Antipsychiatrie verwijst doorgaans naar een heterogene beweging die ontstond in de jaren zestig van de twintigste eeuw en vijandig stond tegenover de meeste fundamentele veronderstellingen en gebruikelijke praktijken binnen de psychiatrie. De stimulerende invloeden voor deze groepsvorming en theorieën kwamen onder meer van Michel Foucault, Ronald D. Laing en Thomas Szasz en voor de antipsychiatrie in Nederland van Jan Foudraine en Kees Trimbos. Door het lijdend voorwerp van de psychiatrie, de patiënten en hun relaties, werden onder anderen de Stichting Pandora en de Cliëntenbond gelanceerd. De term antipsychiatrie werd in 1967 voor het eerst gebruikt door de Zuid-Afrikaanse psychiater David Cooper.David Cooper, Psychiatry and Anti-Psychiatry, Paladin, London, 1967.

De term antipsychiatrie wordt soms toegepast als scheldwoord om kritische opvattingen binnen de psychiatrie in diskrediet te brengen.

Algemeen Twee centrale opvattingen van de antipsychiatriebeweging zijn dat:

de specifieke definities van, of criteria voor honderden gangbare diagnosen of stoornissen vaag en willekeurig zijn, en te veel ruimte laten voor meningen en interpretaties om te kunnen beantwoorden aan fundamentele wetenschappelijke standaarden.Mind games: are we obsessed with therapy?, authored by CSICOPer Robert Baker (Prometheus Books, 1996) contains a chapter critical of the DSM-IV diagnoses. de gangbare psychiatrische behandelingen voor patiënten uiteindelijk veel schadelijker dan nuttig zijn.Whitaker, Robert (2004). Mad in America: Bad Science, Bad Medicine, and the Enduring Mistreatment of the Mentally Ill. Basic Books. .

De belangrijkste andere kritiek op de aanspraken die de psychiatrie maakt op geloofwaardigheid, zijn onder andere:

een onjuist en overdadig gebruik van medische begrippen en instrumenten om grip op geest en maatschappij te krijgen; een wetenschappelijk en/of klinisch slecht gefundeerd systeem van categorieën van diagnosen, bijvoorbeeld het DSM IV (Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders) dat patiënten stigmatiseert; een onjuiste (dat wil zeggen onterechte) uitsluiting van andere benaderingen van psychische nood/stoornis; niet onderzocht misbruik of onjuist gebruik van macht over patiënten, die te vaak tegen hun wil worden behandeld; zowel de machtsverhouding tussen patiënten en psychiaters, als de geïnstitutionaliseerde omgeving, wordt door patiënten te vaak ervaren als vernederend en gedwongen; en het compromitterende gedrag van medici als gevolg van hun financiële en beroepsmatige banden met farmaceutische bedrijven en verzekeringsmaatschappijen.

Zowel afzonderlijke deskundigen in de geestelijke gezondheidszorg als academici hangen antipsychiatrische ideeën aan, ICSPP page net als een aantal voormalige en huidige cliënten van de psychiatrische zorg.See MindFreedom International and the Northampton-based Freedom Center. Sommige critici richten zich op de biologische psychiatrie. Af en toe wordt beweerd dat sommige vormen van antipsychiatrie in feite alleen maar vormen van psychiatrie hebben gepropageerd, die toevallig strijdig zijn met de vigerende theorieën en methoden. Een aantal veronderstelde antipsychiaters hebben eveneens moeite gedaan om zichzelf te distantiëren van de term en haar soms ongunstige associaties.What was anti-psychiatry? from UEA Critical Psychiatry website

Oorsprong van de antipsychiatrie

Het woord psychiatrie werd in 1808 bedacht door Johann Christian Reil.British Journal of Psychiatry, Psychiatry’s 200th birthdaySeminal contributions of Johann Christian ReilMarneros, Andreas (2005): Das Wort Psychiatrie wurde in Halle geboren. Wat veel later bekend werd als de antipsychiatrie-beweging, vond zijn oorsprong in de bezorgdheid over het zogenaamde misbruik van psychiatrische werkwijzen, die sociale controle tot doel hadden. Daniel Defoe, het meest bekend als de schrijver van Robinson Crusoe, maakte er al melding van dat lang geleden, in de achttiende eeuw, sommige echtgenoten gebruik maakten van gekkenhuizen om hun ongehoorzame, maar gezonde vrouwen op te laten sluiten.Daniel Defoe, quoted in Thomas Szasz: Schizophrenia: the sacred symbol of psychiatry (NY: Syracuse Univ. Press). Defoe's text was titled Demand for public control of madhouses.

