De wandaden in Congo-Vrijstaat zijn misdaden die werden gepleegd in de periode van 1885 tot 1908 in de Congo-Vrijstaat, ook wel Onafhankelijke Congostaat genoemd, anno 2026 de Democratische Republiek Congo. Het was destijds een kolonie onder de persoonlijke heerschappij van koning Leopold II van België, waarbij met name het winnen en exporteren van de latex voor de productie van rubber een grote rol speelde.
Door epidemieën, hongersnood en geweld nam de omvang van de Congolese bevolking met, naar schatting, enkele miljoenen af. Epidemieën zoals slaapziekte, pokken, varkensgriep en amoebische dysenterie waren de belangrijkste oorzaken van de bevolkingsafname.
Rubber wordt gemaakt van latex en deze werd afgetapt uit planten, rubberlianen genoemd, soorten uit het klimplantengeslacht Landolphia. Rubberlianen groeien overal in het regenwoud en de Congolese bevolking kreeg een belasting opgelegd in de vorm van het leveren van latex. Inwoners van dorpen die onvoldoende latex leverden, werden met de dood gestraft. Als bewijs van executies werden handen afgehakt en ingeleverd.
Die gruwelijkheden werden vastgelegd door christelijke missionarissen die in Congo werkten en hun rapportages veroorzaakten internationale verontwaardiging. Een internationale campagne tegen de Congo-Vrijstaat begon in 1890 en bereikte zijn hoogtepunt na 1900.
Achtergrond Oprichting van de Congo-Vrijstaat miniatuur| Kaart van de Congo-Vrijstaat in 1892 Nog vóór Leopold II koning werd van België in 1865, lobbyde hij bij binnen- en buitenlandse politici om een groot grondgebied in het Verre Oosten of Afrika onder heerschappij te krijgen, waardoor het Belgische prestige zou vergroten. Politiek gezien was kolonisatie echter niet populair in België, omdat het werd gezien als een riskante en dure onderneming zonder duidelijke voordelen voor het land. De vele pogingen van Leopold om politici te overtuigen hadden weinig succes.
Vastbesloten om zelf een gebied te zoeken dat hij kon koloniseren en geïnspireerd door recente verslagen van ontdekkingstochten door Europeanen in Midden-Afrika, begon Leopold een aantal gerenommeerde ontdekkingsreizigers te ondersteunen, waaronder Henry Morton Stanley. Leopold richtte de Association internationale africaine op, een ideële organisatie met als doel toezicht te houden op verkenning en onderzoek van het gebied rond de rivier Kongo, met als doel humanitaire hulp en beschaving aan de inwoners te bieden.
Op de Koloniale Conferentie van Berlijn van 1884–85 erkenden de daar aanwezige vertegenwoordigers van 15 Europese mogendheden deze organisatie als soevereine staat, de Onafhankelijke Congostaat met een grootte van 2.350.000 km2 op grond van het feit dat het een vrijhandelszone en een bufferstaat zou zijn tussen Britse en Franse invloedssferen.
In de Vrijstaat oefende Leopold totale persoonlijke controle uit zonder veel delegatie aan ondergeschikten. Afrikaanse leiders speelden een belangrijke rol in het bestuur door het uitvoeren van opdrachten van de koning binnen hun gemeenschappen. Gedurende een groot deel van het bestaan van de Vrijstaat was de aanwezigheid van het bestuur van de koning op het geclaimde territorium echter fragmentarisch, met maar enkele beambten geconcentreerd in een aantal kleine en ver van elkaar gelegen handelsposten die slechts kleine hoeveelheden achterland beheerden. In 1900 waren er 3000 buitenlanders in Congo, van wie ongeveer de helft Belgisch was. De kolonie had voortdurend een tekort aan administratief personeel en beambten (in die periode tussen de 700 en 1500 mensen).
In de beginjaren van de kolonie was veel aandacht gericht op het vestigen en verstevigen van effectieve controle en handhaving, door Afrikaanse volkeren aan de rand van de kolonie die zich verzetten tegen de koloniale overheersing met militair geweld aan te pakken. Deze omvatten de stammen rond de rivier Kwango in het zuidwesten en de Uélé in het noordoosten. Een deel van het geweld van die periode kan worden toegeschreven aan Afrikaanse groepen die de koloniale steun gebruikten voor een onderlinge afrekening of bestuurders die handelden zonder goedkeuring van de koning.
