Loge 'La Compagnie Durable' is een vrijmetselaarsloge in Middelburg die is opgericht in 1770. Het is daarmee de oudste nog bestaande vrijmetselaarsloge in Zeeland. Loge 'La Compagnie Durable' is een vereniging van leden van de Orde van Vrijmetselaren onder het Grootoosten der Nederlanden, die - op grond van een haar door die Orde verleende constitutiebrief - zelfstandig werkt in de stad Middelburg. De naam betekent zoveel als 'het duurzame gezelschap', eigenlijk broodgenootschap (‘cum’ en ‘panis’ is samen en brood in het Latijn), dit is een verwijzing naar de broederschap binnen de vrijmetselarij.

De loge kent ruim dertig leden, veelal uit Middelburg maar ook uit andere delen van de provincie. De leden komen uit alle geledingen van de maatschappij. Tweewekelijks is er op vrijdag een logebijeenkomst, waarbij er doorgaans een Open loge is - een rituele bijeenkomst waarbij de aanwezigen formeel gekleed zijn en maçonnieke regalia als schootsvel en handschoenen dragen - of een comparitie. Bij dit laatste type bijeenkomst wordt een inleiding gegeven over een filosofisch, spiritueel of anderszins interessant onderwerp (in vrijmetselaarsjargon: er wordt een bouwstuk opgeleverd), wat daarna besproken wordt.

Liefdadigheid speelt in de loge niet meer zo'n grote rol als in het verleden, maar toch wordt er bij de meeste logebijeenkomsten rondgegaan met de bedelnap (in vrijmetselaarsjargon 'de tronk') om geld op te halen voor het goede doel.

De loge onderhoudt goede relaties met de andere vrijmetselaarsloges in de regio, er wordt regelmatig over en weer gevisiteerd en incidenteel zijn er gezamenlijke activiteiten.

Loge ‘La Compagnie Durable’ bestond in 2020 tweehonderdvijftig jaar. Dit jubileum kon slechts heel beperkt gevierd worden door de coronapandemie, wel is er een jubileumboek uitgebracht.

Kenmerken Loge 'La Compagnie Durable' heeft sinds de oprichting verschillende rangnummers gehad, in 1931 is bij een hertelling door het Grootoosten het rangnummer definitief vastgesteld op 16 (zestien). De onderscheidingskleur van de loge is sinds 1770 rozerood.

Het zegel van de loge is cirkelvormig, en uitgevoerd in zwart en wit. In de buitenste rand staan het maçonnieke jaar van oprichting en de naam van de loge. In de binnenste cirkels zijn een aantal aantal maçonnieke symbolen afgebeeld. Bovenin is een zogeheten tetragrammaton te zien, geplaatst in een driehoek. Binnen de getande rand zijn vervolgens afgebeeld (van boven naar beneden):

Een winkelhaak De vlammende ster met de hoofdletter G De zon, omringd door 12 sterren De maan, eveneens omringd door 12 sterren Een passer Een troffel Een hamer Een acaciatak, symbool van de onsterfelijkheid van de ziel Een schietlood Drie bloeddruppels Een waterpas

Het logegebouw miniatuur|Werkplaats loge La Compagnie Durable Op 31 maart 1969 werd het pand Stationsstraat 16 eigendom van de speciaal hiervoor door de leden van loge 'La Compagnie Durable' opgerichte beheerstichting 'De Troffel'. Een langgekoesterde wens ging hiermee in vervulling, na bijna 200 jaar was de loge voor het eerst in het bezit van een eigen gebouw. Het pand was echter nog deels bewoond en alleen de begane grond was bruikbaar, het duurde dan ook nog enkele jaren voordat het volledig beschikbaar was. Na een grondige verbouwing werd het pand in 1973 officieel ingewijd als logegebouw. In de loop der jaren daarna is het meermaals aangepast en uitgebreid. Het pand - een zogeheten lijstgevelpand - dateert van ca. 1880 en is een gemeentelijk monument. Het is nog steeds in eigendom van de stichting 'De Troffel', die zorg draagt voor onderhoud en beheer.

In het gebouw bevinden zich op de begane grond een grote vergaderzaal (in vrijmetselaarsjargon: de voorhof), een kleine keuken en de werkplaats, ook wel tempel genoemd. Op de eerste verdieping van het gebouw bevindt zich een ruimte met een bar (in vrijmetselaarsjargon: de Zevende Graad), een vergadertafel en de bibliotheek met een zitgedeelte. Boven in het gebouw is een woonappartement gesitueerd, wat verhuurd wordt aan derden door stichting 'De Troffel'.

