Italië is een van de landen die al sinds de eerste editie (1956) deelnemen aan het Eurovisiesongfestival. Het land behoort, als een van de vijf grootste financiers van het songfestival, tot de vijf Grote Eurovisielanden, waarmee het altijd verzekerd is van deelname aan de grote finale.

De balans thumb|left|Domenico Modugno schreef in 1958 geschiedenis met Volare Italië heeft door de jaren heen talloze successen geboekt op het Eurovisiesongfestival. Van de 50 Italiaanse deelnames eindigden er 37 bij de beste tien. Italië heeft het Eurovisiesongfestival drie keer gewonnen:

1964: Gigliola Cinquetti - Non ho l'età 1990: Toto Cutugno - Insieme: 1992 2021: Måneskin - Zitti e buoni

Tevens eindigde Italië in de geschiedenis van het Eurovisiesongfestival driemaal op de tweede plaats. Dat gebeurde in 1974 met oud-winnares Gigliola Cinquetti, in 2011 met zanger/pianist Raphael Gualazzi en in 2019 met Mahmood.

Zonder twijfel de bekendste en populairste inzending leverde Italië in 1958: Nel blu dipinto di blu van Domenico Modugno. Het lied, vooral bekend onder de titel Volare, eindigde slechts op de derde plaats, maar groeide overal ter wereld uit tot een commercieel succes. Het is een van de populairste liedjes uit de geschiedenis van het Eurovisiesongfestival.

Opmerkelijk is dat Modugno eveneens verantwoordelijk is voor de minst succesvolle inzending van Italië. In 1966 eindigde hij met het lied Dio come ti amo helemaal onderaan. Tot op heden is dit de enige keer dat Italië op het festival op de laatste plaats belandde. Het is ook de enige Italiaanse inzending die geen enkel punt kreeg.

Het Eurovisiesongfestival op Italiaanse bodem thumb|right|Renata Mauro presenteerde het Eurovisiesongfestival 1965 in Napels Italië organiseerde het festival ook reeds drie keer: 1965: Sala di Concerto della RAI, Napels De overwinning van 1964 bracht het songfestival een jaar later voor het eerst naar Italië. De RAI organiseerde de show in een destijds recent gebouwd studiocomplex in Napels, de derde stad van het land. De presentatie lag in handen van Renata Mauro. De intervalact werd verzorgd door de populaire operazanger Mario del Monaco, waarover naderhand enige verontwaardiging ontstond omdat hij niet live zong, maar playbackte.

1991: Cinecittà, Rome Het Eurovisiesongfestival keerde in 1991 na 26 jaar terug op Italiaanse bodem. Aanvankelijk was de kustplaats San Remo door de organisatie aangewezen als locatie, maar vanwege de Golfoorlog werd uit veiligheidsoverwegingen uitgeweken naar hoofdstad Rome. De show werd gepresenteerd door de twee Italiaanse oud-winnaars van het Eurovisiesongfestival, Gigliola Cinquetti en Toto Cutugno. Dat dit geen heel gelukkige keuze was, bleek op de avond zelf. Noch Cinquetti, noch Cutugno had een basisniveau Engels, waardoor het songfestival vrijwel geheel in het Italiaans werd gepresenteerd. Daarbij praatten zij bovendien voortdurend door elkaar heen. Tijdens de puntentelling ontstond grote verwarring bij het tweetal, toen de namen van de landen en de gegeven punten in het Engels en het Frans moesten worden herhaald. Meermaals ontstonden er spraakverwarringen en moest EBU-vertegenwoordiger Frank Naef te hulp schieten bij het vertalen. Toen aan het einde van de puntentelling zowel Frankrijk als Zweden bovenaan stonden met evenveel punten, was de chaos compleet.

2022: Pala Alpitour, Turijn De 66ste editie van het Eurovisiesongfestival vond plaats in de Noord-Italiaanse stad Turijn en werd gepresenteerd door Alessandro Cattelan, Laura Pausini en Mika. Het festival werd gekenmerkt door technische problemen. Het festival stond ook in het teken van de politiek, aangezien Rusland uitgesloten werd van deelname na de invasie van Oekraïne. De Oekraïense inzending kon op enorme sympathie rekenen uit heel Europa, en won het festival op overweldigende wijze.