Economische en bestuurlijke situatie thumb|Kaart van de Congo-Vrijstaat met territoriale onderverdelingen van concessiehouders, eind 19e, begin 20e eeuw. De Vrijstaat was in de eerste plaats bedoeld om winstgevend te zijn voor Leopold en zijn investeerders. De financiën waren vaak precair. Vroege afhankelijkheid van de export van ivoor leverde niet zoveel geld op als gehoopt en de in de Conferentie van Berlijn opgelegde onmogelijkheid om import- en exportheffingen en douanerechten op te leggen zorgde ervoor dat het koloniale bestuur vaak schulden had, waarbij het een aantal keer in gebreke bleef. Een plotselinge toename van de vraag naar natuurlijk rubber in de jaren 1890 door de ontwikkeling van luchtbanden zou uiteindelijk een einde aan deze problemen maken. Onder bestuur van de koning werden Congolese mannen gedwongen om latex uit rubberbomen af te tappen, die vervolgens werd verwerkt tot rubber en naar Europa en Noord-Amerika werd geëxporteerd. De uitvoer steeg van 1895 tot 1900 van 580 naar 3740 ton.
Om de exploitatie van de kolonie te vergemakkelijken, werd het land in 1891 verdeeld onder het zogenoemde régime domanial. Alle braakliggende grond, inclusief bossen en niet-bebouwde gebieden, werd als onbewoond verklaard, waardoor veel van de hulpbronnen van Congo (vooral rubber en ivoor) onder directe koloniale eigendom vielen. Concessies werden toegewezen aan particuliere maatschappijen. In het noorden kreeg de Société anversoise du commerce au Congo 160.000 km2, terwijl de Anglo-Belgian India Rubber Company (ABIR) een vergelijkbaar gebied in het zuiden kreeg. De Compagnie du Katanga en Compagnie des Grands Lacs kregen kleinere concessies in respectievelijk het zuiden en het oosten. Leopold behield een groot deel van het grondgebied onder persoonlijk bestuur, bekend als het Domaine de la Couronne (Kroondomein), van 250.000 km2. Dit werd toegevoegd aan het privédomein van Leopold II. Het grote merendeel van de economische exploitatie van het Congolese binnenland werd dus uitgevoerd door Leopold en de grote concessiehouders.
Het systeem was buitengewoon winstgevend en ABIR behaalde een omzet van meer dan 100 procent op zijn oorspronkelijke belang in één jaar. De koning maakte tussen 1896 en 1905 70 miljoen Belgische frank winst uit het systeem. Het concessiesysteem van de Vrijstaat werd al snel gekopieerd door andere koloniale regimes, met name die in het aangrenzende Frans-Congo.
Misdaden Rubberbelasting en dwangarbeid miniatuur|Congolese arbeiders die latex (rubber) tappen nabij Lusambo in Kasai Latex werd het belangrijkste exportproduct. Om de productiviteit te verhogen, werd een 'rubberbelasting' ingevoerd. Getapte latex diende ingeleverd te worden bij handelsposten om aan de belastingen te voldoen. Dit creëerde dwangarbeid naarmate bedrijven steeds afhankelijker werden van de Congolese arbeid voor hun winning van latex. De staat rekruteerde zwarte functionarissen, bekend als capita's, om de lokale arbeid te organiseren.
De wens om de latexwinning te maximaliseren, en dus de winst voor de staat, betekende dat de centraal afgedwongen eisen vaak willekeurig werden gesteld zonder rekening te houden met de aantallen of het welzijn van de mensen. In de concessiegebieden konden de concessiemaatschappijen vrijwel alle maatregelen gebruiken die zij wilden om de productie en winst te verhogen zonder staatsinmenging. Het ontbreken van toezicht op de gebruikte winningsmethoden leidde in de hele Vrijstaat tot een sfeer van "informaliteit", hetgeen uitbuiting en mishandeling eenvoudig maakte. Behandeling van arbeiders, bijvoorbeeld de duur van het werk per dag, was niet geregeld en werd aan de functionarissen ter plaatse overgelaten. ABIR en de Anversoise stonden vooral bekend om de hardheid waarmee functionarissen Congolese arbeiders behandelden. links|miniatuur| Soldaten van de Force Publique gefotografeerd in 1900 Mensen die weigerden latex te tappen, werden gedwongen. Opstandelingen werden geslagen of kregen zweepslagen met de chicotte. Er werden mensen gegijzeld om mensen aan te zetten tot versnelde winning van latex en strafexpedities werden ondernomen om dorpen die niet meewerkten te vernietigen. Het beleid leidde tot de teloorgang van het Congolese economische en culturele leven en de lokale landbouw kwam in bepaalde gebieden onder druk te staan.