Geschiedenis van de vrijmetselarij in Middelburg De achttiende eeuw De geschiedenis van de vrijmetselarij in Middelburg begint halverwege de achttiende eeuw, tijdens de laatste decennia van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden (1588-1795), na afloop van het Tweede Stadhouderloze Tijdperk (1702-1747).

De eerste vrijmetselaarsloge in Middelburg was loge ‘La Philantrope'. De constitutiebrief van deze loge, die verstrekt was door de Grootloge der Zeven Verenigde Nederlanden - een voorloper van het huidige Grootoosten -, was gedateerd 8 maart 1758. Aanvragers van de constitutiebrief waren J.D. Ghyselin le Sage, P.J. Macaré, W. Thibaut, Assuerus van de Putte Schorer en Pr. Buteux Jr. Loge 'La Philantrope' werd de ‘Franse Loge’ genoemd en ook wel – spottend wellicht – de regentenloge. Dit omdat Frans er de voertaal was en overwegend Zeeuwse regenten lid waren, uit de bovenlaag van de maatschappij.

Uit onvrede over het feit dat loge 'La Philantrope' geen leden opnam uit de middenklasse vroeg een tiental vrijmetselaars in 1770 bij de Grootloge een constitutiebrief aan voor een nieuw op te richten loge in Middelburg, genaamd ‘La Compagnie Durable’. Het ongedateerde verzoek om een constitutiebrief was getekend door Marinus Smijtegelt sr., Bartholomeus van de Coppello, Lodewijk Thomassen, M. Smijtegelt jr., Pieter van Gote, Isaak Sifflé, W.A. Willems, H.N. Gerlach, Andries Schouten en A.J. Reynvaan.

Marinus Smijtegelt sr. en M. Smijtegelt jr. waren lid van loge 'L'Indissoluble' uit Den Haag, Bartholomeus van de Copello van loge 'L'Age d'Or' uit Leiden. De overige aanvragers kwamen uit de Vlissingse loge ‘de Zon’. Hier hadden zij zich laten inwijden met als doel een nieuwe loge op te kunnen richten in Middelburg. Van de aanvragers waren er drie notaris, één was advocaat, enkele waren als klerk werkzaam bij de stedelijke en gewestelijke besturen en drie waren kooplieden. Marinus Smijtegelt sr. - die de eerste Voorzittend Meester van de nieuwe loge zou worden - was notaris, en een neef van de in gereformeerde kringen bekende dominee Bernardus Smijtegelt. A.J. (Apollonius Johannes) Reijnvaan was een jongere broer van de rechtsgeleerde en componist Joos Verschuere Reynvaan.

Dat er in Middelburg een tweede loge zou worden opgericht, stuitte initieel op fel verzet van de leden van loge ‘La Philantrophe’. Men was bang dat hierdoor onthuld zou kunnen worden wie lid was van 'La Philantrope', wat de belangen van de leden kon schaden. Er werd zelfs bezwaar gemaakt bij de Grootloge. Op 10 augustus 1770 werd echter de gevraagde constitutiebrief ondertekend door grootmeester Carel baron van Boetzelaer, en op 28 augustus van datzelfde jaar vond de installatie van de nieuwe loge plaats. Als gevolg hiervan was er de eerste jaren geen contact tussen de beide loges, er was zelfs een formele afspraak niet bij elkaar te visiteren. Na verloop van tijd verbeterden echter de verhoudingen en vanaf de jaren tachtig van de achttiende eeuw hielden beide loges hun bijeenkomsten steeds in hetzelfde gebouw. Ook werd er in 1801 een vrijmetselaarssociëteit opgericht waar de leden van beide loges elkaar twee keer per week in een ongedwongen sfeer konden ontmoeten.

Van 1772 tot 1775 was er een zogeheten Schotse loge genaamd 'Les Coeurs Choisis' actief op Walcheren. Deze was verbonden aan de Vlissingse loge 'de Zon' en werkte in de hogere graden volgens de Franse ritus. Leden van de beide Middelburgse loges waren hier lid van, maar ook vrijmetselaars uit de rest van Zeeland, Holland, Gent en zelfs Duinkerken. In 1777 werden soortgelijke loges - later ook wel kapittels genaamd - opgericht door de beide Middelburgse loges, in 1790 door de Veerse loge 'L'Enfant de la Vertu' en in 1800 door de Vlissingse loge 'L'Astre de l'Oriënt'. Toen op 15 oktober 1803 de Nederlandse kapittels zich verenigden in de - nog steeds bestaande - Orde van Vrijmetselaren onder het Hoofdkapittel der Hoge Graden, onderschreven de beide Middelburgse en het Vlissingse kapittel de oprichtingsakte, als 'kapittels fondateur'. In de eerste helft van de negentiende eeuw zijn alle Zeeuwse kapittels weer opgeheven.