Eurovisiesongfestivals zonder Italië Italië heeft zich meerdere malen teruggetrokken van het Eurovisiesongfestival. Dit gebeurde voor het eerst in 1981, waarbij de RAI verklaarde dat er weinig interesse meer voor was onder de Italiaanse kijkers. Ook het feit dat Italië in de jaren voordien enkele malen slecht gescoord had, zou hebben meegespeeld bij de beslissing om weg te blijven. In 1982 en 1986 was Italië eveneens afwezig, zogezegd vanwege teleurstellende kijkcijfers.

Vanaf 1994 verloor Italië zijn belangstelling voor het Eurovisiesongfestival vrijwel definitief. Dit was deels te wijten aan de populariteit van het jaarlijkse Festival van San Remo, waar in 1956 het Eurovisiesongfestival van werd afgeleid en dat onder de Italianen een grote prestige geniet. Het land trok zich voor langere tijd terug van het songfestival. De enige uitzondering werd nog gemaakt in 1997, maar dit was vermoedelijk alleen omdat de RAI de annuleringstermijn had gemist en bij afwezigheid een hoge boete zou hebben gekregen van de EBU.

Na de millenniumwisseling werden door de EBU verschillende pogingen ondernomen om de Italianen terug te laten keren op het Eurovisiesongfestival, maar tevergeefs. De interesse in het songfestival bleef in Italië mager, en de RAI toonde zich bovendien een tegenstander van de in 1997 ingevoerde verplichting om het festival live uit te zenden. Pas nadat San Marino in 2008 zijn opwachting maakte op het songfestival, leek de Italiaanse belangstelling weer te groeien. Onder anderen Raffaella Carrà en Toto Cutugno pleitten voor een terugkeer van hun land. In 2009 werd de deelname van Italië door de EBU tot prioriteit verklaard. Het land keerde na 13 jaar afwezigheid uiteindelijk terug op het songfestival van 2011.

Taal Als een van de weinige landen, is Italië door de jaren heen grotendeels trouw gebleven aan de eigen taal, het Italiaans. Vrijwel alle Italiaanse inzendingen zijn in deze taal vertolkt. Slechts enkele keren bevatten de liedjes ook een deels Engelstalige tekst; dit was het geval in 1976, 2011, 2012 en 2016. In 1984 was in het lied I treni di Tozeur een stukje Duits te horen, meer bepaald een regel uit Die Zauberflöte van Mozart. De enige keer dat er door Italië helemaal geen Italiaans werd gezongen op het songfestival, was in 1991, toen Peppino di Capri in eigen land aantrad met een lied in het Napolitaans.

thumb|right|Gianni Morandi mocht, als winnaar van Canzonissima, in 1970 naar het songfestival

Nationale selectie In tegenstelling tot de meeste andere deelnemende landen, heeft Italië nooit een officiële nationale voorronde voor het Eurovisiesongfestival gekend. In plaats daarvan is vaak het Festival van San Remo gebruikt om te bepalen welke artiest wordt afgevaardigd. Dit festival werd in 1951 voor het eerst georganiseerd en diende als inspiratiebron voor de oprichting van de Europese variant in 1956. In dat eerste songfestivaljaar deden zeven landen mee, waarbij ieder land twee deelnemers mocht inzenden. Italië nam deel met de nummers één en twee van het San Remo-festival, en maakte er in de daaropvolgende jaren een gewoonte van om automatisch de San Remo-winnaars naar het songfestival te sturen. Een complicerende factor hierbij was dat de liedjes in San Remo destijds gebracht werden door twee verschillende artiesten. Ook het winnende lied kende dus twee verschillende vertolkers, waarbij achteraf de keuze gemaakt moest worden welke van de twee naar het songfestival mocht. Tussen 1967 en 1969 werd dezelfde formule gebruikt, maar traden de Italiaanse deelnemers op het songfestival aan met een ander lied dan het winnende lied van San Remo.