De psychiatrie kreeg in de negentiende eeuw een meer professionele basis. Naarmate meer invasieve behandelingsvormen opgang deden, nam ook het verzet tegen het vak toe. Sommige discussies betroffen het recht om mensen te bevoogden, die als krankzinnig werden beschouwd, vooral als zij zo ongelukkig waren om te eindigen in een van het steeds groeiende aantal krankzinnigengestichten. Rond 1800 had de Amerikaanse arts Samuel A. Cartwright de drapetomanie (van het Griekse δραπετης: wegloper) ontdekt, een stoornis die verklaarde waarom slaven af en toe de onrustbarende neiging vertoonden om bij hun bazen weg te lopen. Een andere stoornis - ook ontdekt door Cartwright - , die bij slaven, - en overigens ook bij hun eigenaars, - voorkwam was de dysaethesia aethiopica, een aandoening die “zowel geest als lichaam aantastte.” Die verklaarde het kennelijke gebrek aan een juiste arbeidsethiek onder slaven. De dysaethesia aethiopica werd uitsluitend aangetroffen onder zwarten — “werd door opzichters ‘schurkenstreken’ genoemd” —, werd gekenmerkt door een gedeeltelijke ongevoeligheid van de huid en leidde tot “een zo grote afgestomptheid van de geestelijke vermogens, dat het leek alsof de betrokkene half in slaap verkeerde.” In het laatste gedeelte van de negentiende eeuw gold Emil Kraepelin als een productief bedenker van nieuwe categorieën van geestelijke stoornissen, waar meteen gebruik van werd gemaakt in de psychiatrie, ondanks het feit dat zij waren verkregen door extrapolatie van waargenomen gedrag, in plaats van door de klinische pathologie of etiologie, in strikte betekenis.

In de jaren twintig van de 20e eeuw werd door de Franse toneelschrijver en -directeur Antonin Artaud uitdrukking gegeven aan een uiterst vijandige houding ten opzichte van psychiaters en de psychiatrie, met name in zijn boek over Vincent van Gogh. Voor Artaud, die zelf geruime tijd in een dwangbuis had doorgebracht, was verbeelding iets reëels. Sterk beïnvloed door het enthousiasme van de dadaïstische en surrealistische beweging, beschouwde hij dromen, gedachten en waanideeën als niet minder reëel dan de “buiten”wereld. In de ogen van Artaud was de werkelijkheid nauwelijks meer dan een handige eenstemmigheid, vergelijkbaar met de eensgezindheid die toeschouwers vertonen als zij een theater bezoeken en zich, voor zolang het duurt, vergenoegen met het doen alsof wat zij zien de werkelijkheid is. Dergelijke opvattingen en terugkerende aanvallen van wat in de ogen van niet-surrealisten een psychiatrische stoornis was, zorgde ervoor dat Artaud in feite slachtoffer werd van medische innovaties.

In de jaren dertig werden een aantal controversiële medische handelingen geïntroduceerd, waaronder het teweegbrengen van insulten (door elektroshock, insuline of andere medicijnen) en het doorsnijden van delen van de hersenen (leukotomie of lobotomie). Beide vonden een uitgebreide toepassing in de psychiatrie, maar er werden ernstige bezwaren geuit en er ontstond veel verzet op grond van morele overwegingen, schadelijke gevolgen of misbruik. Rond 1950 werden in laboratoria nieuwe psychiatrische medicijnen ontdekt, met name het antipsychoticum chloorpromazine, die geleidelijk het middel van de eerste keuze werden.

