thumb|Molukse woonbarak in het Openluchtmuseum te Arnhem. De barak is afkomstig uit een woonoord bij Lage Mierde thumb|Canon van Zeeland, venster 47 Molukkerkamp in Westkapelle, 1955 De geschiedenis van de Molukkers in Nederland omvat de komst van Molukkers naar Nederland na de dekolonisatie van Nederlands-Indië, hun opvang en vestiging in Nederland, en de politieke, sociale en culturele ontwikkelingen die daarop volgden. Deze geschiedenis is nauw verbonden met de Nederlandse koloniale aanwezigheid in de Molukken, de vorming van de Indonesische staat, de positie van voormalige KNIL-militairen en hun gezinnen, en de langdurige verhouding tussen de Molukse gemeenschap en de Nederlandse overheid.
Terminologie Om de Molukkers in Nederland aan te duiden is een aantal namen in omloop die niet allemaal technisch gezien op dezelfde groep slaat. De tegenwoordig meest gebruikte is "Molukker", de term voor de oorspronkelijke inwoners van de eilandengroep de Molukken.
Een van de eilanden in deze eilandengroep is Ambon. Voor 1970 werden de Molukkers dan ook vaak met "Ambonezen" aangeduid. De verwarring is begrijpelijk aangezien Ambonezen met ongeveer 90% de duidelijke meerderheid van de Molukkers in Nederland vormen. De twee begrippen zijn echter niet strikt genomen synoniemen, ook al worden ze zo gebruikt door zowel Nederlanders als Ambonezen. (2004), voetnoot 1
"Zuid-Molukkers" slaat strikt genomen op de voorstanders van de niet internationaal erkende Republiek der Zuid-Molukken en wordt voornamelijk in politieke contexten gebruikt.
Geschiedenis Voorgeschiedenis Ambon en de omliggende eilanden waren enkele van de eerste en grondigst door de Nederlanders gekoloniseerde gebieden van Oost-Indië, de gebieden die later werden verenigd onder de naam Nederlands-Indië. Een van de eilanden in het gebied rondom Ambon, Banda, werd berucht vanwege het volledig uitmoorden van de bevolking door Jan Pieterszoon Coen. Ten gevolge van succesvolle missionering is tegenwoordig ongeveer de helft van de bevolking christelijk. Bij een deel van deze Molukkers was een carrière in het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL) populair. Het KNIL had Nederlandse officieren, maar voornamelijk inheemse onderofficieren en soldaten. De Molukkers golden als betrouwbare, loyale soldaten. (2004) Ze vormden, naast andere inheemse etniciteiten, een belangrijk deel van het KNIL.
Na de bezetting van Nederlands-Indië van 1942-1945 door Japan in de Tweede Wereldoorlog wilde de Nederlandse regering haar gezag over de kolonie herstellen. De Indonesiërs kwamen daartegen in opstand en onder leiding van Soekarno brak tussen 1945 en 1949 een onafhankelijkheidsstrijd uit. Het KNIL kreeg van de Nederlandse overheid de opdracht de orde te handhaven en de vrijheidsstrijders te ontwapenen.
Na de onafhankelijkheid van Indonesië op 28 december 1949 werd het KNIL op 26 juli 1950 opgeheven. De 62.000 inheemse soldaten van het KNIL kregen de keuze ofwel gedemobiliseerd te worden, ofwel deel uit te gaan maken van het Indonesisch Nationaal Leger (TNI). Beide opties waren, vooral voor de Molukkers, niet erg aantrekkelijk, zodat in oktober 1950 nog steeds 8000 mensen geen beslissing genomen hadden. Zij werden tijdelijk, totdat ze konden worden gedemobiliseerd, in het normale Nederlandse leger opgenomen. Aangezien deze groep zich op Java in een vijandige omgeving bevond moest zij in haar kazernes blijven.
thumb|Door de RMS opgeëist grondgebied (groen) Intussen was de situatie in Indonesië veranderd. Hoewel bij de soevereiniteitsoverdracht bedongen was dat Indonesië een federale structuur zou krijgen, veranderde het land al snel in een eenheidsstaat. Als reactie hierop werd op 25 april 1950 op de Molukse eilanden de Republik Maluku Selatan (Republiek der Zuid-Molukken – RMS) uitgeroepen.