De negentiende eeuw miniatuur|Prins Frederik der Nederlanden als Grootmeester. 1817 (Anoniem, collectie Rijksmuseum) De overgang van de achttiende naar de negentiende eeuw ging gepaard met grote veranderingen. De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden werd ingelijfd door Frankrijk onder leiding van Napoleon Bonaparte en getransformeerd in een vazalstaat, initieel in de vorm van de Bataafse republiek en vanaf 1806 als het Koninkrijk Holland. In 1810 werd het land geannexeerd en volledig onderdeel van het Franse Keizerrijk. In 1809 werd een groot deel van Zeeland gedurende enkele maanden bezet door Engeland gedurende de - onsuccesvolle - Walcherenexpeditie.

Na deze zogeheten Franse Tijd (1794 - 1814) ontstond het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden, waarbij de zoon van stadhouder Willem V werd geïnstalleerd als koning Willem I. De tweede zoon van Willem I, prins Frederik, was gedurende 65 jaar (1816 - 1881) grootmeester van de Orde van Vrijmetselaren onder het Grootoosten der Nederlanden.

Op 19 oktober 1803 vroeg de - op een Franse constitutiebrief werkende - ambulante loge 'La Concorde' van de 41e Brigade de Ligne toestemming om gedurende haar verblijf in Middelburg aldaar te mogen werken. Deze toestemming werd verleend en de loge was actief in Middelburg in 1803-1804. Ook de ambulante loge 'L'Union Constante Militaire', opgericht in 1803 in Alkmaar en behorend bij het 20e bataljon 7e halve Brigade Bataafsche Infanterie, was korte tijd werkzaam in Middelburg eind 1803.

In 1820 werd door Prins Frederik een nieuwe obediëntie opgericht, de Afdeelingen van de Meestergraad, die vandaag de dag nog steeds bestaat. De doelstelling van deze obediëntie was initieel om de meestergraad verder te ontwikkelen en daarmee te fungeren als seculiere tegenhanger van de meer christelijk georiënteerde Orde van Vrijmetselaren onder het Hoofdkapittel der Hoge Graden. Hiertoe konden meester vrijmetselaars die lid werden van de nieuwe obediëntie binnen een bestaande loge een zogeheten 'Loge van Uitverkoren en Opper Uitverkoren Meesters' oprichten. Ook binnen loge 'La Compagnie Durable' werd een dergelijke loge opgericht in 1826, in 1858 werd ze echter al weer opgeheven.

Liefdadigheid was in de negentiende eeuw een belangrijk onderdeel van de vrijmetselarij, zowel voor de loge als voor individuele broeders, mede door het ontbreken van sociale voorzieningen. Zo werd er door loge 'La Compagnie Durable' structurele ondersteuning gegeven aan het blindeninstituut te Amsterdam en aan het armenonderwijs; ook werden armlastige broeders vanuit de loge ondersteund. Bij rampen als met het kruitschip in Leiden (1807) en de overstromingen in Gelderland (1861) werd er geld ingezameld door de loge. Een bijzonder voorbeeld van individuele liefdadigheid vond plaats bij het feest dat op 29 februari 1860 werd gegeven in de schouwburg van Middelburg, ter herdenking van de verjaardag van Prins Frederik. Door Voorzittend Meester W.J. Muller werd - om te vieren dat hij dertig jaar lid was van de Orde - hiervoor een zestigtal dames van boven de 70 jaar 'uit de verschillende gestichten' uitgenodigd. Ter gelegenheid van zijn zestigste verjaardag op 5 januari 1865 gaf hij wederom een soortgelijk feest in de schouwburg, en hierbij werden zelfs 200 behoeftige vrouwen van boven de 75 jaar en wezen uitgenodigd.

Ook de betrokkenheid bij sociale kwesties was groot. Zo werd in 1864 de Middelburgse Nijverheidsvereniging opgericht, vier van de oprichters waren vrijmetselaar. De Nijverheidsvereniging had als doel de plaatselijke economie te stimuleren en de werkloosheid te bestrijden. De vereniging stichtte daartoe onder meer een vlasserij en een kousenbreierij.