Hoewel die medicijnen in zekere zin vaak beschouwd werden als een vooruitgang, was ook daar verzet tegen, wat deels te wijten viel aan ernstige bijwerkingen, zoals tardieve dyskinesie en parkinsonisme. Vaak verzetten patiënten zich tegen de psychiatrie en weigerden of stopten met de medicatie, als ze niet meer door de psychiatrie werden gecontroleerd. Er was ook een toenemende weerstand tegen het grootschalig gebruik van psychiatrische ziekenhuizen en instellingen, en er werden pogingen gedaan om zorg te kunnen bieden in de woonomgeving. Opkomst

In de jaren zestig van de 20e eeuw kwam de antipsychiatrie op (een term die voor het eerst in 1967 werd gebruikt door David Cooper), een beweging die de fundamentele aanspraken en praktijken van de vigerende psychiatrie aan de kaak stelde. thumb|left|133px|Michel Foucault, die met zijn proefschrift Geschiedenis van de Waanzin geldt als een inspiratiebron voor moderne kritieken op de psychiatrie. Zowel Cooper als zijn meer bekende collega R.D. Laing waren zeer beïnvloed door het boek Geschiedenis van de waanzin in de zeventiende en achttiende eeuw, vaak afgekort naar Geschiedenis van de Waanzin, van de Franse filosoof Michel Foucault. Het boek onderzoekt ideeën, gebruiken, instellingen, kunst en literatuur, die in de westerse geschiedenis in verband staan met waanzin. Foucault begint zijn betoog in de middeleeuwen, waarbij hij de maatschappelijke en daadwerkelijke uitsluiting van lepralijders beschrijft. Hij betoogt dat met het geleidelijk verdwijnen van melaatsheid, deze manier om mensen buiten te sluiten wordt overgenomen door de waanzin. Het narrenschip uit de 15e eeuw is een literaire versie van een dergelijk manie van uitsluiten, namelijk door gekken op schepen weg te sturen. In het Europa van de 17e eeuw werden tijdens een beweging, die Foucault in hoofdstuk II prachtig beschrijft als de Grote Opsluiting, “gekke” leden van de maatschappij opgesloten en geïnstitutionaliseerd. In de achttiende eeuw ging men waanzin zien als het tegenovergestelde van de Rede, en tot slot in de negentiende eeuw als een geestesziekte. Foucault betoogt ook dat waanzin tot zwijgen kon worden gebracht door de Rede en haar kracht verloor door de grenzen van de maatschappelijke orde aan te duiden en de waarheid te benadrukken. Hij onderzoekt de opkomst van de wetenschappelijke en “humanitaire” behandelingsmethoden van de krankzinnige, in het bijzonder aan de hand van Philippe Pinel en Samuel Tuke. Hij stelt dat deze nieuwe behandelingen in feite niet minder controlerend waren dan de voorafgaande. Pinels behandeling van de krankzinnige kwam neer op een uitgebreide aversietherapie, waaronder behandelingen als ijskoude douches en het gebruik van een dwangbuis. In de ogen van Foucault hield deze behandeling alleen maar een herhaaldelijk gebruik van geweld in, totdat het patroon van veroordeling en straf door de patiënt geïnternaliseerd was.

Laing, Cooper, Theodore Lidz, Silvano Arieti en anderen gingen verder en betoogden dat schizofrenie opgevat kon worden als een beschadiging van het innerlijke Zelf, toegebracht door psychisch invasieve “schizofrenogene” ouders, of als een gezonde poging om in een zieke maatschappij het hoofd boven water te houden. De psychiater Thomas Szasz beweert dat een "psychiatrische stoornis" een daaraan eigen, verwarde combinatie is van een medisch en een psychologisch begrip, maar dat het gewild is omdat dat het gebruik legitimeert van de macht van de psychiatrie om afwijkingen van maatschappelijke normen in bedwang te houden en te begrenzen.

Aanhangers van dit standpunt verwijzen naar “De mythe van de psychiatrische stoornis,” de titel van het controversiële boek van Szasz. (Hoewel de beweging, die aanvankelijk als antipsychiatrie werd beschreven, geassocieerd werd met de algemene tegencultuur-beweging van de jaren zestig, waren Szasz, Lidz en Arieti daar nooit bij betrokken.) Michel Foucault, Erving Goffman, Deleuze, Guattari, en anderen bekritiseerden de macht en rol van de psychiatrie in de maatschappij, waaronder het gebruik van "totalitaire instellingen," "etiketteren" en stigmatiseren.