De overgebleven Molukse voormalige KNIL-soldaten, die tijdelijk op Java verbleven, ondersteunden de RMS. Zij wilden daarom op Ambonen later op Ceram, nadat Ambon door het Indonesische leger was veroverd gedemobiliseerd worden om zich aan te sluiten bij het leger van de RMS. Nederland wilde de jonge betrekkingen met de voormalige kolonie echter niet verstoren en stond de wens van de Molukse militairen daarom niet toe. Tegelijk stond het onder sterke internationale druk om de dekolonisatie te versnellen.
Eerste generatie thumb|Aankomst van Molukkers in Rotterdam, 1951 Een rechterlijke uitspraak verbood de Nederlandse regering de overblijvende Molukse militairen te laten demobiliseren op Java. Deze groep wilde gedemobiliseerd worden op de Molukken en zich aansluiten bij de APRMS (strijdkrachten van de RMS) om de Molukken te beschermen tegen het Indonesische leger dat de Molukken was binnengevallen. Deze keuze werd niet gehonoreerd door de Nederlandse overheid. Op dwingend advies van de delegatie Aponno vanuit Nederland kozen een aantal Molukkers daarom voor de, in hun ogen enige reële mogelijkheid, van een tijdelijke overkomst naar Nederland. Ook een groep Molukse soldaten en onderofficieren die daar niet voor kozen werd onder bevel van de Koninklijke Landmacht naar Nederland overgebracht. De niet gedemobiliseerde 3578 soldaten – 1231 onderofficieren, 2341 gewone soldaten en 6 geestelijke verzorgers – werden, samen met hun gezinnen – in totaal ongeveer 12.500 personen – met troepenschepen naar Nederland overgebracht tussen 23 maart en 21 juni 1951.vijfeeuwenmigratie.nl, Molukkers (bezocht op 22 september 2017) Daar kregen zij na aankomst te horen dat ze waren gedemilitariseerd. Eerst uit het KNIL en nu uit de Koninklijke Landmacht. De opname in de KL was, zo bleek later, enkel bedoeld geweest om alsnog een militair bevel te kunnen uitvaardigen als deze groep niet zelf zou kiezen voor inscheping naar Nederland.
Bij gebrek aan andere voorzieningen werden de voormalige militairen met hun gezinnen ondergebracht in een 90-talLijst van Molukse woonoorden met foto's op de site van Museum Maluku centrale woonoorden. Dit waren voormalige kampen van de Dienst Uitvoering Werken, oude kazernes en kloosters, maar ook de voormalige concentratiekampen Westerbork en Vught. De opvang in deze kampen kan vergeleken worden met die in hedendaagse asielzoekerscentra. Bij deze onderbrenging werd echter geen rekening gehouden met het dorp van herkomst van de Molukkers, dat nochtans erg belangrijk is in het leven van de Molukkers.
Tijdelijk verblijf Men ging ervan uit dat de ontslagen Molukse militairen en hun gezinnen slechts tot ze konden worden gerepatrieerd in Nederland zouden zijn; gedacht werd aanvankelijk aan zes maanden., "Van frak via sarong en kebaja naar bruidsjapon - Molukse vieringen in verandering (2012)Gearchiveerd op 20 december 2022. In eerste instantie dacht men zelfs dat het niet nodig zou zijn de kinderen in het Nederlandse onderwijssysteem te integreren. Gedurende de eerste twintig jaar bleef het Nederlandse beleid op terugkeer gericht. In 1952 was er een eenmalige poging om de situatie op andere wijze op te lossen. Men bood de ontslagen Molukse soldaten toen de mogelijkheid een speciaal semi-militair corps voor de bewaking van militaire objecten te vormen. Deze wilden hier echter alleen mee akkoord gaan op voorwaarde dat aan enkele onmogelijke eisen betreffende de Indonesisch-Nederlandse betrekkingen voldaan zouden zijn. Molukkers kregen lang geen kans Nederlands burger te worden, ze waren Indonesiër volgens de overheid. Aangezien de betrokkenen het Indonesische staatsburgerschap weigerden betekende dit dat ze stateloos waren.
Dit gebrek aan integratie betekende dat de Nederlandse overheid voor de Molukkers moest zorgen. Hiervoor werd vanuit het ministerie van Maatschappelijk werk de Commissie Ambonezenzorg (CAZ) opgericht. Deze ontwikkelde zich al snel tot een autonoom lichaam dat verantwoordelijk was voor zowat alles dat te maken had met de Molukkers. Om met de inwoners van de kampen te kunnen communiceren werden zogenaamde 'kampraden' opgericht.