De handhaving was meestal in handen van de Force Publique, het koloniale leger. De Force was opgericht in 1885, met officieren en onderofficieren gerecruteerd uit Europa en soldaten gerekruteerd uit onder meer Zanzibar, Nigeria en Liberia. In Congo rekruteerde het leger uit specifieke etnische groepen en lagen uit de bevolking, waaronder de Bangala. De zogenaamde Zappo-Zaps, van de etnische groep Songye, waren het meest gevreesd. De Zappo-Zaps maakten misbruik van hun positie door overvallen op het platteland en mensen tot slaaf te maken. Tegen 1900 telde de Force Publique 19.000 mannen.
De latexbelasting en de gewelddadige uitbuiting van de bevolking die daarmee gepaard ging, ontstonden met de oprichting van het concessieregime in 1891 en duurden tot 1906, toen het concessiesysteem werd ingeperkt. Op zijn hoogtepunt vond het vooral plaats in de regio's Équateur, Bandundu en Kasai.
Verminkingen en wreedheden miniatuur|Een missionaris wijst naar de afgehakte hand van een Congolese dorpsbewoner. miniatuur| Congolese mannen met afgesneden handen, foto genomen door Alice Seeley Harris in Baringa, mei 1904 Het niet behalen van de rubberquota werd hard bestraft. Naast gevangenneming en gijzelingen kon bestraffing ook de vorm aannemen van fysiek geweld, bijvoorbeeld zweepslagen met de chicotte, verbranding met gom of het op een andere manier doden van de bevolking. De Force Publique had de verplichting een hand van hun slachtoffers in te leveren als bewijs wanneer ze iemand hadden neergeschoten en vermoord, omdat men geloofde dat ze anders de munitie (tegen aanzienlijke kosten uit Europa geïmporteerd) zouden gebruiken voor de jacht.https://open.spotify.com/episode/3jC9ceM1BTk9KF8NvHC4Su Het uur van de waarheid - Koloniale mythes over afgehakte handen - Gert Huskens - Universiteit Utrecht Als gevolg hiervan werden de rubberquota gedeeltelijk in afgehakte handen terugbetaald. Soms werden de handen verzameld door de soldaten van de Force Publique, soms door de dorpen zelf. Er waren kleine oorlogen waarbij dorpen naburige dorpen aanvielen om handen te verzamelen, omdat hun rubberquota onrealistisch hoog waren en er niet aan kon worden voldaan. Een katholieke priester citeert Tswambe, die spreekt over de staatsfunctionaris Léon Fiévez, die aan het hoofd stond van een district langs de rivier, 500 kilometer ten noorden van Stanley Pool:
Alle zwarten zagen deze man als de duivel van de evenaar[...] van alle lichamen die in het veld waren gedood, moest je de handen afhakken. Hij wilde het aantal handen zien dat iedere soldaat had afgehakt, die ze in manden naar hem toe moesten brengen. [...] Een dorp dat weigerde rubber te leveren, zou helemaal worden uitgemoord. Als jonge man zag ik [Fiévez'] soldaat Molili, die toen het dorp Boyeka bewaakte, een groot net pakken, daar tien gearresteerde inheemse mannen in stoppen, grote stenen aan het net bevestigen en het in de rivier kieperen. [...] Rubber was de oorzaak van deze kwellingen; daarom willen we de naam ervan niet meer horen uitspreken. Soldaten dwongen jonge mannen hun eigen moeders en zusters te doden of te verkrachten.Hochschild, De geest van koning Leopold II, p. 170