In 1970 werd besloten om de Italiaanse inzendingen voortaan anders te kiezen, omdat men vond dat het San Remo-festival te veel grandeur had gekregen om als een preselectieprogramma te dienen. Als vervanging koppelde men de selectie aan Canzonissima, een andere nationale liedjeswedstrijd. De winnaars hiervan werden, echter met een ander lied, afgevaardigd naar het songfestival. In 1972 stond er met Nicola Di Bari evenwel toch weer een San Remo-winnaar op het Eurovisiepodium, maar dit was toeval aangezien Di Bari bij Canzonissima eveneens de winnaar was geweest.

Omdat Canzonissima ophield te bestaan, besloot de RAI in 1976 de Italiaanse inzendingen voortaan intern te kiezen. Hierbij is de invloed van het San Remo-festival altijd onmiskenbaar gebleken. Alle artiesten die ooit voor Italië naar het Eurovisiesongfestival gingen, hebben ook ervaring gekend met het San Remo-festival. Veruit de meesten hadden het festival eerder al eens gewonnen of zouden het later op hun naam schrijven. Tot en met de jaren negentig kwam het desondanks nog maar enkele keren voor dat Italië op het songfestival vertegenwoordigd werd door de San Remo-winnaar van hetzelfde jaar. Dit was het geval in 1989, 1993 en 1997. In 1989 en 1993 ging het echter wel om een ander lied dan waarmee in San Remo gewonnen was. In 1987 won Umberto Tozzi het San Remo-festival als onderdeel van een trio, en trad hij op het songfestival aan als duo, samen met Raf; dit gebeurde bovendien met een ander lied.

Sinds Italië in 2011 na een lange afwezigheid terugkeerde op het songfestival, speelt het San Remo-festival opnieuw een belangrijke rol bij de beslissing wie het land op het Eurovisiesongfestival vertegenwoordigt. Tussen 2011 en 2014 werd uit het deelnemersveld van San Remo, ongeacht zijn of haar klassering, een artiest geselecteerd (aanvankelijk door een speciaal comité en in 2014 door de RAI). Sinds 2015 krijgt echter de winnaar van het San Remo-festival weer automatisch het recht om naar het Eurovisiesongfestival te gaan. Wordt de uitnodiging geweigerd (zoals in 2016 het geval was), dan kiest de RAI zelf een andere kandidaat. In 2016 viel de keuze op Francesca Michielin, die in San Remo als tweede geëindigd was.

De jaren 50 en 60 Debuut Italië maakte zijn debuut op het allereerste Eurovisiesongfestival in 1956, gehouden in de Zwitserse stad Lugano. Er mochten twee deelnemers worden afgevaardigd, en voor Italië werden dit de zangeressen Franca Raimondi en Tonina Torrielli, die op het Festival van San Remo respectievelijk op de eerste en de tweede plaats waren geëindigd. Beiden zongen een lied, respectievelijk Aprite le finestra en Amami se vuoi. Onbekend is op welke plaatsen Italië eindigde; behalve de winnaar (Zwitserland) zijn de resultaten van dit songfestival nooit bekendgemaakt.

Op het tweede songfestival, in 1957, werd Italië vertegenwoordigd door Nunzio Gallo. Zijn lied Corde della mia chitarra viel vooral op vanwege de lengte; deze bedroeg maar liefst 5:09 minuten. Het contrast met de Britse inzending, die slechts 1:52 minuten duurde, werd te groot bevonden, en de organiserende EBU besloot voortaan een maximale duur van 3 minuten te adviseren voor alle deelnemende liedjes. Later werd dit advies omgezet in een strikte regel, die ook heden ten dage nog wordt gehandhaafd. De inzending van Gallo is zodoende altijd het langste lied uit de songfestivalgeschiedenis gebleven.

thumb|Domenico Modugno (rechts) met dirigent Alberto Semprini op het songfestival van 1958 in Hilversum

Volare