde verbreed. Het traanbeen heeft een naar achteren uitstekend uitsteeksel. In de onderkaak bevindt zich op het surangulare een piramidevormig uitsteeksel, net voor het onderste kaakgewricht. Het zijvenster van de onderkaak is horizontaal verkort. De halswervels achter de draaier, vooral de achterste, hebben doornuitsteeksels die in zijaanzicht ingesprongen zijn zodanig dat voorste en achterste 'schouders' ontstaan met ertussen een hogere overkapping die kruisvormig is in bovenaanzicht. In de reeks halswervels verandert de vorm van de achterste richel op de onderzijde van het zijuitsteeksel door splitsing en samenvloeiing. Bij de middelste ruggenwervels ontspruiten extra richels aan de voorste en achterste richels op de onderzijde van het zijuitsteeksel. De rib van de eerste echte sacrale wervel raakt het voorblad van het darmbeen. Het ravenbeksbeen heeft op de achterste onderzijde een extra horizontale verheffing, nabij de bult voor de aanhechting van de Musculus biceps brachii.