De Lex Porcia was een reeks van drie Romeinse wetten, bekend als de Porciaanse wetten (Latijn: Leges Porciae), die tussen 199 en 184 v.Chr. werden ingevoerd als uitbreiding van de Valeriaanse wetten. Deze wetten beschermden Romeinse burgers tegen vernederende en wrede strafmethoden, zoals zweepslag, geseling en kruisiging. Daarnaast verankerden ze het recht op provocatio, het beroep op de volkstribunen, waardoor burgers in hoger beroep konden gaan tegen rechterlijke beslissingen van patricische magistraten, bijvoorbeeld bij een doodvonnis (bij de comitia centuriata) of bij het opleggen van een boete (bij de comitia tributa).
Achtergrond: Valeriaanse wetten De Porciaanse wetten bouwen voort op de Valeriaanse wetten, die volgens de Romeinse overlevering voor het eerst werden ingevoerd door Publius Valerius Publicola in 509 v. Chr., kort na de stichting van de Romeinse republiek.Lentz 1993, p. 120 De provocatio werd door de Romeinen beschouwd als een fundamenteel onderdeel van burgerrechten en vrijheid. Moderne historici dateren de daadwerkelijke Lex Valeria echter rond 300 v.Chr.Berger 1953, p.560
De Valeriaanse wetten gaven Romeinse burgers, die door een magistraat tot de dood of tot geseling waren veroordeeld, het recht om in hoger beroep te gaan bij het volk (provocatio ad populum). Hiermee werden de senatoren, patriciërs en plebs bedoeld. De wet beperkte zo de macht van de consul om zelfstandig zware straffen op te leggen aan Romeinse burgers, zonder instemming van het volk. Daarnaast legaliseerde de wet het doden van iedereen die een tirannie probeerde te vestigen. Deze bepaling werd later onder meer gebruikt door de moordenaars van Julius Caesar. Desondanks is de oorspronkelijke tekst van de Valeriaanse wet niet bewaard gebleven.Sidney 1595, p. 180
Volgens de Romeinse geschiedschrijver Titus Livius werd de Valeriaanse wet voor de derde keer in werking gesteld werd in 299 v.Chr. De hedendaagse historicus Andrew Lintott vermoedt dat het doel van deze derde Valeriaanse wet was om de provocatio wettelijk te verankeren: waar een beroep op het volk voorheen een informele praktijk was, moesten magistraten nu rekening houden met de mogelijkheid dat een volksbeslissing hun eigen positie kon bedreigen.Lintott, Andrew 1999 Livius vermeldt dat alle drie de Valeriaanse wetten werden voorgesteld door leden van de gens Valeria. Hij stelt ook dat er slechts één geval bekend is waarin een magistraat werd gestraft voor het negeren van de wet: diens vonnis werd onwettig en schadelijk geacht. Dit suggereert dat de Valeriaanse wet in de praktijk niet altijd effectief was in het beschermen van de plebejers.
