thumb|MR-onderzoeken bevinden zich op de schaal van klinisch bewijs ongeveer tussen de cohortstudies en de gerandomiseerde interventiestudies

Mendeliaanse randomisatie (MR) is een methode in de epidemiologie en biostatistiek om causale verbanden te onderzoeken tussen een risicofactor (exposure) en een uitkomst (vaak ziekte). Deze methode werd voor het eerst voorgesteld in 1986, en verder uitgewerkt door de klinisch onderzoekers Gray en Wheatley. Het doel is om een schatting te maken van de effecten van een vermeende causale variabele zonder een gerandomiseerd interventie-onderzoek uit te voeren. Mendeliaanse randomisatie is een goede controle op mogelijke causaliteitsfouten, die een inherent probleem vormen in observationele epidemiologische studies.

Bij mendeliaanse randomisatie wordt gebruikgemaakt van genetische varianten (SNPs), die volgens de wetten van Gregor Mendel willekeurig worden doorgegeven van ouders op kinderen. Omdat deze genetische varianten al vastliggen bij geboorte, worden ze niet beïnvloed door latere verstorende factoren zoals dieet, roken of ziekte. Hierdoor kunnen ze worden gebruikt als een natuurlijke randomisatie, vergelijkbaar met de verdeling van proefpersonen in een klinische trial.

Motivatie Een belangrijk onderzoeksthema in de epidemiologie is het identificeren van risicofactoren: een variabele oorzaak op een ziekte in het belang van de volksgezondheid. Om een prospectieve oplossing in te zetten, moet bewezen worden dat een risicofactor de ziekte daadwerkelijk veroorzaakt.

Een bekend voorbeeld van een oorzakelijk verband tussen een risicofactor en een ziekte is roken en longkanker, of een hoge bloeddruk en beroertes. Hoewel deze causale verbanden vanzelfsprekend lijken, zijn er veel gevallen bekend waarin geïdentificeerde blootstellingen later door gerandomiseerde onderzoeken als niet-causaal werden aangetoond. Er werd bijvoorbeeld ooit verondersteld dat hormoonbehandeling hart- en vaatziekten zou voorkomen, maar het is nu bekend dat dit juist het tegendeel waar is.

Principe Met mendeliaanse randomisatie kan men een causaal effect van observationele gegevens controleren, of zelfs relatief sterk inschatten, aan de hand van risicofactoren. De methode maakt gebruik van veelvoorkomende genetische polymorfismen waarvan de blootstellingspatronen goed bekend zijn. De polymorfisme wordt gebruikt als instrumentele variabele. Belangrijk is dat het genotype alleen indirect invloed heeft op de ziektestatus.

Omdat genotypen willekeurig van ouders op nakomelingen overgaan – aannemende dat partnerkeuze geen verband houdt met genotype (panmixia) – is de verspreiding van het genotype over een populatie niet gerelateerd aan de verstorende factoren die vaak in epidemiologische onderzoeken opduiken. In dit opzicht is mendeliaanse randomisatie een "natuurlijk" gerandomiseerde, gecontroleerde studie. Mendeliaanse randomisatie is hierdoor wel afhankelijk van eerder onderzoek naar genetische associaties.

Zie ook GWAS

Categorie:Epidemiologie