Heroriëntatie In deze context moesten de Molukkers zich heroriënteren. Hiervoor steunden zij op drie dingen: de tangsi-tradities, het politieke ideaal van Molukse onafhankelijkheid en de adat.
Het KNIL was voor velen de basis van hun bestaan geweest. In de barakken van het KNIL (tangsi) hadden de soldaten en hun families onder direct toezicht van de onderofficieren geleefd. Deze autoritaire structuur werd in de kampen opnieuw gecreëerd. De onderofficieren beheersten dankzij hun status, kennis van het Nederlands en bescheiden opleiding de kampraden. Aangezien de kampen op afgelegen plaatsen lagen, konden zij zo het contact met de buitenwereld monopoliseren. Dit werd nog door een verdere factor versterkt: de gefrustreerde en verveelde Molukkers raakten regelmatig slaags om dingen als religie (zie Religie) en eiland van herkomst. Om dit te verhinderen herverdeelde de overheid de Molukkers, zodat de individuele kampen erg homogeen werden.
In plaats van op het leger, werd de gemeenschap sterk op de gedachte van Molukse onafhankelijkheid, die ervoor zou zorgen dat ze konden terugkeren, georiënteerd. Dit leidde tot enkele relletjes en demonstraties, en tot een vlagincident in Woerden, waarbij de Ambonezen de vlag van de RMS hadden gehesen, naast de Nederlandse vlag, iets dat de Nederlandse regering had verboden. In dit streven werden ze aanvankelijk door het merendeel van de Nederlandse bevolking ondersteund. De overheid achtte het echter niet wijs zich in interne Indonesische aangelegenheden in te mengen. Wel gaf het, als geste van sympathie, politiek asiel aan RMS-leiders die Indonesië ontvlucht waren.
Adat, ten slotte, zijn de oude Ambonese, deels voorchristelijke tradities. In Nederland bloeiden zij weer op. Oude regels, die op de eilanden zelf soms niet meer strikt werden nagevolgd, werden plots weer belangrijk en zelfs mensen die nooit op de Molukken geweest waren, interesseerden zich ineens voor de adat.
Vooral voor oudere mensen en de vrouwen waren ook de twee Molukse protestante kerken, de Gereja Protestan Maluku en de Geredja Indjili Maluku (GIM), een belangrijke bron van structuur in het leven. Door kerkraden, zangkoren en kerkelijke jongerenorganisaties vormden deze ook bij de andere Molukkers een belangrijk deel van het leven.
Deze heroriëntatie van de Molukkers kan vervolgd worden in de evolutie van de Molukse organisaties. In het begin ontstond een groot aantal organisaties, maar tegen het einde van de jaren 60 was enkel de Badan Persatuan van enig belang. Zij was sterk op de RMS gericht en had sterke banden met de GIM.
'Normalisatie' Vanaf 1954 begon de Nederlandse overheid steeds meer verantwoordelijkheid over te hevelen naar de Molukkers zelf. Ze moesten (gedeeltelijk) hun eigen huur betalen en men begon ze te stimuleren werk te zoeken.
Tegelijk stond de overheid er nog altijd op dat het verblijf van de Molukkers in Nederland tijdelijk zou zijn. De situatie werd echter steeds onhoudbaarder. De kampbarakken, die aanvankelijk al van lage kwaliteit waren, vervielen van jaar tot jaar meer en Molukse kinderen deden het slecht in het onderwijs. In 1957 werd een commissie voor het oplossen van de situatie opgericht. Zij kwam echter pas 1959 met een voorstel: het bouwen van speciale wijken voor de Molukkers, de Molukkerswijken. De laatste van deze werd in 1969, tien jaar later, klaargemaakt.
De verhuizing naar de wijken zorgde voor verbeterde woonomstandigheden. Ze doorbrak echter niet de Molukse isolatie van de samenleving. De kampraden werden simpelweg vervangen door wijkraden. De leden van deze raden dankten hun positie aan hun vaardigheid het contact met de buitenwereld te monopoliseren. Zij hadden geen voordeel bij de integratie van de Molukkers. Ook de politieke leiders van de RMS waren tegen integratie. Zij vreesden dat dit zou zorgen voor een afname van de loyaliteit jegens het RMS-ideaal.