Porciaanse wetten De Porciaanse wetten (Latijn: Leges Porciae) waren de drie wetten die de rechten uit de Valeriaanse wet verder uitbreidden. Ze werden in de 2e eeuw v.Chr. ingevoerd door leden van de gens Porcia. Hoewel de exacte data onbekend zijn, maakten deze wetten waarschijnlijk een einde aan standrechtelijke executies van Romeinse burgers in rond Rome. Daarnaast boden ze burgers de mogelijkheid om de doodstraf te ontlopen door vrijwillige ballingschap. Cicero vermeldt de drie wetten in zijn werk De re publica (2.54), maar geeft geen details over hun specifieke inhoud. Lex Porcia I (Lex de Porcia capita civium): Voorgesteld door de volkstribuun Publius Porcius Laeca in 199 v.Chr. Deze wet breidde het recht op provocatio uit tot duizend passen buiten Rome en gold ook voor Romeinse burgers in de provincies en voor Romeinse soldaten. Voorheen hadden provinciale bestuurders waarschijnlijk absolute strafbevoegdheid (ius coercitionis). Lex Porcia II (Lex de Porcia de tergo civium): Mogelijk voorgesteld door Marcus Porcius Cato (ook Cato de Oude genaamd), consul van 195 tot 184 voor Christus. Deze wet breidde het recht op provocatio uit tot bescherming tegen geseling. Lex Porcia III: Mogelijk eveneens voorgesteld door Marcus Porcius Cato, of door Lucius Porcius Licinius. Deze wet voorzag in zware sanctie (mogelijk de doodstraf) voor magistraten die weigerden om de provocatio toe te staan.Fabius 2018
Ondanks de politieke rivaliteit in de 2e eeuw v.Chr. was dit een relatief rustige periode voor de plebejers en hun magistraten, de tribunen. De strijd tegen tegen willekeurig misbruik van magistratelijke macht bleef echter voortduren, zoals blijkt uit de invoering van de Porciaanse wetten, die het recht op beroep bij de volksvergadering (ius provocationis) bevestigden.
Gebruik van de Lex Porcia
Door de geschiedenis heen zijn verschillende voorbeelden bekend van het gebruik van de Lex Porcia. Een mogelijk voorbeeld is te vinden in de Bijbel:
Dit Bijbelgedeelte illustreert de praktische toepassing van de Lex Porcia: Paulus beroept zich op zijn burgerrecht om geseling zonder proces te voorkomen. Wanneer de tribuun dit verneemt, trekt hij zijn beslissing in.
Een ander voorbeeld is te vinden in de rede van Caesar in De Catilinae coniuratione van Sallustius. In hoofdstuk 51 verwijst Caesar naar de Porciaanse wetten tijdens een debat over de bestraffing van de samenzweerders van Catilina. Hij vraagt retorisch: 'Misschien omdat de Porciaanse wet dat verbiedt?’, en wijst erop dat zijn tegenstander Decimus Silanus de wet wel respecteert bij geseling, maar niet bij executie. Ironisch genoeg citeert Caesar hier wetten die mogelijk door de overgrootvader van zijn politieke rivaal Cato de Jongere zijn ingevoerd.
De Porciaanse munt Rond 104 v.Chr. werd een munt geslagen ter herdenking van Publius Porcius Laeca, naar wie de eerste Porciaanse wet is vernoemd. Op de voorzijde staat het gevleugelde hoofd van Minerva, met de opschriften PLAECA en ROMA. Op de keerzijde zijn drie figuren afgebeeld: links een burger in toga met zijn rechterhand uitgestoken uit protest, een militair in het midden die met zijn rechterhand naar hem wijst, en aan de rechterkant een lictor met zijn staf. Onderaan staat het woord PROVOCO. Hoewel de exacte interpretatie onder geleerden word bediscussieerd, wordt algemeen aangenomen dat de munt het recht op beroep (provocatio) symboliseert, waarbij een burger zich verzet tegen de maatregelen van een gouverneur.Forum Ancient Coins, z.j.
Schending
De onschendbaarheid van de burger was voor de Romeinen een heilig principe. Schendingen van de Valeriaanse en Porciaanse wetten werden dan ook als zwaar misdrijf beschouwd. Dit blijkt ook uit de aanklacht van Cicero tegen Verres, gouverneur van Sicilië van 73 tot 70 v.Chr. Verres werd beschuldigd van het willekeurig executeren van Romeinse burgers en moest zich voor de senaat verantwoorden, waarschijnlijk op beschuldiging van afpersingYonge, 1903.
Andere wetten
Een latere wet met een vergelijkbaar doel was de lex Julia de vi publica, aangenomen rond 23 v.Chr. Deze wet herformuleerde het recht op beroep en bood extra bescherming tegen willekeurige straffen door gouverneurs en magistraten.
Categorie:Historische wet Categorie:Romeinse wet